Typologie(ën)

kerk/kathedraal/basiliek
pastorie
parochiezaal

Ontwerper(s)

William BARBERarchitect1883

Jean FRANÇOISaannemer1883

Etienne TRIBOLETglazenier2005-2007

B. BARDENHOWERglazenier1898

HUVENNE & JASINSKIarchitect1897

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Neogotiek
Neorenaissance

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2007-2009

id

Urban : 19101
lees meer

Beschrijving

Tweebeukige niet-georiënteerde kerk in eclectischeVeel voorkomende stijl (ca. 1850-1914) die inspiratie put uit verschillende architectuurstijlen uit het verleden. Komt door de combinatie van enerzijds verschillende stijlelementen en anderzijds nieuwe technieken en materialen tot een unieke eigentijdse creatie. stijl met neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). elementen n.o.v. arch. William Barber, 1883. Uitgebreid met koor n.o.v. arch. Huvenne & Jasinski, 1897.

Geschiedenis
De Anglicanen zijn reeds tweehonderd jaar in Brussel aanwezig. Aanvankelijk kwamen ze samen in privé-woningen. Later, na de Slag bij Waterloo, werden de eerste reguliere congregaties opgericht. Deze congregatie had haar eerste kapel in de Belliardstraat nr. 12 (afgebroken). In 1882 kocht Colonial and Continental Church Society een perceel in de Kapitein Crespelstraat, waarop in 1883 een ijzeren noodkerk verrees. De huidige kerk werd gebouwd tussen 1883 en 1885 door aannemer Jean François naar de plannen van arch. William Barber. In 1897 werd de kerk uitgebreid met het koor n.o.v. arch. Huvenne & Jasinski. In datzelfde jaar sloot de congregatie van Saint-George, gehuisvest in de Sint-Joriskapel op Kunstberg, aan bij de congregatie van de Christ Church.
Na W.O. I, in 1928, werd op langs de straat het Church House (pastorij) opgericht.
Door de samenvoeging in 1958 van de congregatie van de Church of the Resurrection en deze van de Christ Church werd de parochie herdoopt in Church of the Holy Trinity. Bij de bouw van de achterliggende Louizapoortgalerij (zie Louizalaan nr. 32-46A) werd de kerk gedeeltelijk ondergraven en voorzien van ondergrondse lokalen voor de geloofsgemeenschap. Tegelijk werd bovengronds links van de kerk de Church Hall opgericht die in 2001 werd gemoderniseerd en uitgebreid.

Kapitein Crespelstraat 29, [i]Church House[/i] (foto 2009).

Church House
Symmetrisch gebouw geïnspireerd op de Engelse renaissanceDe Neo-Vlaamse renaissancestijl is een regionale variant van de neorenaissance die zich in Brussel ontwikkelde tussen circa 1860 en 1914. Zij grijpt terug op de zestiende-eeuwse bouwtraditie van de Zuidelijke Nederlanden, met name op Vlaamse stadhuizen, gildehuizen en patriciërswoningen uit de tijd van de Habsburgse Nederlanden. In tegenstelling tot de meer Italiaans georiënteerde neorenaissance legt de neo-Vlaamse richting de nadruk op nationale worteling, ambachtelijke expressie en stedelijke identiteit. De stijl ontstond in een context van groeiend nationaal en stedelijk bewustzijn: in de tweede helft van de 19e eeuw trachtten Belgische architecten en beleidsmakers een eigen architecturale vormentaal te definiëren, los van Franse of Engelse modellen. De terugkeer naar de Vlaamse renaissance bood een historisch verankerd maar hedendaags hanteerbaar idioom, dat verwees naar traditie, vakmanschap en burgerlijke trots. De zestiende eeuw gold daarbij als een gouden tijdperk van kunst, handel en stedelijke autonomie — waarden die men binnen de jonge Belgische natie opnieuw wilde oproepen. In Brussel, als hoofdstad van het koninkrijk, kreeg deze stijl een uitgesproken representatieve functie. Zij symboliseerde zowel continuïteit met het historische stadsbeeld als de identiteit van een zelfbewuste burgerij. Architecten combineerden de historiserende vormentaal vaak met moderne bouwtechnieken — zoals gietijzer, staal en nieuwe baksteenformaten — binnen een bredere eclectische stedelijke architectuur. De stijl werd bijzonder populair voor openbare gebouwen, scholen, gemeentehuizen, postgebouwen en burgerhuizen, en kreeg zo ook een educatieve en administratieve dimensie: zij moest burgerlijke orde, stedelijke trots en nationale identiteit zichtbaar maken. In de periode van Leopold II werd zij een wezenlijk onderdeel van het visuele profiel van de hoofdstad. De neo-Vlaamse renaissancestijl is herkenbaar aan een uitgesproken verticale en plastische gevelcompositie, met een levendig spel van materialen, kleuren en ornamenten. Typische kenmerken zijn het gebruik van rode baksteen gecombineerd met witte of blauwe natuursteen (soms in speklagen), trapgevels, kruisvensters en geprofileerde kozijnen, cartouches, medaillons, frontons en wimpelvormige dakkapellen, evenals beeldhouwwerk met figuren, wapenschilden of allegorische motieven. Horizontale cordonbanden en verticale lisenen ritmeren de gevel, soms aangevuld met smeedijzeren balkons of loggia’s in natuursteen of hout. De stijl combineert constructieve rationaliteit met decoratieve exuberantie — een evenwicht dat haar bijzonder geschikt maakte voor stedelijke representatie., de zogenaamde Elizabethan style. Drie bouwlagen en drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder leien dak met dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Gevel in witsteen en baksteen. Zijtraveeën met getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. poort onder gestapelde trapezoïdale witstenen erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. die deels de kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). doorbreekt en daar functioneert als borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. voor achterliggend terras. Centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met op benedenverdieping gedenksteen aan eerste steenlegging en getraliede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. aan weerszijden van metalen kruis tegen zwarte achtergrond. Volgende bouwlagen in baksteen met witstenen drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere.; op borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van eerste verdieping 'HOLY TRINITY' tegen zwarte achtergrond en onder waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.. Kenmerkende afzatenAflopend bovenvlak van een dorpel.. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ...  bewaard.

Kapitein Crespelstraat 29, [i]Church of the Holy Trinity[/i] (foto 2009).

Church of the Holy Trinity
Hoog schip met links zijbeuk. Bakstenen gebouw met witstenen elementen; geveltop van schip bestaande uit polychroom en speels metselwerk. Hoofdgevel tussen zware steunberen die hoger overgaan in luchtboog met torenvormige bekroning en witstenen helm. Tussen steunberen ligt vooruitspringend volume onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. met links trappen naar dubbele toegang, centrale brede steunmuur en rechts muur met overwegend blindZonder opening; blind venster, schijnopening. maaswerk; erboven hoog spitsboogvenster met maaswerk. RozetRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. in zijbeuk.

Kapitein Crespelstraat 29, [i]Church of the Holy Trinity[/i], zicht op het koor (foto 2009).

Interieur
Bakstenen interieur met witstenen elementen, zijbeuk onder lessenaardak met open gebinte en schip onder houten tongewelf. Kruisvormige motieven van polychrome marmeren lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … worden herhaald in polychroom en speels metselwerk van het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel.. Tussen zijbeuk en schip spitse  scheibogen op achtzijdige pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) en zwikkenHoekstuk tussen een boog en de omlijsting waarin de boog gevat is. met kruismedaillon. Zevenzijdig koor met rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. triomfboog en opvallende kraagstenen met colonetten.

Glas-in-loodramen
Zijbeuk met twee rozettenRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. met voorstelling van resp. symbolen van vier evangelisten en Christus, en vervolgens sobere glasramen met St. Andrew & St. Paul, St. Patrick & St. David, St. George & St. Nicholas en St. Luke.
Koor met voorstellingen van geboorte, doop, kruisiging, wederopstanding en hemelvaart van Christus door glazenier "B. Bardenhower, Vitraux d'Art, Bruxelles, 1898” en geschonken door families Batho en Morse.
Meest recente glasramen met Bijbelse citaten door glazenier Etienne Tribolet van 2005 (zijbeuk) en 2007 (schip), beiden geschonken door familie Anselot.

Meubilair
Fraaie neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). kansel.
Collon-orgel uit 1967.

Herdenkingsplaten
Herdenkingsteen aan Edith Cavell, directrice van de English Nursing Home and School for Nurses en parochiaan van deze kerk.
Herdenkingsteen aan gevallen parochianen tussen 1939 en 1945.
 

Bronnen

Archieven
GAE/DS 58-29.

Publicaties en studies
COX, R., Anglicans in Brussels, Brussel, 1999.