Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Voormalige Union Coloniale Belge [Belgische Koloniale Unie]
de Stassartstraat 34
Herdersstraat 13-15
Typologie(ën)
kantoorgebouw
cinema/bioscoop
spektakelzaal
feestzaal
cinema/bioscoop
spektakelzaal
feestzaal
Ontwerper(s)
Georges DEWEZ – architect – 1952
Léon SNEYERS – architect – 1912
DE PRAETERE – architect – 1912
INCONNU - ONBEKEND – 1948
Stijlen
Modernisme
Inventaris(sen)
- Inventaris van koloniale sporen (DPC-DCE 2024-2025)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Sociaal Moeilijk te onderscheiden van de volkskundige waarde en over het algemeen onvoldoende om een selectie op zichzelf te rechtvaardigen. - herinneringsplaats van een gemeenschap of van van een sociale groep (bijvoorbeeld de bedevaartskapel op het Kerkplein in Sint-Agatha-Berchem, “de Oude Linde” in Boendael te Elsene); - een plaats met volkssymboliek (bijvoorbeeld het café het “Goudblommeke in papier” in de Cellebroersstraat); - een plaats waar een wijk samenkomt of gestructureerd is (bijvoorbeeld De gebouwen “Fer à Cheval”- in de Floréal tuinwijk); - een goed dat deel uitmaakt van of bestaat uit openbare voorzieningen (scholen, crèches, gemeenschaps- of parochiezalen, sporthallen, stadions, enz.); - goed of ensemble (al dan niet sociale huisvesting) ontworpen om sociale interactie, wederzijdse hulp en buurtcohesie te stimuleren (bijvoorbeeld de woonwijken die na de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd in Ganshoren of de wijken die speciaal voor ouderen werden ontworpen); - goed dat deel uitmaakt van een industrieel complex dat een aanzienlijke activiteit heeft gegenereerd in de gemeente waar het zich bevindt of in het Gewest.
Onderzoek en redactie
2024
id
Urban : 41794
Beschrijving
Modernistisch
gebouw in de de Stassartstraat naar een ontwerp van architect Georges Dewez,
1952. Resultaat van meerdere aanpassingen (1912, 1948 en 1952) van een
herenhuis uit 1901.
Historiek
De voormalige Union Coloniale Belge of Belgische Koloniale Unie, gelegen op een doorlopend perceel, is in meerdere fasen gebouwd. In 1901 werd een eclectischPeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). herenhuis gebouwd in de de Stassartstraat, met bijgebouwen bereikbaar via de Herdersstraat. In 1912 werd het herenhuis gekocht door de Union Coloniale Belge, die een grote uitbreiding liet bouwen in plaats van de tuin, waardoor bijna het hele perceel tussen de de Stassartstraat en de Herdersstraat werd bebouwd (architecten De Praetere en Léon Sneyers).
De Union Coloniale Belge werd opgericht in 1912 door generaal Albert Thys en verenigde bestaande kolonistenkringen en nieuwe verenigingen. De oprichting werd gefinancierd door koning Albert I (persoonlijke subsidie), koloniale handels- en financiële maatschappijen (zoals de Société Générale de Belgique, het Comité Spécial du Katanga, de Compagnie Maritime Belge, de CCCI en de Union Minière du Haut Katanga) en door een officiële bijdrage van de toenmalige regering. De doelen van deze Koloniale Unie waren: propaganda voor de koloniale actie, het organiseren van conferenties, het oprichten van een informatiebureau, het samenstellen van een Afrikaanse bibliotheek en het geven van koloniale voorbereidende cursussen. De Unie bood ook onderdak aan de activiteiten van verschillende koloniale kringen. De redacties van de belangrijkste koloniale tijdschriften vestigden er ook hun kantoren. Activiteiten zonder directe band met de kolonie werden eveneens georganiseerd in de gebouwen van de Koloniale Unie; zo vonden er in de grote zaal concerten plaats tijdens het interbellum. De ruimtes huisvestten ook Radio Bruxelles en later Radio Belgique: vanuit dit gebouw lanceerde Théo Fleischman het eerste gesproken nieuwsbulletin in 1926 (zoals vermeld op een nog steeds zichtbaar plakkaat op de gevel van het gebouw). Hoewel deze activiteit op het eerste gezicht geen verband lijkt te hebben met koloniale zaken, was ze dat wel, en weerspiegelde ze het belang van radio voor koloniale propaganda. Dit particuliere station had het monopolie op nationale uitzendingen. In 1930 werd de radio genationaliseerd en werd het NIR opgericht. De radio verliet toen de de Stassartstraat.
![de Stassartstraat 34, voormalige [i]Union Coloniale Belge[/i], de grote conferentiezaal, tussen 1912 en 1948, © Archieven UGENT.](/medias/500/buildings/10500950/10500950_0034_W02.jpg)
De uitbreiding van het herenhuis in de de Stassartstraat nr. 34 in 1912 omvatte een zeer grote conferentiezaal (met een capaciteit van bijna 800 personen en mogelijkheid tot filmprojectie), twee kleinere auditoria, een bibliotheek en een museum. De ruimtes van het oorspronkelijke herenhuis werden toen gebruikt als kantoor voor de koloniale kringen en de secretaris-generaal, majoor René Dubreucq.
In 1948 werd het volume in de Herdersstraat aanzienlijk vergroot. Er werd een grote banketzaal ingericht met plaats voor 200 gasten. Ook aan het volume van 1912 werden aanpassingen gedaan, met name in de decoratie van de grote conferentiezaal.
In 1952 werd het oorspronkelijke herenhuis in de de Stassart gesloopt, een nieuw gebouw werd opgericht en de hal voor de conferentiezaal werd aangepast (architect Georges Dewez). Het nieuwe gebouw omvatte kantoren (de Koloniale Revue, de Vereniging van Belgische Koloniale Belangen), een grote raadzaal voor de SARUC (Société auxiliaire de la Royale Union Coloniale) en grote ruimtes bestemd voor de Afrikaanse Kring (waaronder een erezaal in de rotonde en een grote ontvangstruimte met bar).
![de Stassartstraat 34, voormalige [i]Union Coloniale Belge[/i], herdenkingsplaat voor Louis de Lannoy, © J. Truddaïu, 2018.](/medias/500/buildings/10500950/10500950_0034_P08.jpeg)
Na de onafhankelijkheid van Congo (1960) en Rwanda-Urundi (1962) werd de Koloniale Unie geleidelijk een federatie van verenigingen van oud-Congolezen. Haar activiteiten namen af, maar de lokalen huisvestten nog tot 1985 de kantoren van voormalige koloniale bedrijven. In 1985 werd het gebouw overgedragen aan de staat en toegewezen aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel om er de theaterafdeling in onder te brengen. Momenteel wacht het gebouw op een verbouwing tot hotel.
Beschrijving
De gevel in de de Stassartstraat telt vijf bouwlagen, de hoogste terugwijkend, bekleed met hardstenen platen. Centrale, brede erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. met bandramen in eerste en tweede bouwlaag. Bewaarde houten schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... . Plakkaat ter herinnering aan het eerste gesproken nieuwsbulletin van Théo Fleischman, rechts op benedenverdieping.
Interieur
In de inkomhal, daterend uit 1952, op het plafond een gemouleerde vijfpuntige ster, symbool van Congo. De trapleuningen uit 1948 zijn ook versierd met dito sterren. De grote conferentiezaal heeft zijn oorspronkelijke volumes uit 1912 behouden, maar de decoratie dateert waarschijnlijk grotendeels uit 1948 (houten lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …, koperen radiatorkappen met geometrische motieven, twee marmeren medaillonsRonde of ovale cartouche. met de profielen van generaal Thys en majoor Dubreucq, balustradeHekwerk van spijlen of balusters. van het balkon identiek aan die van de trappen). De deuren waren voorzien van deurknoppen in de vorm van Afrikaanse maskers. Deze zijn verwijderd, maar bewaard gebleven. Boven de grote zaal, grote lege plateaus die van 1912 tot 1950 een museum en een bibliotheek huisvestten. Achter de grote zaal, richting Herdersstraat, een banketzaal (daterend uit 1948) op twee niveaus, met een galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. en een bar: muren en pilarenVrijstaande ondersteuning van een boog of hoofdgestel in de vorm van een ronde, vierkante of polygonale pijler. grotendeels bekleed met hout. Op de eerste verdieping van het gebouw aan de de Stassartstraat, daterend uit 1952, is de bar van de Koninklijke Afrikaanse Kring behouden, evenals de ster die het plafond van de erezaal siert. Op de tweede verdieping, waar de raadzaal was, is een marmeren schoorsteenmantelHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw. versierd met twee sterren. Op de bovenste verdieping, een koperen medaillonRonde of ovale cartouche. (beeldhouwer Arthur Dupagne) op een marmeren plaat ter herinnering aan Louis de Lannoy, secretaris van de Koninklijke Koloniale Unie van België.
Historiek
De voormalige Union Coloniale Belge of Belgische Koloniale Unie, gelegen op een doorlopend perceel, is in meerdere fasen gebouwd. In 1901 werd een eclectischPeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). herenhuis gebouwd in de de Stassartstraat, met bijgebouwen bereikbaar via de Herdersstraat. In 1912 werd het herenhuis gekocht door de Union Coloniale Belge, die een grote uitbreiding liet bouwen in plaats van de tuin, waardoor bijna het hele perceel tussen de de Stassartstraat en de Herdersstraat werd bebouwd (architecten De Praetere en Léon Sneyers).
De Union Coloniale Belge werd opgericht in 1912 door generaal Albert Thys en verenigde bestaande kolonistenkringen en nieuwe verenigingen. De oprichting werd gefinancierd door koning Albert I (persoonlijke subsidie), koloniale handels- en financiële maatschappijen (zoals de Société Générale de Belgique, het Comité Spécial du Katanga, de Compagnie Maritime Belge, de CCCI en de Union Minière du Haut Katanga) en door een officiële bijdrage van de toenmalige regering. De doelen van deze Koloniale Unie waren: propaganda voor de koloniale actie, het organiseren van conferenties, het oprichten van een informatiebureau, het samenstellen van een Afrikaanse bibliotheek en het geven van koloniale voorbereidende cursussen. De Unie bood ook onderdak aan de activiteiten van verschillende koloniale kringen. De redacties van de belangrijkste koloniale tijdschriften vestigden er ook hun kantoren. Activiteiten zonder directe band met de kolonie werden eveneens georganiseerd in de gebouwen van de Koloniale Unie; zo vonden er in de grote zaal concerten plaats tijdens het interbellum. De ruimtes huisvestten ook Radio Bruxelles en later Radio Belgique: vanuit dit gebouw lanceerde Théo Fleischman het eerste gesproken nieuwsbulletin in 1926 (zoals vermeld op een nog steeds zichtbaar plakkaat op de gevel van het gebouw). Hoewel deze activiteit op het eerste gezicht geen verband lijkt te hebben met koloniale zaken, was ze dat wel, en weerspiegelde ze het belang van radio voor koloniale propaganda. Dit particuliere station had het monopolie op nationale uitzendingen. In 1930 werd de radio genationaliseerd en werd het NIR opgericht. De radio verliet toen de de Stassartstraat.
![de Stassartstraat 34, voormalige [i]Union Coloniale Belge[/i], de grote conferentiezaal, tussen 1912 en 1948, © Archieven UGENT.](/medias/500/buildings/10500950/10500950_0034_W02.jpg)
De uitbreiding van het herenhuis in de de Stassartstraat nr. 34 in 1912 omvatte een zeer grote conferentiezaal (met een capaciteit van bijna 800 personen en mogelijkheid tot filmprojectie), twee kleinere auditoria, een bibliotheek en een museum. De ruimtes van het oorspronkelijke herenhuis werden toen gebruikt als kantoor voor de koloniale kringen en de secretaris-generaal, majoor René Dubreucq.
In 1948 werd het volume in de Herdersstraat aanzienlijk vergroot. Er werd een grote banketzaal ingericht met plaats voor 200 gasten. Ook aan het volume van 1912 werden aanpassingen gedaan, met name in de decoratie van de grote conferentiezaal.
In 1952 werd het oorspronkelijke herenhuis in de de Stassart gesloopt, een nieuw gebouw werd opgericht en de hal voor de conferentiezaal werd aangepast (architect Georges Dewez). Het nieuwe gebouw omvatte kantoren (de Koloniale Revue, de Vereniging van Belgische Koloniale Belangen), een grote raadzaal voor de SARUC (Société auxiliaire de la Royale Union Coloniale) en grote ruimtes bestemd voor de Afrikaanse Kring (waaronder een erezaal in de rotonde en een grote ontvangstruimte met bar).
![de Stassartstraat 34, voormalige [i]Union Coloniale Belge[/i], herdenkingsplaat voor Louis de Lannoy, © J. Truddaïu, 2018.](/medias/500/buildings/10500950/10500950_0034_P08.jpeg)
Na de onafhankelijkheid van Congo (1960) en Rwanda-Urundi (1962) werd de Koloniale Unie geleidelijk een federatie van verenigingen van oud-Congolezen. Haar activiteiten namen af, maar de lokalen huisvestten nog tot 1985 de kantoren van voormalige koloniale bedrijven. In 1985 werd het gebouw overgedragen aan de staat en toegewezen aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel om er de theaterafdeling in onder te brengen. Momenteel wacht het gebouw op een verbouwing tot hotel.
Beschrijving
De gevel in de de Stassartstraat telt vijf bouwlagen, de hoogste terugwijkend, bekleed met hardstenen platen. Centrale, brede erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. met bandramen in eerste en tweede bouwlaag. Bewaarde houten schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... . Plakkaat ter herinnering aan het eerste gesproken nieuwsbulletin van Théo Fleischman, rechts op benedenverdieping.
Interieur
In de inkomhal, daterend uit 1952, op het plafond een gemouleerde vijfpuntige ster, symbool van Congo. De trapleuningen uit 1948 zijn ook versierd met dito sterren. De grote conferentiezaal heeft zijn oorspronkelijke volumes uit 1912 behouden, maar de decoratie dateert waarschijnlijk grotendeels uit 1948 (houten lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …, koperen radiatorkappen met geometrische motieven, twee marmeren medaillonsRonde of ovale cartouche. met de profielen van generaal Thys en majoor Dubreucq, balustradeHekwerk van spijlen of balusters. van het balkon identiek aan die van de trappen). De deuren waren voorzien van deurknoppen in de vorm van Afrikaanse maskers. Deze zijn verwijderd, maar bewaard gebleven. Boven de grote zaal, grote lege plateaus die van 1912 tot 1950 een museum en een bibliotheek huisvestten. Achter de grote zaal, richting Herdersstraat, een banketzaal (daterend uit 1948) op twee niveaus, met een galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. en een bar: muren en pilarenVrijstaande ondersteuning van een boog of hoofdgestel in de vorm van een ronde, vierkante of polygonale pijler. grotendeels bekleed met hout. Op de eerste verdieping van het gebouw aan de de Stassartstraat, daterend uit 1952, is de bar van de Koninklijke Afrikaanse Kring behouden, evenals de ster die het plafond van de erezaal siert. Op de tweede verdieping, waar de raadzaal was, is een marmeren schoorsteenmantelHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw. versierd met twee sterren. Op de bovenste verdieping, een koperen medaillonRonde of ovale cartouche. (beeldhouwer Arthur Dupagne) op een marmeren plaat ter herinnering aan Louis de Lannoy, secretaris van de Koninklijke Koloniale Unie van België.
Bronnen
Archieven
GAE/DS 95-34 (1912, 1931, 1952, 1968); 36-13 (1948).
Publicaties en studies
M’BOKOLO, E., TRUDDAÏU, J. (éd.), Notre Congo. Onze Kongo. La propagande coloniale belge dévoilée, Brussel, Coopération Éducation Culture, 2018, pp.122-127.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid





















































