Typologie(ën)

opbrengsthuis

Ontwerper(s)

INCONNU - ONBEKEND1907-1908

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Eclectisme

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2009-2011

id

Urban : 20022
lees meer

Beschrijving

Complex bestaande uit huurappartementen in nieuw eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl rondom binnentuin i.o.v. Léonie Meganck, 1907-1908.

Geschiedenis
Naar verluidt gebouwd ter vervanging van vroeger sanatorium (Historique des rues, 1925).
Resulterend uit verbouwing en uitbreiding van bestaand neoclassicistischVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. herenhuis aan straatzijde met achterliggende grote tuin. Opdrachtgeefster, Léonie Meganck, wou op die manier de huuropbrengsten van haar eigendom gevoelig opdrijven: ‘L’état actuel de l’immeuble ne permettant plus de le louer avec l’énorme surface de terrain qu’il a comme jardin, je me vois obligée de le transformer en plusieurs habitations, pour que le rapport en soit meilleurs’ (GAE/DS 270-110). Aanvraag voor de uitbreiding van voorbouw en bouw van achterliggende vleugels gebeurde reeds op 22 juni 1907, maar werd na tal van beraadslagingen uiteindelijk pas goedgekeurd op 20 augustus 1908.

Sans Soucistraat 110-110i, grondplan van de Sans Soucisquare, GAE/DS 270-110 (1909).

Plan
Min of meer rechthoekig perceel met aan straatzijde gebouw met centrale doorgang naar grote gemeenschappelijke binnentuin die links achter omzoomd wordt met L-vormig gebouw.

Sans Soucistraat 110-110i, voorgevel (foto 2011).

Beschrijving
Voorbouw
Eén gemaakte voorgevel met vier bouwlagen (hoogste van 1909) en met respectievelijk vier en twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Oorspronkelijke balkons en parementGevel- of muurbekleding. in 1951 vervangen door huidig brikettenparement met keramische bekleding op benedenverdieping en smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. voor glasdeurenDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat.. Benedenverdieping met vier winkelpuien en centrale doorgang. Doorlopende  kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken. uit 1909.
Gecementeerde achtergevel met vier bouwlagen en respectievelijk twee en vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Meeste muuropeningen onder I-balkIJzeren latei met I-profiel., in centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd.. Tal van (doorlopende) balkons met gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust..
Centrale doorgang aan weerszijden geflankeerd door lage trapsgewijs verspringende paviljoenen met twee bouwlagen in afwisselende banden rode en lichtgekleurde baksteen onder zinken daken; rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. nissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. in zijgevels. In linker paviljoen was conciërgerie ondergebracht.
Schrijnwerk grotendeels vervangen, zo ook vleugeldeuren die doorgang afsloten.

Sans Soucisquare, binnentuin met omringende bebouwing (foto 2011).

L-vormig gebouw
Vier bouwlagen op licht verhoogde onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen., brede zijgevel met slechts één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), langsgevel met acht traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en dwarsgevel met vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Kleurrijk uitgewerkte gevels in rode en lichtgekleurde baksteen. Meeste muuropeningen onder I-balkIJzeren latei met I-profiel. en met balkon met gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust., uitgezonderd toegangstraveeënTravee waarin de toegang is ondergebracht. met verhoogde portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. met treden en afgeronde hoeken. Uiterste drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) identiek met simili-parement op verdieping, korfboogvensters op eerste en tweede verdieping en kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op fijne modillonsRechthoekig kraagstuk, ter versiering van een kroonlijst.. Overige traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met enkel rondboogvensters op benedenverdieping, kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. en kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). met korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken.. Oorspronkelijk schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ...  met bovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. slechts gedeeltelijk bewaard.

Interieur
Appartementen met vier kamers meestal rond centrale trappenhallen gelegen.

Bronnen

Archieven
GAE/DS 270-110.