Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
kantoorgebouw
gelijkvloers met handelszaak
Ontwerper(s)
François KIELBAEY – architect – 1911
M. PRADIER – architect – 1929
J. DEPREZ – architect – 1929
CORDEMANS – architect – 1997-1998
FRESON – architect – 1997-1998
Stijlen
Inventaris(sen)
- Het monumentale erfgoed van België. Anderlecht-Kuregem (Archistory - 2017-2019)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Geschiedenis
In 1911 ontwierp architect Kielbaey een gebouw met op de begane grond een warenhuis op de hoek en een tweede aan de laan, op de voorlaatste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) gevolgd door de kantoren van de verzekeringsmaatschappij – één ruimte vooraan, een andere achteraan. De verdiepingen bevatten elk twee appartementen, toegankelijk via trappenhuizenGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. op de eerste en de laatste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...).
In 1929 gaf de maatschappij de Parijse architecten M. Pradier en J. Deprez opdracht een tweede verdieping te bouwen op een achtergebouw in de as van de ingang aan de laan. Deze verdieping werd voorzien van een bol dak van beton en glastegels, rustend op een tamboerTrommel; ringvormige of polygonale onderbouw waarop een koepel rust. met venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. In 1930 belastte verzekeringsmaatschappij Constantia, waarvan de kantoren de gehele benedenverdieping en ook de eerste verdieping innamen, de Mechelse architect J.Dewitte met interne verbouwingen: de bouw van een erevestibule (vestibule d’honneur) op de hoek, de wijziging van tussenwanden en de overkapping van de achterliggende binnenplaats om een grote hal (grand hall) te scheppen, onder vier gewelven van hetzelfde type als dat uit 1929 – in gewapend cement volgens het systeem P. Dindeleux (Parijs) – rustend op een centrale zuilCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.. Uiteindelijk was het één zeshoekig gewelf dat werd uitgevoerd, waarvan de glastegels werden geleverd door de Cristalleries du Val Saint-Lambert. Wellicht meteen na deze verbouwing werden de bakstenen en hardstenen gevels van het gebouw volledig bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen.; de balkons werden verwijderd en de etalages op de benedenverdieping werden omgevormd tot venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. die de kantoren verlichtten, versierd met traliewerk met invloed van de Beaux-ArtsstijlPeriode: 1905-1930 De Beaux-Artsarchitectuur is een academische en internationale bouwstijl waarvan de belangrijkste uitgangspunten voortkomen uit de zeer invloedrijke École des Beaux-Arts in Parijs, opgericht in de 19e eeuw. In Brussel ontwikkelt de stijl zich vanaf 1905 en sluit hij aan bij het eclecticisme en bij de tendens om terug te grijpen naar de grote Franse Louis-stijlen van de 18e eeuw – classicerend barok (Lodewijk XIV), rococo (Lodewijk XV) en neoclassicisme (Lodewijk XVI) – onder invloed van de wereldtentoonstelling van Parijs in 1900. De voorkeur voor het Franse academisme ontwikkelt zich in Brussel aanvankelijk via belangrijke realisaties die koning Leopold II toevertrouwt aan architect Charles Girault, die hij in Parijs ontmoet tijdens de wereldtentoonstelling. Voorbeelden zijn de uitbreidingen van het Paleis van Laken, de bouw van het Museum van Tervuren, de arcade van het Jubelpark en de gaanderij-promenade op de dijk van Oostende. Daarna komt deze hernieuwde belangstelling voor de grote Franse stijlen ook tot uiting in talrijke Brusselse woonwijken. De Beaux-Artsstijl komt vooral tot zijn recht in herenhuizen, burgerwoningen, luxueuze appartementsgebouwen, maar ook – en vooral – in prestigieuze semipublieke gebouwen (hotels, banken, bedrijfszetels), waaraan de stijl een respectabele en vertrouwenwekkende uitstraling verleent. Kenmerkend zijn gevels in (imitatie) witsteen en/of rode of oranjekleurige baksteen, versierd met elementen ontleend aan de Franse stijlen van de 18e eeuw, zoals guirlandes, mascarons alsook smeedijzeren borstweringen en deuren. De architectuur onderscheidt zich door een monumentale uitstraling, gerealiseerd door het intensieve gebruik van Franse natuursteen en door het benadrukken van hoek- en inkomtraveeën, die vaak worden uitgewerkt als een rotonde met koepel. Ook de plattegrond evolueert. De traditionele indeling met drie opeenvolgende vertrekken, kenmerkend voor woningen uit de 19e en het begin van de 20e eeuw, wordt aangepast om meer daglicht binnen te trekken. Dat gebeurt onder meer door het gebruik van daklichten, relatief lage plafonds en een flexibelere circulatie binnen het huis. en de art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”)..
In 1956 voerden de architecten André en Jean Polak voor dezelfde maatschappij diverse verbouwingen uit: de zijingangen werden gewijzigd, tussenwanden werden verwijderd op de verdiepingen, die vanaf dan allemaal door de maatschappij werden ingenomen, en sanitaire ruimten werden ingericht in het achtergebouw en op de hogere verdiepingen. De grote hal (grand hall) achteraan werd de archiefkamer. Het gebouw werd door de Algemene Centrale der Liberale Vakverbonden van België gekocht en in 1997-1998 gerenoveerd. De gevel kreeg op de hoek een postmodernPeriode: ca. 1975 – 2000 Het postmodernisme zet zich af tegen de modernistische en functionalistische soberheid. Het ornament wordt opnieuw in ere hersteld als drager van betekenis. Het postmodernisme tracht de abstracte functionele architectuur een menselijk gezicht en karakter te geven en wil een zekere vertrouwdheid tot stand brengen, soms dankzij een referentie naar historische architectuur. De formele elementen uit het verleden (classicisme, art deco, Wiener Secession enz.) worden op een hedendaagse manier geherinterpreteerd, vaak met een toets ironie of humor (bijvoorbeeld door overdrijving): frontons, bogen, kolommen, pilasters, torentjes,… Voor prestigearchitectuur wordt opnieuw naar natuurlijke materialen zoals steen en marmer gegrepen, die dan met glas (spiegelglas) en roestvrij staal worden gecombineerd. In projecten met een beperkter budget zijn de gebruikte materialen minder luxueus (betonblokken, gekleurd metaal). In Brussel is postmodernisme terug te vinden zowel in bedrijfsarchitectuur (flagship buildings) als in openbare gebouwen (scholen, crèches, overheidsgebouwen) of in winkelcentra … uitzicht, en de zaal achteraan, die tot vergaderzaal was omgebouwd, werd gerenoveerd en de koepelBolvormig gewelf op cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige basis. werd opnieuw vrijgemaakt (n.o.v. architecten Cordemans en Freson).
Beschrijving
Gebouw van vier bouwlagen onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de square en zes aan de laan, verbonden door een hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw.. Traveeën geflankeerd door kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. op de verdiepingen. Benedenverdieping met verdiepte schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren. en getraliede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.; beglaasde smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… deuren op de eerste en laatste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), evenals op de hoek; traliewerk met initiaal “C”. Op de eerste twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), inrijpoort en etalage omgebouwd tot respectievelijk een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. en de toegangsdeur, wellicht in 1930. In 1956, omkering van toegangsdeur en vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. De hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw. mondt uit in een dakvensterUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. met twee monelenStenen vensterstijl., onder een tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak. met een kleine koepelBolvormig gewelf op cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige basis. waarvan de makelaarUitstekende versiering op de nok van een dak in de vorm van een decoratieve metalen, terracotta of houten bol of stang (makelaar). thans is verdwenen. Oorspronkelijke houten dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met vleugelstukkenZijstuk, veelal in voluutvorm, van een topgevel, dakkapel of dakvenster. (en, oorspronkelijk, onder boogvormig fronton) en oorspronkelijke oeils-de-boeufKleine ronde, ovale of achthoekige dakkapel; meestal in zink..
Interieur. Inkomvestibule op de hoek, oorspronkelijk zeshoekig, thans verbouwd. Toegankelijk via twee grote beglaasde metalen deuren met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… art-decomotieven, achterzaal bekroond door een koepelBolvormig gewelf op cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige basis. die tot op 6,20 meter boven vloerniveau verrees. De ronde kleurloze, gele, oranje, hemelsblauwe en kobaltblauwe tegels vormen geometrische motieven. Tamboer met gestucteModelleerbare, snel hardende massa van gips, kalk en zand; in gepolijste vorm ter vervanging van marmer. friezenHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). en opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met fijne verluchtingsramen. Muren van de zaal op een sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. van met zwart geaderd wit marmer en versierd met geprofileerde panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting., onder een friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). met waaiermotieven van lauriertakken, bloemen en vruchten.
Bronnen
Archieven
GAA/DS 13122 (26.09.1911), 22341 (21.11.1929), 22597 (04.04.1930), 37894 (02.10.1956), 47803 (03.06.1997).
Publicaties en studies
SCHOONBROODT, B., Anderlecht, verz. Guide des communes de Bruxelles, CFC-Editions, 1998, pp. 87-89.
SCHOONBROODT, B., Anderlecht. Les Chemins du Patrimoine, Cultureel Centrum van Anderlecht, s.d., pp. 69-71.
Tijdschriften
Almanach du Commerce et de l’Industrie, “Poincaré (boulev.)”, 1929, 1930.
SCHOONBROODT, B., “La redécouverte d’une coupole hexagonale en béton translucide à Anderlecht”, Les Nouvelles du Patrimoine, 77, september 1998, pp. 21-22.
SCHOONBROODT, B., “Lichtdoorlatend gewapend beton (1886-1958). De utopie van het glazen huis”, Erfgoed Brussel, 30, april 2019, p. 55.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid



























