Typologie(ën)
kerk/kathedraal/basiliek
pastorie
parochiezaal
pastorie
parochiezaal
Ontwerper(s)
William BARBER – architect – 1883
Jean FRANÇOIS – aannemer – 1883
Etienne TRIBOLET – glazenier – 2005-2007
B. BARDENHOWER – glazenier – 1898
HUVENNE & JASINSKI – architect – 1897
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Neogotiek
Neorenaissance
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Elsene (DMS-DML - 2005-2015)
- Kerkkappen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1830-1940 (Urban - 2019)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Wetenschappelijk De wetenschappelijke waarde wordt vaak erkend in het geval van landschappen (parken, halfnatuurlijke gebieden). Binnen de context van een onroerend goed kan het gaan om de aanwezigheid van een (bouw)element (bijzonder materiaal, experimenteel materiaal, bouwprocédé of -component) of getuigenis van een ruimtelijk-structurele ruimte (stedenbouwkundig) waarvan het behoud moet worden overwogen met het oog op wetenschappelijk onderzoek. In het geval van archeologische vindplaatsen en overblijfselen wordt de wetenschappelijke waarde erkend in relatie tot het uitzonderlijke karakter van de resten op het gebied van ouderdom (bijvoorbeeld de Romeinse villa in Jette), de uitzonderlijke bewaringsomstandigheden (bijvoorbeeld de site van het vroegere dorp Oudergem) of de uniciteit van de elementen (bijvoorbeeld een volledig bewaard dakspant) en derhalve op dat vlak een uitzonderlijke en prominente wetenschappelijke bijdrage vormen tot de kennis van ons stedelijk en pre-stedelijk verleden.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2007-2009
id
Urban : 19101
Beschrijving
Tweebeukige niet-georiënteerde kerk in eclectischeVeel voorkomende stijl (ca. 1850-1914) die inspiratie put uit verschillende architectuurstijlen uit het verleden. Komt door de combinatie van enerzijds verschillende stijlelementen en anderzijds nieuwe technieken en materialen tot een unieke eigentijdse creatie. stijl met neogotischeDe
Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige
neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de
geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na
1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes
en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een
religieuze, ideologische als nationale dimensie.
De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme
en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden
uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de
stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de
overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware
christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa.
Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl
naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen,
kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen.
De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de
oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en
materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek;
spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen,
soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen
en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met
religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en
het expressieve karakter van de constructie.
Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in
neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste
Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden.
De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch
geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als
restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis,
Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl
(vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven
worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster
en de Sint-Magdalenakerk, Jette).
De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische
revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad
mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de
religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair,
smeedwerk). elementen n.o.v. arch. William Barber, 1883. Uitgebreid met koor n.o.v. arch. Huvenne & Jasinski, 1897.
Geschiedenis
De Anglicanen zijn reeds tweehonderd jaar in Brussel aanwezig. Aanvankelijk kwamen ze samen in privé-woningen. Later, na de Slag bij Waterloo, werden de eerste reguliere congregaties opgericht. Deze congregatie had haar eerste kapel in de Belliardstraat nr. 12 (afgebroken). In 1882 kocht Colonial and Continental Church Society een perceel in de Kapitein Crespelstraat, waarop in 1883 een ijzeren noodkerk verrees. De huidige kerk werd gebouwd tussen 1883 en 1885 door aannemer Jean François naar de plannen van arch. William Barber. In 1897 werd de kerk uitgebreid met het koor n.o.v. arch. Huvenne & Jasinski. In datzelfde jaar sloot de congregatie van Saint-George, gehuisvest in de Sint-Joriskapel op Kunstberg, aan bij de congregatie van de Christ Church.
Na W.O. I, in 1928, werd op langs de straat het Church House (pastorij) opgericht.
Door de samenvoeging in 1958 van de congregatie van de Church of the Resurrection en deze van de Christ Church werd de parochie herdoopt in Church of the Holy Trinity. Bij de bouw van de achterliggende Louizapoortgalerij (zie Louizalaan nr. 32-46A) werd de kerk gedeeltelijk ondergraven en voorzien van ondergrondse lokalen voor de geloofsgemeenschap. Tegelijk werd bovengronds links van de kerk de Church Hall opgericht die in 2001 werd gemoderniseerd en uitgebreid.
![Kapitein Crespelstraat 29, [i]Church House[/i] (foto 2009).](/medias/500/buildings/10500570_0029_P01.jpg)
Church House
Symmetrisch gebouw geïnspireerd op de Engelse renaissanceDe Neo-Vlaamse renaissancestijl is een regionale variant van de neorenaissance die zich in Brussel ontwikkelde tussen circa 1860 en 1914. Zij grijpt terug op de zestiende-eeuwse bouwtraditie van de Zuidelijke Nederlanden, met name op Vlaamse stadhuizen, gildehuizen en patriciërswoningen uit de tijd van de Habsburgse Nederlanden. In tegenstelling tot de meer Italiaans georiënteerde neorenaissance legt de neo-Vlaamse richting de nadruk op nationale worteling, ambachtelijke expressie en stedelijke identiteit. De stijl ontstond in een context van groeiend nationaal en stedelijk bewustzijn: in de tweede helft van de 19e eeuw trachtten Belgische architecten en beleidsmakers een eigen architecturale vormentaal te definiëren, los van Franse of Engelse modellen. De terugkeer naar de Vlaamse renaissance bood een historisch verankerd maar hedendaags hanteerbaar idioom, dat verwees naar traditie, vakmanschap en burgerlijke trots. De zestiende eeuw gold daarbij als een gouden tijdperk van kunst, handel en stedelijke autonomie — waarden die men binnen de jonge Belgische natie opnieuw wilde oproepen. In Brussel, als hoofdstad van het koninkrijk, kreeg deze stijl een uitgesproken representatieve functie. Zij symboliseerde zowel continuïteit met het historische stadsbeeld als de identiteit van een zelfbewuste burgerij. Architecten combineerden de historiserende vormentaal vaak met moderne bouwtechnieken — zoals gietijzer, staal en nieuwe baksteenformaten — binnen een bredere eclectische stedelijke architectuur. De stijl werd bijzonder populair voor openbare gebouwen, scholen, gemeentehuizen, postgebouwen en burgerhuizen, en kreeg zo ook een educatieve en administratieve dimensie: zij moest burgerlijke orde, stedelijke trots en nationale identiteit zichtbaar maken. In de periode van Leopold II werd zij een wezenlijk onderdeel van het visuele profiel van de hoofdstad. De neo-Vlaamse renaissancestijl is herkenbaar aan een uitgesproken verticale en plastische gevelcompositie, met een levendig spel van materialen, kleuren en ornamenten. Typische kenmerken zijn het gebruik van rode baksteen gecombineerd met witte of blauwe natuursteen (soms in speklagen), trapgevels, kruisvensters en geprofileerde kozijnen, cartouches, medaillons, frontons en wimpelvormige dakkapellen, evenals beeldhouwwerk met figuren, wapenschilden of allegorische motieven. Horizontale cordonbanden en verticale lisenen ritmeren de gevel, soms aangevuld met smeedijzeren balkons of loggia’s in natuursteen of hout. De stijl combineert constructieve rationaliteit met decoratieve exuberantie — een evenwicht dat haar bijzonder geschikt maakte voor stedelijke representatie., de zogenaamde Elizabethan style. Drie bouwlagen en drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder leien dak met dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Gevel in witsteen en baksteen. Zijtraveeën met getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. poort onder gestapelde trapezoïdale witstenen erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. die deels de kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). doorbreekt en daar functioneert als borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. voor achterliggend terras. Centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met op benedenverdieping gedenksteen aan eerste steenlegging en getraliede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. aan weerszijden van metalen kruis tegen zwarte achtergrond. Volgende bouwlagen in baksteen met witstenen drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere.; op borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van eerste verdieping 'HOLY TRINITY' tegen zwarte achtergrond en onder waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.. Kenmerkende afzatenAflopend bovenvlak van een dorpel.. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... bewaard.
![Kapitein Crespelstraat 29, [i]Church of the Holy Trinity[/i] (foto 2009).](/medias/500/buildings/10500570_0029_P02.jpg)
Church of the Holy Trinity
Hoog schip met links zijbeuk. Bakstenen gebouw met witstenen elementen; geveltop van schip bestaande uit polychroom en speels metselwerk. Hoofdgevel tussen zware steunberen die hoger overgaan in luchtboog met torenvormige bekroning en witstenen helm. Tussen steunberen ligt vooruitspringend volume onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. met links trappen naar dubbele toegang, centrale brede steunmuur en rechts muur met overwegend blindZonder opening; blind venster, schijnopening. maaswerk; erboven hoog spitsboogvenster met maaswerk. RozetRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. in zijbeuk.
![Kapitein Crespelstraat 29, [i]Church of the Holy Trinity[/i], zicht op het koor (foto 2009).](/medias/500/buildings/10500570_0029_P03.jpg)
Interieur
Bakstenen interieur met witstenen elementen, zijbeuk onder lessenaardak met open gebinte en schip onder houten tongewelf. Kruisvormige motieven van polychrome marmeren lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … worden herhaald in polychroom en speels metselwerk van het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel.. Tussen zijbeuk en schip spitse scheibogen op achtzijdige pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) en zwikkenHoekstuk tussen een boog en de omlijsting waarin de boog gevat is. met kruismedaillon. Zevenzijdig koor met rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. triomfboog en opvallende kraagstenen met colonetten.
Glas-in-loodramen
Zijbeuk met twee rozettenRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. met voorstelling van resp. symbolen van vier evangelisten en Christus, en vervolgens sobere glasramen met St. Andrew & St. Paul, St. Patrick & St. David, St. George & St. Nicholas en St. Luke.
Koor met voorstellingen van geboorte, doop, kruisiging, wederopstanding en hemelvaart van Christus door glazenier "B. Bardenhower, Vitraux d'Art, Bruxelles, 1898” en geschonken door families Batho en Morse.
Meest recente glasramen met Bijbelse citaten door glazenier Etienne Tribolet van 2005 (zijbeuk) en 2007 (schip), beiden geschonken door familie Anselot.
Meubilair
Fraaie neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). kansel.
Collon-orgel uit 1967.
Herdenkingsplaten
Herdenkingsteen aan Edith Cavell, directrice van de English Nursing Home and School for Nurses en parochiaan van deze kerk.
Herdenkingsteen aan gevallen parochianen tussen 1939 en 1945.
Geschiedenis
De Anglicanen zijn reeds tweehonderd jaar in Brussel aanwezig. Aanvankelijk kwamen ze samen in privé-woningen. Later, na de Slag bij Waterloo, werden de eerste reguliere congregaties opgericht. Deze congregatie had haar eerste kapel in de Belliardstraat nr. 12 (afgebroken). In 1882 kocht Colonial and Continental Church Society een perceel in de Kapitein Crespelstraat, waarop in 1883 een ijzeren noodkerk verrees. De huidige kerk werd gebouwd tussen 1883 en 1885 door aannemer Jean François naar de plannen van arch. William Barber. In 1897 werd de kerk uitgebreid met het koor n.o.v. arch. Huvenne & Jasinski. In datzelfde jaar sloot de congregatie van Saint-George, gehuisvest in de Sint-Joriskapel op Kunstberg, aan bij de congregatie van de Christ Church.
Na W.O. I, in 1928, werd op langs de straat het Church House (pastorij) opgericht.
Door de samenvoeging in 1958 van de congregatie van de Church of the Resurrection en deze van de Christ Church werd de parochie herdoopt in Church of the Holy Trinity. Bij de bouw van de achterliggende Louizapoortgalerij (zie Louizalaan nr. 32-46A) werd de kerk gedeeltelijk ondergraven en voorzien van ondergrondse lokalen voor de geloofsgemeenschap. Tegelijk werd bovengronds links van de kerk de Church Hall opgericht die in 2001 werd gemoderniseerd en uitgebreid.
![Kapitein Crespelstraat 29, [i]Church House[/i] (foto 2009).](/medias/500/buildings/10500570_0029_P01.jpg)
Church House
Symmetrisch gebouw geïnspireerd op de Engelse renaissanceDe Neo-Vlaamse renaissancestijl is een regionale variant van de neorenaissance die zich in Brussel ontwikkelde tussen circa 1860 en 1914. Zij grijpt terug op de zestiende-eeuwse bouwtraditie van de Zuidelijke Nederlanden, met name op Vlaamse stadhuizen, gildehuizen en patriciërswoningen uit de tijd van de Habsburgse Nederlanden. In tegenstelling tot de meer Italiaans georiënteerde neorenaissance legt de neo-Vlaamse richting de nadruk op nationale worteling, ambachtelijke expressie en stedelijke identiteit. De stijl ontstond in een context van groeiend nationaal en stedelijk bewustzijn: in de tweede helft van de 19e eeuw trachtten Belgische architecten en beleidsmakers een eigen architecturale vormentaal te definiëren, los van Franse of Engelse modellen. De terugkeer naar de Vlaamse renaissance bood een historisch verankerd maar hedendaags hanteerbaar idioom, dat verwees naar traditie, vakmanschap en burgerlijke trots. De zestiende eeuw gold daarbij als een gouden tijdperk van kunst, handel en stedelijke autonomie — waarden die men binnen de jonge Belgische natie opnieuw wilde oproepen. In Brussel, als hoofdstad van het koninkrijk, kreeg deze stijl een uitgesproken representatieve functie. Zij symboliseerde zowel continuïteit met het historische stadsbeeld als de identiteit van een zelfbewuste burgerij. Architecten combineerden de historiserende vormentaal vaak met moderne bouwtechnieken — zoals gietijzer, staal en nieuwe baksteenformaten — binnen een bredere eclectische stedelijke architectuur. De stijl werd bijzonder populair voor openbare gebouwen, scholen, gemeentehuizen, postgebouwen en burgerhuizen, en kreeg zo ook een educatieve en administratieve dimensie: zij moest burgerlijke orde, stedelijke trots en nationale identiteit zichtbaar maken. In de periode van Leopold II werd zij een wezenlijk onderdeel van het visuele profiel van de hoofdstad. De neo-Vlaamse renaissancestijl is herkenbaar aan een uitgesproken verticale en plastische gevelcompositie, met een levendig spel van materialen, kleuren en ornamenten. Typische kenmerken zijn het gebruik van rode baksteen gecombineerd met witte of blauwe natuursteen (soms in speklagen), trapgevels, kruisvensters en geprofileerde kozijnen, cartouches, medaillons, frontons en wimpelvormige dakkapellen, evenals beeldhouwwerk met figuren, wapenschilden of allegorische motieven. Horizontale cordonbanden en verticale lisenen ritmeren de gevel, soms aangevuld met smeedijzeren balkons of loggia’s in natuursteen of hout. De stijl combineert constructieve rationaliteit met decoratieve exuberantie — een evenwicht dat haar bijzonder geschikt maakte voor stedelijke representatie., de zogenaamde Elizabethan style. Drie bouwlagen en drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder leien dak met dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Gevel in witsteen en baksteen. Zijtraveeën met getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. poort onder gestapelde trapezoïdale witstenen erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. die deels de kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). doorbreekt en daar functioneert als borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. voor achterliggend terras. Centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met op benedenverdieping gedenksteen aan eerste steenlegging en getraliede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. aan weerszijden van metalen kruis tegen zwarte achtergrond. Volgende bouwlagen in baksteen met witstenen drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere.; op borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van eerste verdieping 'HOLY TRINITY' tegen zwarte achtergrond en onder waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.. Kenmerkende afzatenAflopend bovenvlak van een dorpel.. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... bewaard.
![Kapitein Crespelstraat 29, [i]Church of the Holy Trinity[/i] (foto 2009).](/medias/500/buildings/10500570_0029_P02.jpg)
Church of the Holy Trinity
Hoog schip met links zijbeuk. Bakstenen gebouw met witstenen elementen; geveltop van schip bestaande uit polychroom en speels metselwerk. Hoofdgevel tussen zware steunberen die hoger overgaan in luchtboog met torenvormige bekroning en witstenen helm. Tussen steunberen ligt vooruitspringend volume onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. met links trappen naar dubbele toegang, centrale brede steunmuur en rechts muur met overwegend blindZonder opening; blind venster, schijnopening. maaswerk; erboven hoog spitsboogvenster met maaswerk. RozetRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. in zijbeuk.
![Kapitein Crespelstraat 29, [i]Church of the Holy Trinity[/i], zicht op het koor (foto 2009).](/medias/500/buildings/10500570_0029_P03.jpg)
Interieur
Bakstenen interieur met witstenen elementen, zijbeuk onder lessenaardak met open gebinte en schip onder houten tongewelf. Kruisvormige motieven van polychrome marmeren lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … worden herhaald in polychroom en speels metselwerk van het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel.. Tussen zijbeuk en schip spitse scheibogen op achtzijdige pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) en zwikkenHoekstuk tussen een boog en de omlijsting waarin de boog gevat is. met kruismedaillon. Zevenzijdig koor met rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. triomfboog en opvallende kraagstenen met colonetten.
Glas-in-loodramen
Zijbeuk met twee rozettenRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. met voorstelling van resp. symbolen van vier evangelisten en Christus, en vervolgens sobere glasramen met St. Andrew & St. Paul, St. Patrick & St. David, St. George & St. Nicholas en St. Luke.
Koor met voorstellingen van geboorte, doop, kruisiging, wederopstanding en hemelvaart van Christus door glazenier "B. Bardenhower, Vitraux d'Art, Bruxelles, 1898” en geschonken door families Batho en Morse.
Meest recente glasramen met Bijbelse citaten door glazenier Etienne Tribolet van 2005 (zijbeuk) en 2007 (schip), beiden geschonken door familie Anselot.
Meubilair
Fraaie neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). kansel.
Collon-orgel uit 1967.
Herdenkingsplaten
Herdenkingsteen aan Edith Cavell, directrice van de English Nursing Home and School for Nurses en parochiaan van deze kerk.
Herdenkingsteen aan gevallen parochianen tussen 1939 en 1945.
Bronnen
Archieven
GAE/DS 58-29.
GAE/DS 58-29.
Publicaties en studies
COX, R., Anglicans in Brussels, Brussel, 1999.



























