Typologie(ën)

burgerwoning
fabriek
schrijnwerkerij

Ontwerper(s)

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Eclectisme

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2020-2022

id

Urban : 35489
lees meer

Beschrijving

Burgerwoning in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl, 1867. Fabriek en schrijnwerkersatelier, 1930, omgebouwd tot sporthal in 2004.


Historiek

In 1857 verwierf Frédéric Schmitz nijverheidsgebouwen aan de rand van de grote vijver waarlangs de straat loopt. Hij verbouwde ze tot een fabriek voor het kleuren van geitenleer en het vervaardigen van marokijn- en bezaanleer. Zo werd hij binnen de gemeente een belangrijke werkgever. Achter de fabriek werd een gedeelte van zijn grond onteigend om er in 1867-1868 de spoorweg aan te leggen. In 1867 liet hij het directeurspaviljoen optrekken. In 1872 werd de Fabrieksstraat bij wijze van eerbetoon omgedoopt tot Schmitzstraat. Na zijn overlijden werd de vennootschap Schmitz & Co. geleid door zijn neef, Louis Autrique. Daarna werd ze overgenomen door de SA Tannerie et Maroquinerie Belges, die Louis Autrique meteen als een van haar leidinggevenden opnam, in 1886 opgevolgd door zijn zoon Léon. De fabriek werd toen aanzienlijk uitgebreid en veroorzaakte enorme verontreiniging van de Paruckbeek, die men in 1905 dan ook ging overwelven. In 1920 droeg de SA Tannerie et Maroquinerie Belges haar installaties over aan de kistenmakerij Jean Van Campenhout, maar ze bleef wel eigenaar van de grond. Daarvan verhuurde ze een gedeelte aan de gemeente, om de vijver gedeeltelijk te kunnen dempen en de beek te kunnen overwelven. De kistenmakerij produceerde bierkratten en wijnkisten maar ook verpakkingen voor allerlei producten. De fabriek telde heel wat werknemers en breidde snel uit. Nadat een brand een deel van de installaties had verwoest, bouwde men in 1930 het gebouw met het huisnummer 4 aan de Léon Autriquestraat. De fabriek nam nog meer verpakkingsmateriaal in haar gamma op en startte met de productie van houten chalets, huizen en terrassen. In 1970 trok de vennootschap een nieuwe werkplaats op voor de vervaardiging van polystyreenverpakkingen. Onder druk van de concurrentie werd de eigenlijke kistenmakerij in de loop van de jaren 1990 geleidelijk buiten gebruik gesteld. In 2000 ging een deel van de gebouwen in vlammen op, waarna het met de grond gelijkgemaakt werd. De gemeente kocht toen de laatste gebouwen op, meer bepaald het huis van de werkgever en de fabriek uit 1930. Het huizenblok werd heringericht om er het Sportcentrum Victoria (2004) en het Victoriapark (2009) aan te leggen. De voormalige directeurswoning werd grondig gerenoveerd en op de fabriek van 1930, intussen een sporthal, kwam een hoge glaspartij.

Léon Autriquestraat 4, <a href='/nl/glossary/183' class='info'>opstand<span>Bouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur.</span></a> van de werkplaats, GAK/DS 2203-44 (1930).

Beschrijving

Directeurswoning
Villa van twee bouwlagen onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Gevel oorspronkelijk in baksteen, momenteel geverfd of bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen.. Hoofdgevel naar het park gericht, met vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). De eerste, als toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. inspringend. Muuropeningen met verschillende vormen, op de verdieping met bichrome archivoltenGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog.. Derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op de verdieping voorzien van een balkon, afgesloten met een balustradeHekwerk van spijlen of balusters. tussen postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering.. In mansarde een dakvensterUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak. met topsieraad (borstwering en lambrekijn van hout). Zijgevel met vier blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ...  en dak vervangen.

Fabriek en schrijnwerkersatelier uit 1930
Acht traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) over twee bouwlagen, in baksteen en verhoogd met een glaspartij van twee bouwlagen. Rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met bewaarde metalen ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met roedenDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd., weliswaar zonder glas, en nieuwe achterzetramen. In het midden, tussen twee topsieraden, breed hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met opschrift "Caisseries Jean Van Campenhout Sté An".


Bronnen

Archieven
GAK/DS 30 (1900), 28 (1902), 370-55 (1905), 378-63 (1905), 1140-24 (1920), 2203-44 (1930), 3253-9 (1941), 3307-63 (1941), 4792-17 (1968), 4846-13 (1970), 6521-38 (1989).

Publicaties en studies
CULOT, M. (o.l.v.), Koekelberg. Inventaire visuel de l'architecture industrielle à Bruxelles, AMA, Brussel, 1980, fiche 15.
PIRLOT, A.-M., Koekelberg à la carte, MBHG, Brussel, 2013.
STEPMAN, C., VERNIERS, L., Koekelberg dans le cadre de la région nord-ouest de Bruxelles, De Boeck, Brussel, 1966.
SUTTER, D., Koekelberg. Au fil du temps… Au cœur des rues…, Drukker, Parijs, 2012.
TONDEUR, F., Koekelberg, CFC-Éditions, Brussel, 2000.