Typologie(ën)
school
Ontwerper(s)
Camille DAMMAN – architect – 1904
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Neogotiek
Inventaris(sen)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2014-2016
id
Urban : 28911
Beschrijving
Schoolgebouw
op een doorlopend perceel naar de Victor Rousseaulaan in neogotischeDe
Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige
neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de
geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na
1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes
en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een
religieuze, ideologische als nationale dimensie.
De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme
en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden
uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de
stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de
overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware
christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa.
Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl
naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen,
kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen.
De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de
oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en
materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek;
spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen,
soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen
en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met
religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en
het expressieve karakter van de constructie.
Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in
neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste
Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden.
De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch
geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als
restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis,
Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl
(vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven
worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster
en de Sint-Magdalenakerk, Jette).
De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische
revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad
mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de
religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair,
smeedwerk). stijl,
gesigneerd en gedateerd «C.(amille) Damman 1904»’ in opdracht van bouwpromotor
Alexandre Bertrand.
Geschiedenis
Het terrein werd rond 1902 gekocht door de Société Anonyme des villas de Forest en verhuurd aan de religieuzen. Het diende oorspronkelijk als meisjesschool (kleuter-, basis en secundair onderwijs) en klooster voor de Société des Soeurs de Sainte Ursule de la Vierge Bénie. De zusters waren afkomstig van Dole (Frankrijk) en gaven sinds 1903 les in een tijdelijk gebouw in de Sint-Augustinuslaan 41. Vanaf 1905 vestigen ze zich in het hoofdgebouw langs de Wapenrustinglaan. Langs de Victor Rousseaulaan werd in de eerste bouwfase een bakstenen afsluitingsmuur voorzien. In 1924 kopen de religieuzen het schoolterrein van Alexandre Bertrand over en worden eigenaars.
De school bestond tot 1952 uit een gratis en een betalend departement die duidelijk van elkaar werden gescheiden: in het klein gebouw midden in het perceel bevonden zich de klassen voor de niet betalende leerlingen, terwijl het gebouw langs de Wapenrustinglaan werd gereserveerd voor de meer gegoede en betalende leerlingen.
Beschrijving
Gevel van elf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en drie bouwlagen op hoge kelderverdieping onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Gevel in roodoranjegekleurde baksteen met banden in witte baksteen en elementen in wit- en hardsteen. GetoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de benedenverdieping, rechthoekig op de eerste verdieping en tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. onder boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. in hoogste bouwlaag. Centrale toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. en twee uiterste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden., telkens onder versierde en verschillende topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt.. Centrale ingang met houten vleugeldeur geflankeerd door twee venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. en grote impostvenstersVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak., geheel gevat in witstenen omlijsting met pinakelSlanke beëindiging in de vorm van een gotisch torentje.. Hierboven kader met opschrift ‘INSTITUT St URSULE’. Tweede en derde bouwlaag tussen lisenenDecoratieve, uitspringende, verticale geleding, vaak met andere liseen verbonden door boog(fries). samenkomend tot boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. ter hoogte van topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt., topstuk voorzien van diepe nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. voor een (verdwenen) beeld en opschrift ‘1904’. Korfboogvormige keldervensters voorzien van traliewerk. Bakstenen dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder trapgeveltje. HoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met boogfriesReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen. en houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). ondersteund door uitgelengde korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken..
Achtergevel met centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in die via een steektrap toegang geeft tot de grote speelplaats. GetoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op alle bouwlagen. Oorspronkelijk zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. verbouwd tot mansarde voor het creëren van bijkomende leslokalen (1931, n.o.v. architect Michel Walthère).
Links van het hoofdgebouw, uitbreiding van vierbouwlagen met vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) uit 1964, n.o.v. architect J. BUCHEL.
Op het achterliggend perceel bevond zich een vrijstaand neogotischDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). gebouw uit 1904 waarin klassen en een overdekte speelplaats werden ondergebracht voor de niet betalende leerlingen. In 1987 werd dit geheel afgebroken om plaats te maken voor een nieuw gebouw met turnzaal n.o.v. arch. J. BUCHEL. Deze constructie leunt aan bij het straatgebouw langs de Victor Rousseaulaan van 1956 n.o.v. arch. Willy REYNS.
Geschiedenis
Het terrein werd rond 1902 gekocht door de Société Anonyme des villas de Forest en verhuurd aan de religieuzen. Het diende oorspronkelijk als meisjesschool (kleuter-, basis en secundair onderwijs) en klooster voor de Société des Soeurs de Sainte Ursule de la Vierge Bénie. De zusters waren afkomstig van Dole (Frankrijk) en gaven sinds 1903 les in een tijdelijk gebouw in de Sint-Augustinuslaan 41. Vanaf 1905 vestigen ze zich in het hoofdgebouw langs de Wapenrustinglaan. Langs de Victor Rousseaulaan werd in de eerste bouwfase een bakstenen afsluitingsmuur voorzien. In 1924 kopen de religieuzen het schoolterrein van Alexandre Bertrand over en worden eigenaars.
De school bestond tot 1952 uit een gratis en een betalend departement die duidelijk van elkaar werden gescheiden: in het klein gebouw midden in het perceel bevonden zich de klassen voor de niet betalende leerlingen, terwijl het gebouw langs de Wapenrustinglaan werd gereserveerd voor de meer gegoede en betalende leerlingen.
Beschrijving
Gevel van elf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en drie bouwlagen op hoge kelderverdieping onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Gevel in roodoranjegekleurde baksteen met banden in witte baksteen en elementen in wit- en hardsteen. GetoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de benedenverdieping, rechthoekig op de eerste verdieping en tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. onder boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. in hoogste bouwlaag. Centrale toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. en twee uiterste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden., telkens onder versierde en verschillende topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt.. Centrale ingang met houten vleugeldeur geflankeerd door twee venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. en grote impostvenstersVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak., geheel gevat in witstenen omlijsting met pinakelSlanke beëindiging in de vorm van een gotisch torentje.. Hierboven kader met opschrift ‘INSTITUT St URSULE’. Tweede en derde bouwlaag tussen lisenenDecoratieve, uitspringende, verticale geleding, vaak met andere liseen verbonden door boog(fries). samenkomend tot boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. ter hoogte van topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt., topstuk voorzien van diepe nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. voor een (verdwenen) beeld en opschrift ‘1904’. Korfboogvormige keldervensters voorzien van traliewerk. Bakstenen dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder trapgeveltje. HoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met boogfriesReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen. en houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). ondersteund door uitgelengde korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken..
Achtergevel met centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in die via een steektrap toegang geeft tot de grote speelplaats. GetoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op alle bouwlagen. Oorspronkelijk zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. verbouwd tot mansarde voor het creëren van bijkomende leslokalen (1931, n.o.v. architect Michel Walthère).
Links van het hoofdgebouw, uitbreiding van vierbouwlagen met vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) uit 1964, n.o.v. architect J. BUCHEL.
Op het achterliggend perceel bevond zich een vrijstaand neogotischDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). gebouw uit 1904 waarin klassen en een overdekte speelplaats werden ondergebracht voor de niet betalende leerlingen. In 1987 werd dit geheel afgebroken om plaats te maken voor een nieuw gebouw met turnzaal n.o.v. arch. J. BUCHEL. Deze constructie leunt aan bij het straatgebouw langs de Victor Rousseaulaan van 1956 n.o.v. arch. Willy REYNS.
Bronnen
Archieven
GAV/DS 3485 (1904), 5235 (1910), 5285 (1910), 11317 (1931), 18602 (1964), 19858 (1973), 20791 (1987).
Archief Geschied-en patrimoniumkring Vorst, map ‘Ecole libre état divers’.
Websites
Geschiedenis Sint-Ursula instituut

























