Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
Ontwerper(s)
Gustave STRAUVEN – architect – 1900
Stijlen
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Brussel Uitbreiding Oost (Apeb - 2006-2009)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Huis in art nouveauPeriode: 1890 – 1914
De art
nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en
1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de
academische kunst van de 19e eeuw nastreeft.
In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis
Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar
(1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie
opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er
daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens
de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op
de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover
plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het
gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen
komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met
vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen
en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt
toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen,
sociale woningen en handelszaken.
Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en
welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit
uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen
minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking
van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot
een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid
met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien
door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen,
mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt
de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij
vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming
uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek
ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters., n.o.v. architect Gustave Strauven, 1900.
Signatuur op sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel..
Vier bouwlagen en twee ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Gevel in beige baksteen met banden van verschillende hoogte in rode baksteen, kunstig bewerkte elementen in hardsteen en smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… elementen in zweepslagstijl die metalen netwerk omsluiten. SokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. in hardsteen met pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met gebuikteMet een buik staand; welvend oppervlak dat een ongelijkmatige boogwerking vertoont. basis en breuksteenMetselwerk bestaande uit brokken onregelmatige natuursteen.. Gevel geritmeerd door dunne pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., eindigend in pinakelSlanke beëindiging in de vorm van een gotisch torentje. met bekroning in gesculpteerde steen. Meeste muuropeningen onder I-balkIJzeren latei met I-profiel. of steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster..
In toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. koetspoort onder lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. op hoge uitgesnedenVerdiept aanbrengen, beitelen,… kussenblokken1. Dekplaat dat ligt tussen de drager (kapiteel) en het gedragene (balk of boog); 2. Kwartronde kraagsteen van een venster- of deurboog.. Verdiepingen inspringend; in tweede en derde bouwlaag loggiaOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw., in vierde bouwlaag terras. In tweede bouwlaag boogfriesvormige borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met stenen balustersVaasvormige spijl van een borstwering. en metalen hekwerk. In derde bouwlaag opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. stenen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. aangevuld met ijzerwerkVerzameling van alle metalen elementen van een gebouw.; muuropening zonder schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... bekroond met houten bovenlichtstructuur met gebogen dwarsregelEen dwarsregel deelt het kozijn van een deur of raam horizontaal op. en met houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.. Hoogste verdieping in attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. met metalen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust..
Hoofdtravee aan straatzijde met drie symmetrische muuropeningen: groot vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. boven getralied souterrainvenster, geflankeerd door een ander vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. en door toegangsdeur. DrielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. op verdiepingen. Laatstgenoemde asymmetrisch inspringend ten opzichte van rooilijn. Gezien het perceel niet perfect rechthoekig was, liet deze constructie toe om de leefruimten een rechthoekige vorm te geven. In tweede bouwlaag ontstaat door insprong een terras, doorlopend in balkon op vier consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.. GlasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. van drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met metalen tussendorpelStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt. onder bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met geprofileerde stijl. In derde bouwlaag gewelfd balkon op drie consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. waarvan centrale in metaal, rustend op stijl van onderliggend vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. Centrale glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. onder voorstevenvormige lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt.. Metalen consoleVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. via metalen element dat doet denken aan een mast van een boot, verbonden met balkon van hoogste bouwlaag, dat dezelfde vorm heeft als balkon van derde bouwlaag. Vierde bouwlaag in vorm van afgeknotte topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. met aandaken eindigend in zweepslaglijn. Centraal vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. van drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met stenen stijl en metalen tussendorpelStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt.. TopgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. bekroond met opmerkelijke kleine houten loggiaOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw., met indrukwekkende voorstevenvormige kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op kunstig bewerkte consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.; borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. in ijzerwerkVerzameling van alle metalen elementen van een gebouw. en opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. steen, doorlopend in pijler1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…). Deze loggiaOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw. moest oorspronkelijk bekroond worden met een koepelBolvormig gewelf op cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige basis. en pironUitstekende versiering op de nok van een dak in de vorm van een decoratieve metalen, terracotta of houten bol of stang (makelaar)..
Bewaard schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd.. Poort met opmerkelijk kunstig bewerkte vleugels en smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… elementen.
Voor het interieur ontwierp Strauven een bijzonder grondplan. Het polygonaleRegelmatige veelhoek. trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. bevindt zich in de hoofdtraveeBredere en rijker uitgewerkte travee, meestal van een huis met asymmetrische compositie; vaak in risaliet en onder bekronende topgevel. tussen twee leefruimten. Het is vanaf de inkomdeur toegankelijk via een gang en geeft tevens uit op de doorgang. Oorspronkelijk zou het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. eindigen op de eerste verdieping onder een bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden.; de hogere verdiepingen zouden dan via een eenvoudige rechte trap in de toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. toegankelijk zijn. Uiteindelijk werd de polygonaleRegelmatige veelhoek. trap doorgetrokken tot de hoogste verdieping. Oorspronkelijk leidde de doorgang naar een grote vierkante binnenplaats, die ter hoogte van het dak overdekt was met een structuur onder daklantaarn; ter hoogte van de eerste verdieping bevond zich hier een trap en een galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. die allebei toegang gaven tot een grote achterbouw met drie bouwlagen. Dit gebouw, dat wellicht ook door Strauven werd ontworpen, fungeerde als magazijn. Aan de binnenplaats en het magazijn grensde rechts een stal en een open binnenplaats.
In het SAB bevindt zich een eerste ontwerp dat Strauven in 1899 tekende. Het heeft een meer traditionelePeriode: 17e-18e eeuw
In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze
tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat.
Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met
kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint,
kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een
assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken
onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel
(rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede
planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met
centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde
dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder,
gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf,
dat haaks op de straat is georiënteerd.
Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk
voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de
smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een
diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende
delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide
volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een
zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met
hoge dichtheid of langs invalswegen.
De gevel blijft trouw aan de
middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw
opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze,
zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop
van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale
varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen,
voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant
toegepast vanaf de jaren 1730–1740. gevel van twee bouwlagen. In de toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. is een brede toegangsdeur voorzien, die uitgeeft op een trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. dat in haar verlengde ligt. De hoofdtraveeBredere en rijker uitgewerkte travee, meestal van een huis met asymmetrische compositie; vaak in risaliet en onder bekronende topgevel. is hier al wel inspringend. Het ontwerp voorziet een verhoogde benedenverdieping en is bekroond met een eenvoudige topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. met dakvensterUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is., vergelijkbaar met de gevel die de architect ontwierp voor de Saint-Quentinstraat nr. 32 (zie dit nr.).
In de loop van de tijd onderging het geheel talrijke wijzigingen. De stal werd in 1931 verbouwd tot kantoor en de open binnenplaats werd vijf jaar later overdekt. In 1983, toen er dringende restauratiewerken moesten plaatsvinden, schreef Batibouw een wedstrijd uit voor de renovatie. Deze werd gewonnen door de toen nog jonge architect Michel Poulain, die het interieur grondig verbouwde. De achtergevel werd verbouwd in postmodernistischePeriode: ca. 1975 – 2000
Het postmodernisme zet zich af tegen de modernistische en functionalistische
soberheid. Het ornament wordt opnieuw in ere hersteld als drager van betekenis.
Het postmodernisme tracht de abstracte functionele architectuur een menselijk
gezicht en karakter te geven en wil een zekere vertrouwdheid tot stand brengen,
soms dankzij een referentie naar historische architectuur. De formele elementen
uit het verleden (classicisme, art deco, Wiener Secession enz.) worden op een
hedendaagse manier geherinterpreteerd, vaak met een toets ironie of humor
(bijvoorbeeld door overdrijving): frontons, bogen, kolommen, pilasters,
torentjes,… Voor prestigearchitectuur wordt opnieuw naar natuurlijke materialen
zoals steen en marmer gegrepen, die dan met glas (spiegelglas) en roestvrij
staal worden gecombineerd. In projecten met een beperkter budget zijn de
gebruikte materialen minder luxueus (betonblokken, gekleurd metaal).
In Brussel is postmodernisme terug te vinden zowel in bedrijfsarchitectuur (flagship
buildings) als in openbare gebouwen (scholen, crèches, overheidsgebouwen)
of in winkelcentra … stijl, het magazijn werd vervangen door een klein gebouw in dezelfde stijl en de overdekte binnenplaats werd afgeschaft. De werken waren klaar in 1989.
Beschermd op 08.08.1988.
Bronnen
Archieven
SAB/OW 25399 (1899-1900), 38289 (1931), 46413 (1936).
Architecture Archive – Sint-Lukasarchief.
Publicaties en studies
BORSI, F., WIESER, H., Bruxelles capitale de l'Art Nouveau, coll. Europe 1900, Franse vertaling J.-M. Van der Meerschen, Marc Vokaer éd., Brussel, 1992, pp. 145-147, 150-151.
Bruxelles, Monuments et Sites classés, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Dienst Monumenten en Landschappen, Brussel, 1994, p. 152.
DE PANGE, I., SCHAACK, C., 400 façades étonnantes à Bruxelles, Aparté, Brussel, 2003, p. 210.
DIERKENS-AUBRY, F., VANDENBREEDEN, J., Art nouveau en Belgique. Architecture et Intérieurs, Racine, Brussel, 1991, pp. 76-78.
LOZE, P. en F., Belgique Art Nouveau. De Victor Horta à Antoine Pompe, Eiffel Éditions, Brussel, 1991, pp. 135-138.
MEERS, L., Promenades Art Nouveau à Bruxelles, Racine, Brussel, 1996, pp. 130-131.
VANDENBREEDEN, J., VAN SANTVOORT, L., DE THAILLE, P., et al., Encyclopédie de l'Art nouveau. Tome premier. Le quartier Nord-Est à Bruxelles, CIDEP, Brussel, 1999, pp. 149-151.
Tijdschriften
LEHÉ, I., ‘Gustave Strauven', Maisons d'Hier et d'Aujourd'hui, 57, 1983, pp. 24-35.
Websites
Brussel, stad van architecten - Gustave Strauven
Opmerkelijke bomen in de nabijheid































