Typologie(ën)

cinema/bioscoop
filminfrastructuur
werkplaats (ambachtelijk)

Ontwerper(s)

Léon SMETSarchitect1912

Théodore MENTIONarchitect1924

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Neoclassicisme

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2016, 2019

id

Urban : 36392
lees meer

Beschrijving

Voormalige bioscoopzaal met neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. inslag, in 1912 ontworpen en verbouwd tot werkplaats in 1923.

Geschiedenis

Het gebouw, gelegen langs de thans drooggelegde bedding van de Kleine Zenne, verving de dierenstallen van G. Prick, die tussen 1909 en 1914 in de Almanachs du Commerce worden vermeld op nr. 21 van de straat. In 1912 liet Arthur Prick door architect Léon Smets een eerste plan opstellen voor de vervanging van de stallen door een spektakelzaal, een plan dat niet werd uitgevoerd. Het was een tweede, niet ondertekend plan uit datzelfde jaar dat zou worden uitgevoerd. De zaal wordt vermeld als Cinéma Concordat in de Almanach van 1914, en dan als Cinéma Concordia in die van 1920. Na een brand in 1922 liet Arthur Prick het gebouw het jaar daarop verbouwen tot een werkplaats met woning.
In 1924 werd het complex ingenomen door de Compagnie Continentale des Fabricants de Sellerie Vélocipédique Réunis. In dat jaar ontwierp architect Théodore Mention rechts van het gebouw een volume met twee analoge maar lagere traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), gevolgd door een omheiningsmuur in dezelfde stijl. Achter die muur werd een loods met sheddakOpeenvolging van parallelle daken met afwisselend een steil beglaasd dakvlak (vaak noordelijk geörienteerd) en een flauw hellend dakvlak. opgetrokken, n.o.v. architect Paul Bracke, eveneens in 1924. In 1960 overwoog de nieuwe eigenaar, Sogeplast (Société Générale des Matières Plastiques), de volledige herbouw van het gebouw door architect Frank L. Jansen, maar dit plan werd niet uitgevoerd. Het jaar daarop verhoogde dezelfde architect een gebouw gelegen achter de gebouwen uit 1924 en ontwierp hij een magazijn volledig in de lengte aan het linkeruiteinde van het terrein, langs de oude bedding van de Kleine Zenne.

Beschrijving

Oorspronkelijk, spektakelzaal van twee bouwlagen onder plat dak en met een symmetrische opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. van vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de centrale breder. BepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. gevel met imitatievoegen en versierd met hardsteen. Geprofileerde rondboogopeningen op de benedenverdieping, met I-balkIJzeren latei met I-profiel. op de verdieping, onder een rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast. met een timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. dat mogelijk met sgraffitiSgraffito (Italiaans, van sgraffiare: krabben), decoratieve muurtechniek waarbij men een donkere pleisterlaag (doorgaans zwart, roetbruin of grijs) met een lichtgekleurde pleisterlaag bedekt; door de bovenste, nog niet verharde, laag weg te nemen volgens een vooraf bepaald grafisch ontwerp ontstaat een verdiepte tekening; de lichtgekleurde pleisterlaag kan bovendien gekleurd worden ‘al fresco’ (op de verse pleister) of ‘al secco’ (op de droge pleister). was versierd. Ter hoogte van de timpanenMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. vormde de gevel een muurscherm met een centrale gewelfde bekroning. In de twee bouwlagen vormen kordonlijstenUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels. die ter hoogte van het impost worden onderbroken een pilasterkapiteel. Ingang in het midden en aan de zijkant.

In 1923 werd de stenen onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. verhoogd, werd de eerste deur tot vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. verbouwd en werden de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. aan de linkerkant dichtgemetseld op de verdieping. Misschien in 1924 werd de centrale deur omgevormd tot een terugwijkende trapezoïdale portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. met treden met afgesneden hoeken, onder een impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. met waaiervormig traliewerk in het vlak van de gevel. Rechts, analoge toevoegingen uit 1924: twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. en een omheiningsmuur met twee venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. gevolgd door een inrijpoort. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de benedenverdieping met traliewerk met het monogram “CCS” dat daar door de Compagnie Continentale de Sellerie werd geplaatst. Deur op de vijfde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op latere datum verbouwd tot vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. In 1966 werd de verdieping tot aan de top van de gevel verhoogd, met verhoging van de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., onder I-balkIJzeren latei met I-profiel., en verwijdering van de gewelfde bekroning. Het meeste schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ...  is vervangen.

Interieur. Oorspronkelijk, inkomhal over de hele breedte, met centraal loket en laterale houten trappen leidend naar een balkon op gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.. In 1923 werd achter de twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) rechts vooraan een woning ingericht. De ruimte van de werkplaats wordt aan de lange zijden begrensd door galerijenOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden.. Rechts, volume uit 1924 voorzien van een trap achteraan. Magazijn op de benedenverdieping, kamer, kabinet en werkplaats op de verdieping.


Bronnen

Archieven
GAA/DS 13561 (05.09.1912), 17165 (11.11.1923), 17970 (23.01.1925), 18419 (10.08.1925), 42972bis (1960), 40626 (17.10.1961), 40973 (19.06.1962). 

Publicaties en studies
CULOT, M. [red.], Anderlecht 1. Inventaire visuel de l’architecture industrielle à Bruxelles, AAM, Brussel, 1980, fiche 77. 
JACOBS, Th., Cie Continentale de Sellerie, Brusselfabriek-Urban.brussels, 2019. 
LA RETINE DE PLATEAU, Inventaire des salles de cinéma de la Région de Bruxelles, Brussel, 1994, fiche 93. 

Tijdschriften
Almanachs du Commerce et de l’Industrie, “Mégissiers (rue des)”, 1908, 1909, 1914, 1920, 1925.