Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
school
Ontwerper(s)
Henri JACOBS – architect – 1906-1910
Stijlen
Art nouveau
Eclectisme
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016
id
Urban : 30895
Beschrijving
Voormalige
Normaalschool Emile André; sinds 1982 Athénée Emile André.
Schoolcomplex in eclectischePeriode: ca. 1840-1914.
Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit
verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen
historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt
zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de
grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850
ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot
dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en
rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor
eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl,
ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en
daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de
industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om
flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke
voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich
zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen,
fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het
eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van
Brussel (de Brusselse voorsteden).
In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt
gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de
middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een
religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit
voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance
symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die
manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te
weerspiegelen.
In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en
herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen
met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer,
keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor
te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel,
erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken,
zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken.
De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en
tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis:
een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het
burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs
ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap,
vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en
soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas).
De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt:
een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie
bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één
brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt
in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend
met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een
driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of
bow-windows.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de
stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele
straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert
in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade
of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van
een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd
door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen
dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde
stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel.
De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische
stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de
polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in
uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk,
uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en
stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door
elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk,
soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters
in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art
nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale
motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten
elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz.
Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de
Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog
lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden
verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren
uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen
gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als
laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische
woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen
geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of
regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met art nouveau-elementen naar ontwerp van
architect Henri Jacobs, 1906-1910.
Oorspronkelijk een normaalschool voor meisjes, gesticht door de Association pour l’Instruction et l’Education des Femmes in 1878, en aanvankelijk gevestigd in het oude visitandinen-, later het zwartzustersklooster, aan de Visitandinenstraat. Overgenomen door het Rijk in 1881, door de Stad Brussel in 1884 en vervolgens omgevormd tot normaalschool voor jongens.
Voorontwerpen door Henri Jacobs van 1900 voor een nieuw schoolgebouw op de oude locatie, van 1902 werd gewijzigd in 1905 voor het huidige complex. Definitieve plannen van 1906, bouw aanbesteed in 1907, aangevat in 1908 en ingehuldigd in 1910.
Markant geheel, gekenmerkt door een vrij klassiek gevelfront en een meer elegant art nouveau-interieur. Deel uitmakend van een belangrijke reeks schoolgebouwen door Henri Jacobs uit deze periode, in de Brusselse agglomeratie.
De plattegrond omvat een voorbouw met toegang en dienstlokalen, dwars erop een overdekte speelplaats, en aansluitend vleugels met klaslokalen en een turnzaal in dubbele U-vorm rond twee open speelplaatsen. Later uitgebreid met een nieuwbouw doorlopend tot aan de Blaesstraat, gepaard met inwendige verbouwingen.
Voorgevel met parementGevel- of muurbekleding. van wit- en hardsteen, met drie bouwlagen + entresol en drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Strenge ordonnantie, horizontaal geleed door de puilijst opgevat als een breed entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. met opschrift “ecole normale – normaalschool” in de friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…).. Verticaal gevelritme in de benedenbouw aangegeven door rechthoekige lisenenDecoratieve, uitspringende, verticale geleding, vaak met andere liseen verbonden door boog(fries)., in de bovenbouw door rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. vensternissen met kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., in de bredere en hoger oplopende centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) geaccentueerd door een booglijst met sluitsteenSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. voorzien van het wapen van de Stad Brussel. Rechthoekige vensteropeningen, uitgezonderd in de gevelbekroning, overwegend twee- en drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere., met rastereffekt in de middenas; bewerkte borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Eenvoudige inkom in de rechter traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Gevelbeëindiging door middel van een bewerkte kwartholle kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op hoekconsoles in de zijtraveeën, en een gestrekt centraal entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles..
Achtergevels van bak-, natuur- en hardsteen, met drie bouwlagen en gevelzijden van telkens zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Geaccentueerde middenpartijen in de noordelijke gevels met hardstenen korfbogenBoog samengesteld uit een aantal ineenvloeiende cirkelbogen die samen nagenoeg een liggende ellips vormen. en heden gedichte loggia’s of een skeletstructuur. Voorts eenvoudiger opstandenBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. met verticaliserende vensternissen, met decoratief geometrisch metselverband in de borstweringen en een geaccentueerde gevelbeëindiging met bogenfries, in de meest oostelijke vleugel met dakvensters. IJzeren art nouveauluifel en balustradeHekwerk van spijlen of balusters. op de westelijke, vrijstaande schoorsteen op de oostelijke speelplaats.
Interieur. Overwelfde vestibule met gedenkplaat van de inhuldiging in 1910. Markante overdekte speelplaats, met een verfijnde art nouveauvormgeving. Wijdse hal over twee bouwlagen, op rechthoekige plattegrond. Karakteristieke trogoverwelving, versierd met bloemenfriezen in stuc. Aan drie zijden omlopende galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden., met ijzeren skelet, sierlijk geajoureerdeOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. en een balustradeHekwerk van spijlen of balusters. met repeterend motief, op polychrome bakstenen troggewelfjes; bereikbaar via een ijzeren bordestrap met dezelfde kenmerken ten oosten. Wandritmering door korfboognissen, beglaasd aan de noord-ijde. Sgraffitopanelen met symbolische voorstellingen in de boogveldenEen vlak omsloten door de binnenbegrenzing van een boog en de horizontale lijn die de aanzetten verbindt; meestal boven muuropeningen en soms versierd (beeldhouwwerk, blinde traceringen, cementtegels, …). ; allegorie van de Stad Brussel op de westelijke wand. Fraaie luchters, en marmeren windroos in de bevloering.
Oorspronkelijk een normaalschool voor meisjes, gesticht door de Association pour l’Instruction et l’Education des Femmes in 1878, en aanvankelijk gevestigd in het oude visitandinen-, later het zwartzustersklooster, aan de Visitandinenstraat. Overgenomen door het Rijk in 1881, door de Stad Brussel in 1884 en vervolgens omgevormd tot normaalschool voor jongens.
Voorontwerpen door Henri Jacobs van 1900 voor een nieuw schoolgebouw op de oude locatie, van 1902 werd gewijzigd in 1905 voor het huidige complex. Definitieve plannen van 1906, bouw aanbesteed in 1907, aangevat in 1908 en ingehuldigd in 1910.
Markant geheel, gekenmerkt door een vrij klassiek gevelfront en een meer elegant art nouveau-interieur. Deel uitmakend van een belangrijke reeks schoolgebouwen door Henri Jacobs uit deze periode, in de Brusselse agglomeratie.
De plattegrond omvat een voorbouw met toegang en dienstlokalen, dwars erop een overdekte speelplaats, en aansluitend vleugels met klaslokalen en een turnzaal in dubbele U-vorm rond twee open speelplaatsen. Later uitgebreid met een nieuwbouw doorlopend tot aan de Blaesstraat, gepaard met inwendige verbouwingen.
Voorgevel met parementGevel- of muurbekleding. van wit- en hardsteen, met drie bouwlagen + entresol en drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Strenge ordonnantie, horizontaal geleed door de puilijst opgevat als een breed entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. met opschrift “ecole normale – normaalschool” in de friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…).. Verticaal gevelritme in de benedenbouw aangegeven door rechthoekige lisenenDecoratieve, uitspringende, verticale geleding, vaak met andere liseen verbonden door boog(fries)., in de bovenbouw door rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. vensternissen met kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., in de bredere en hoger oplopende centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) geaccentueerd door een booglijst met sluitsteenSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. voorzien van het wapen van de Stad Brussel. Rechthoekige vensteropeningen, uitgezonderd in de gevelbekroning, overwegend twee- en drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere., met rastereffekt in de middenas; bewerkte borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Eenvoudige inkom in de rechter traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Gevelbeëindiging door middel van een bewerkte kwartholle kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op hoekconsoles in de zijtraveeën, en een gestrekt centraal entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles..
Achtergevels van bak-, natuur- en hardsteen, met drie bouwlagen en gevelzijden van telkens zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Geaccentueerde middenpartijen in de noordelijke gevels met hardstenen korfbogenBoog samengesteld uit een aantal ineenvloeiende cirkelbogen die samen nagenoeg een liggende ellips vormen. en heden gedichte loggia’s of een skeletstructuur. Voorts eenvoudiger opstandenBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. met verticaliserende vensternissen, met decoratief geometrisch metselverband in de borstweringen en een geaccentueerde gevelbeëindiging met bogenfries, in de meest oostelijke vleugel met dakvensters. IJzeren art nouveauluifel en balustradeHekwerk van spijlen of balusters. op de westelijke, vrijstaande schoorsteen op de oostelijke speelplaats.
Interieur. Overwelfde vestibule met gedenkplaat van de inhuldiging in 1910. Markante overdekte speelplaats, met een verfijnde art nouveauvormgeving. Wijdse hal over twee bouwlagen, op rechthoekige plattegrond. Karakteristieke trogoverwelving, versierd met bloemenfriezen in stuc. Aan drie zijden omlopende galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden., met ijzeren skelet, sierlijk geajoureerdeOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. en een balustradeHekwerk van spijlen of balusters. met repeterend motief, op polychrome bakstenen troggewelfjes; bereikbaar via een ijzeren bordestrap met dezelfde kenmerken ten oosten. Wandritmering door korfboognissen, beglaasd aan de noord-ijde. Sgraffitopanelen met symbolische voorstellingen in de boogveldenEen vlak omsloten door de binnenbegrenzing van een boog en de horizontale lijn die de aanzetten verbindt; meestal boven muuropeningen en soms versierd (beeldhouwwerk, blinde traceringen, cementtegels, …). ; allegorie van de Stad Brussel op de westelijke wand. Fraaie luchters, en marmeren windroos in de bevloering.
Bronnen
Archieven
SAB/OW 5917-5921, 6110-6123 en 19426- 19427 (1900-1910); AA, 1907, rep. 6777, 1909, rep. 7528 en 7329; NPP, P 3.
Publicaties en studies
Cinquantième anniversaire de l’Ecole Normale Emile André, Brussel, 1930.
Fondation Roi Baudouin, La mémoire des pierres, Découvrez l’architecture scolaire à Bruxelles, Bruxelles, 1989, pp. XI et 128-130.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid



















