Typologie(ën)

maalderij
villa

Ontwerper(s)

BOGDAN & VAN BROECKarchitectenbureau2016

INCONNU - ONBEKEND1903

S. RAEMDONCKarchitect1907

Henri WILDENBLANCKarchitect1922

Max MANFROIDarchitect1940-1956

Juridisch statuut

Ingeschreven op de bewaarlijst sinds 22 mei 1997

Stijlen

Eclectisme
Neoromaans

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2019

id

Urban : 37327
lees meer

Beschrijving

Oude industrieel maalderijcomplex, ontworpen in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met invloed van de romaanse11de eeuw – 13e eeuw. De Romaanse architectuur ontstond in een periode van relatieve politieke stabiliteit na de invasies en onrusten van de vroege middeleeuwen. Ze ontwikkelde zich tegelijkertijd in Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje, van waaruit ze zich over heel Europa verspreidde. De stijl putte inspiratie uit de Karolingische en Ottomaanse architectuur, die op hun beurt hun vormentaal baseerden op Romeinse en Byzantijnse voorbeelden. De Romaanse stijl kan beschouwd worden als de eerste grote kunststijl van het middeleeuwse Europa. Haar opkomst en verspreiding waren het resultaat van intensieve culturele uitwisselingen en religieuze dynamiek, met name vanuit het kloosterleven en de pelgrimsroutes. Ze werd vooral toegepast op religieuze architectuur, zoals kathedralen, kerken en kloosters. Kenmerkend voor Romaanse cultusgebouwen zijn massieve stenen muren met kleine rondboogvormige muuropeningen en rijkelijk gedecoreerde muurschilderingen. Decoratieve elementen maken veelvuldig gebruik van rondbogen, terugkerend in portalen, friezen, nissen en lisenen. Overdekking gebeurt doorgaans met een vlak houten gewelf, en minder vaak met stenen ton-, kruis- of koepelgewelven. Het grondplan is meestal een Latijns kruis met zijbeuken, en onder het koor bevindt zich vaak een crypte, bedoeld als begraafplaats of voor de bewaring van relieken. In Brussel zijn nauwelijks Romaanse kerken in hun oorspronkelijke toestand bewaard gebleven. De meeste cultusgebouwen zijn door de eeuwen heen vergroot, gemoderniseerd of gerestaureerd, waardoor vandaag slechts fragmentarische delen van deze eerste, historische fase van de bouwgeschiedenis zichtbaar zijn. stijl in 1903 en tot bedrijvencentrum herbestemd in 2016.

Geschiedenis

Begin jaren 1900 besliste Léon Moulart zijn maalderij, toen gelegen aan de Barastraat, te verhuizen naar de quai du Halage, de toekomstige Fernand Demetskaai. Het uitgestrekte perceel dat hij daarvoor uitkoos, bood mogelijkheden tot expansie en had een rechtstreekse verbinding met het Kanaal van Charleroi en de ringspoorlijn, die er aan westelijke zijde langs liep. In december 1902 diende de industrieel een bouwaanvraag in voor een huis in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl van twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) inspringend t.o.v. de kaai. In maart 1903 liet hij links ervan een stalling van twee bouwlagen aanbouwen. In april diende de industrieel de plannen in voor en nieuwe meelfabriek, die in december van datzelfde jaar door de Gemeente werden goedgekeurd. Het complex, dat links van de woning lag, omvatte een gebouw aan de kant van het kanaal van tien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en vijf bouwlagen onder plat dak, gebruikt als molen links en voor de reiniging rechts. Tegen de achtergevel werd een machinezaalIn een ruimte onderaan of bovenaan de installatie, een samenstel van aandrijf- en besturingsapparatuur van de lift.  onder een platform met daklicht aangebouwd. Achteraan, tegen de rechterzijgevel van het gebouw aan de kaai en ermee verbonden door een loopbrug en een overdekte doorgang, een tweede gebouw, even hoog maar minder breed, onder een plat dak met vooraan in het midden een klein volume onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. met tarwesilo’s en een groot magazijn. Links ertegenaan zijn een stookketel met schoorsteen geplaatst. Tot slot werd tegen de linker gemeenschappelijke muur van het eigendom een stalling met tien boxen gebouwd.

In juli 1907 ontwierp architect S. Raemdonck de plannen voor een uitbreiding met de volledige verbouwing van de woning en haar stalling. Het geheel vormde van dan af een imposante villa in pittoreskePeriode: ca. 1850-1930.De pittoreske architectuur ontstaat in Engeland in de context van de romantische beweging en laat zich vaak inspireren door verschillende historische stijlen die gecombineerd worden.Pittoreske architectuur verwijst naar een manier van ontwerpen waarbij in de eerste plaats naar een gevarieerde, verrassende en evocatieve visuele indruk wordt gestreefd. In plaats van strikte regels van symmetrie of compositie te volgen, geeft de stijl de voorkeur aan vrijheid, vormenspel en verscheidenheid van materialen om zo een levendige, bijna verhalende aanblik te creëren.In België doet de tendens zijn intrede bij het begin van de 20e eeuw - in het verlengde van de art nouveau - onder diverse streektypische invloeden, voornamelijk Anglo?Normandische of alpiene vormtalen. De stijl komt voor in parken, kuststeden, kuuroorden en in de stadsrand van grote steden (vakantievilla’s). Het gebouw en zijn tuin (of soms park) worden opgevat als een samenhangend geheel dat een schilderij vormt, een enscenering die de toeschouwer moet verrassen. De term “cottagestijl” wordt eveneens gebruikt, vooral in landelijke context, om bouwwerken aan te duiden die de nadruk leggen op het gebruik van traditionele materialen en technieken, naar het voorbeeld van de cottages in Engelse dorpen.In het Brussels Gewest komt de pittoreske tendens tot uiting in villa’s die vaak zijn ontworpen naar het voorbeeld van kleine landhuizen, een type dat kenmerkend is voor vele welgestelde buitenwijken en verkavelingen in België. Verder fungeert de stijl ook als inspiratiebron voor burgerhuizen in eclectische of laateclectische stijl, vaak in wijken met een zekere landschappelijke waarde (aan een park, pleintje, rond een vijver of eenvoudigweg een straat met bomenrijen of niet-bebouwde stroken die zijn ingericht als tuintjes).De karakteristieke elementen zijn de asymmetrie en de variatie aan vormen (torentje, dakkapel, erker, topgevel(s), imposante daken met meerdere vlakken en/of schilddaken of wolfdaken enz.), de materiaalvariatie (uiteenlopende kleuren en texturen), een overvloedige decoratie (smeedijzerwerk, schrijnwerk, glasramen, breuksteen, houten borstweringen, (imitatie) vakwerk, kroonlijst met lambrekijn enz.), een sterke relatie met het landschap, de tuin of de straat (onder meer door overgangsruimtes tussen binnen en buiten: uitspringende volumes, luifel, portaal, veranda) én een grote vrijheid in de compositie, zowel wat betreft de gevel als de plattegrond. stijl, met vooraan de kantoren van de maalderij. Na deze datum en vóór 1912 werd het achtergebouw voorzien van een zolderRuimte onder het dak. gevormd door drie zadeldakenDak met twee hellende dakvlakken. haaks op de straat.

Vanaf de jaren 1920 diversifieerde het bedrijf van Léon Moulart door de oprichting van verschillende afdelingen die door zijn kinderen en kleinkinderen werden beheerd: hoedenhandel, veevoederproductie, de verkoop van steenkool, machines en werktuigen en, later, suikerwaren en drukwerk. Naast de hoedenfabriek, die op de aanpalende site van een oude brouwerij werd opgericht, vestigden zich nog andere afdelingen op het eigendom, dat zich achteraan uitstrekte tot aan de Birminghamstraat (nr. 222).

In augustus 1922 stelde architect Henri Wildenblanck plannen op voor een conciërgewoning met omheiningsmuur, rechts van het voorste gebouw van de maalderij. In de muur waren twee inrijpoorten ingewerkt, met daartussen de conciërgewoning van één vertrek diep en met twee bouwlagen onder trapezoïdale geveltop. Controlelokaal aan de rechter ingang. Rechts daarvan, tegen de schuine gemeenschappelijke muur van het eigendom, bevond zich een kolenmagazijn. In 1933 bouwde Antoine Courtens, een van de schoonzoons van Léon Moulart, vóór het voorste gebouw een omheining met een onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. in breuksteenMetselwerk bestaande uit brokken onregelmatige natuursteen., bakstenen pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) en smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… traliewerk (thans verdwenen).

In 1940 ontwierp technisch bureau Max Manfroid een magazijn aan de achterzijde van het terrein, tegen de linker gemeenschappelijke muur, bestemd voor de afdeling Voedingsmiddelen. Twee jaar later ontwierp Antoine Courtens voor diezelfde afdeling een refter aan de achterzijde van het terrein, waarvoor echter geen vergunning werd afgeleverd. Nog in 1942 werkte dezelfde architect de plannen uit voor een vergroting van de stalling van de maalderij. In 1948 tekende hij voor de afdeling Voedingsmiddelen een tweede magazijn tegenover het magazijn, maar de uitvoering gebeurde niet conform de plannen. In 1958 stopte de maalderij haar activiteiten ten gunste van de afdeling Voedingsmiddelen, die de afdeling Veevoeders was geworden. In datzelfde jaar werd de machinezaalIn een ruimte onderaan of bovenaan de installatie, een samenstel van aandrijf- en besturingsapparatuur van de lift.  verbouwd en tegen de achtergevel van het voorste gebouw werden vanaf 1956 nieuwe silo’s in gewapend beton opgetrokken (ingenieur-architect Max Manfroid). De stookketel en zijn schoorsteen werden verwijderd.

In 1980 werden de villa en de conciërgewoning door de maatschappij Intercom gesloopt en vervangen door een gebouw met relaiszalen (n.o.v. architect Marcel Thibou). Blijven vandaag nog over: een deel van de gevel van de conciërgewoning, die een omheiningsmuur vormt, en de gevel van het kolenmagazijn. In 1988 werden de diverse gebouwen van de maalderij verkocht. Van het hoofdgebouw, dat een opslagplaats voor banden was geworden, werden de lagere bouwlagen met planken bekleed en werd de laatste verdieping gecementeerdMet portlandcement bestrijken.. Aan de kant van de kaai werden inrijpoorten gebouwd. Op 22.05.1997 werden de gevels en de bedaking van de voormalige maalderij als monument op de bewaarlijst ingeschreven. Het complex werd door een publieke coöperatieve gekocht en werd volledig gerenoveerd en herbestemd tot een bedrijvencentrum (architectuurbureau Bogdan & Van Broeck), dat op 03.10.2016 werd ingehuldigd.

Beschrijving

Twee evenwijdige gebouwen van vijf bouwlagen, met gevels in baksteen met elementen in hardsteen. De voorgevel en de rechterzijgevel van het voorste gebouw en de rechterzijgevel van het achterste gebouw worden gemarkeerd door kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. die op het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. door een boogfriesReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen. worden verbonden.
Oorspronkelijk, raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met stalen kader en ijzeren roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. met centrale openslaande vleugel; het bewaarde raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn., waarvan de beglazing is verdwenen, is versterkt met intern raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn..

Het voorste gebouw heeft tien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in de breedte en twee in de diepte. De eerste bouwlaag, die als onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. dienstdoet, is aan de kant van de kaai behandeld in breuksteenMetselwerk bestaande uit brokken onregelmatige natuursteen. van hardsteen. Op de laatste drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) bevindt zich een wat dieper gebouw onder een attiekmuurtje dat de bekroning van een hoektoren evoceert. Deuren aan de straatkant en cementbezetting van de laatste bouwlaag van latere datum. Oorspronkelijk, voetgangersingang op de eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Met een kraan op de voorlaatste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) werd de steenkool vanaf de aken naar binnen gebracht via een loopbrug en het vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. van de eerste verdieping. Tijdens de renovatie werd het dak verhoogd met een beglaasd volume gebruikt als cafetaria, auditorium en vergaderzalen, met een buitentuin en panoramisch terras.

Het achterste gebouw had oorspronkelijk zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op de voorgevel, drie op de rechterzijgevel en vier smallere op de linkerzijgevel, geflankeerd door kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Die laatste gevel, waarachter zich oorspronkelijk de silo bevond, had vroeger slechts venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de laatste verdieping. De achtergevel was oorspronkelijk blindZonder opening; blind venster, schijnopening.. De muuropeningen van de derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van de rechterzijgevel werden op latere datum tot deur verbouwd. ZadeldakenDak met twee hellende dakvlakken. geplaatst na 1907, het centrale met een platte top. Vooraan en achteraan, topgevelsHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. met respectievelijk zaagtanden en rechte aandaken, elk opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. dat vroeger werd bekroond door een fijne verluchtingsopening vooraan en een oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. achteraan. De geveltoppen zijn in lichter gekleurde baksteen herwerkt.

De oorspronkelijke loopbrug en de overdekte doorgang tussen de twee gebouwen werden in de loop der jaren verbouwd. Op deze plaats bevindt zich nu een beglaasde “circulatiesilo” met nieuwe loopbruggen, een nieuw trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. en nieuwe liften. Op de binnenplaats, op de plaats van een oude silo uit 1958, is een onthaalruimte onder trapdak ingericht.

Binnen zijn de ruimten onbewerkt gebleven en zijn enkele industriële elementen bewaard, waaronder een luiwerk in het achterste gebouw.


Bronnen

Archieven
GAA/DS 9674 (04.12.1903), 9869 (29.04.1904), 11623 (21.01.1908), 17284 (18.08.1922), 17927
 (12.1924), 26001 (14.11.1933), 31158 (17.12.1940), 31564 (08.12.1942), 31604 (07.05.1943), 32620 (14.08.1947), 33215 (09.11.1948), 35849 (17.03.1953), 33982bis (s. d.), 38187 (12.03.1957), 39082-39083 (16.12.1958), 45433 (29.01.1980). 

Publicaties en studies
ANDERLECHT MOULART, BOGDAN & VAN BROECK ARCHITECTS, R. VAN MOLKOT, H. HARRYSSON, NEY & PARTNERS, CES, ATS, REYVECO, Port-Sud. 
Espace pour PMEs et centre d’interprétation. Dossier Monuments et Sites, 2012. 
ANDERLECHT MOULART, BOGDAN & VAN BROECK ARCHITECTS, R. VAN MOLKOT, H. HARRYSSON, NEY & PARTNERS, CES, ATS, REYVECO, Port-Sud. Espace pour PMEs et centre d’interprétation. Rapport d’incidences, 2013. 
CULOT, M. [red.], Anderlecht 2. Inventaire visuel de l’architecture industrielle à Bruxelles, AAM, Brussel, 1980, fiche 165. 
Huberty, C., Soares, P.V., De Brusselse kanalen, Brussel Stad van Kunst en Geschiedenis, 25, Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 1998, pp. 13-14.
VANDERHULST, G., La Meunerie Moulart à Anderlecht, s. d. 

Kaarten / plannen
DIENST OPENBARE WERKEN, Plan général de la commune d’Anderlecht, 1912.