Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
school
kazerne
kazerne
Ontwerper(s)
INCONNU - ONBEKEND – 1909
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Eclectisme
Neorenaissance
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Elsene (DMS-DML - 2005-2015)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2011-2013
id
Urban : 21330
Beschrijving
Voormalige Rijkswachtkazerne in eclectischePeriode: ca. 1840-1914.
Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit
verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen
historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt
zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de
grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850
ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot
dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en
rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor
eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl,
ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en
daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de
industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om
flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke
voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich
zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen,
fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het
eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van
Brussel (de Brusselse voorsteden).
In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt
gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de
middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een
religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit
voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance
symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die
manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te
weerspiegelen.
In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en
herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen
met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer,
keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor
te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel,
erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken,
zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken.
De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en
tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis:
een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het
burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs
ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap,
vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en
soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas).
De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt:
een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie
bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één
brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt
in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend
met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een
driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of
bow-windows.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de
stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele
straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert
in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade
of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van
een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd
door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen
dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde
stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel.
De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische
stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de
polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in
uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk,
uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en
stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door
elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk,
soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters
in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art
nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale
motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten
elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz.
Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de
Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog
lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden
verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren
uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen
gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als
laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische
woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen
geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of
regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl, met invloed van neo-Franse renaissanceDe
Neorenaissancestijl in Brussel is een belangrijke expressie van het 19e
eeuwse eclecticisme, die zijn hoogtepunt bereikte tussen circa 1850 en 1910.
Deze stijl grijpt terug op de vormen, proporties en ornamentiek van de 16e
eeuwse Italiaanse renaissance, en werd in Brussel zowel toegepast in openbare
als private bouwprojecten.
De stijl vormt een reactie op het neoclassicisme, dat als te strak en
dogmatisch werd ervaren, en ontwikkelt zich in parallel met de Neobarok en
Neogotiek.
De Brusselse Neorenaissance vormt aldus een historiserende maar ideologisch
geladen stijl, waarin stedelijke representatie, burgerlijke trots en
historische evocatie samenkomen.
De Neorenaissancestijl onderscheidt zich door een rationele gevelopbouw en een
ornamentiek gebaseerd op klassieke orden en renaissancemotieven. Ze combineert
structurele helderheid met rijke decoratieve accenten. Typische kenmerken zijn:
horizontale geleding door kroonlijsten en cordonbanden; symmetrische
composities met regelmatige traveeën; gebruik van rondbogen, pilasters, zuilen
en balustrades; gevels in natuursteen of baksteen met witstenen elementen; ornamentiek
geïnspireerd op grotesken, medaillons, guirlandes en cartouches; hoge attieken
of dakkapellen met frontons., 1909.
Geschiedenis
In 1909 vervolledigde de Rijkswachtkazerne van Elsene een geheel van militaire infrastructuren dat zich over Etterbeek en Elsene uitstrekte en bestond uit de voertuigenkazerne (arsenaal – 1901), de artilleriekazerne (Rolin – 1877-1883, gesloopt in 1993), de cavaleriekazerne (Géruzet en de Witte de Haelen – 1875-1882), het Oefenplein (een terrein dat nu wordt ingenomen door de VUB en de ULB), het militair station (1906 – deels gesloopt) en wat verderop het militair ziekenhuis (1882-1888 – grotendeels gesloopt in 2002).
De kazerne was in de eerste plaats bestemd voor de opleiding van de rijkswachters. Ze omvatte niet alleen de verblijfplaatsen voor de troepen, een grote mess en paardenstallen, maar ook collegezalen, een bibliotheek en een hindernissenparcours voor de opleiding van de ruiters.
Na de Tweede Wereldoorlog breidde het takenpakket van de Rijkswacht sterk uit en kreeg ze meer middelen ter beschikking, waardoor nieuwe gebouwen noodzakelijk werden: de kantoren van de staf (1947) aan de Kroonlaan en het Centrum voor Informatieverwerking (1975) aan de Fritz Toussaintstraat; in de jaren 1990 werd hiernaast een communicatietoren gebouwd.
Omdat deze uitbreidingen ontoereikend bleven, breidde de Rijkswacht zich buiten haar muren uit en vestigde ze zich in een voormalig rusthuis (op de hoek van de Fritz Toussaintstraat en de Juliette Wytsmanstraat) en in de twee cavaleriekazernes (op grondgebied Etterbeek).
Sinds de opheffing van het Rijkswachtkorps in 2000 zijn in de gebouwen verschillende diensten van de Federale Politie ondergebracht, en er werden ingrijpende renovatiewerken uitgevoerd.

Plan
De Rijkswachtschool bestond oorspronkelijk uit een hoofdgebouw aan de Generaal Jacqueslaan, geflankeerd door twee hoekpaviljoenen (het paviljoen van de officieren op de hoek met de Kroonlaan en de mess van de onderofficieren op de hoek met de Juliette Wytsmanstraatstraat). Binnen het huizenblok bevinden zich de woonblokken, de rijkswachtersmess en de manege. Op de hoek met de Kroonlaan en de Fritz Toussaintstraat ligt een “gebouw voor de getrouwden”. De diergeneeskundige infirmerie, de gymnastiekzaal, het washok, enz. bevinden zich langs de Juliette Wytsmanstraat. Het geheel wordt door een indrukwekkende muur afgesloten.
Beschrijving
Aan de Generaal Jacqueslaan, gebouwen van twee bouwlagen onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken. waarvan het ondervlak en het bovenschild voorzien zijn van talrijke dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak. en makelaarUitstekende versiering op de nok van een dak in de vorm van een decoratieve metalen, terracotta of houten bol of stang (makelaar).. Op hardstenen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. met rusticaIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen)., bakstenen gevels met talrijke hardstenen banden. Muuropeningen onder steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. op de benedenverdieping, rechthoekig op de verdieping. Getraliede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de benedenverdieping van het hoofdgebouw en in de mess van de onderofficieren. Stenen kroonlijstenStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement)..
Hoofdgebouw van zeventien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de drie centrale en de twee uiterste in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. en onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak.. De drie centrale traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) hebben één extra bouwlaag met per twee of drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. De toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. is volledig bekleed met steen en wordt bekroond door een frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. doorbroken door een dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. en topstuk. De twee uiterste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) worden bekroond door een dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder doorbroken frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... grotendeels bewaard.

Het Paviljoen der officieren, op de hoek met de Kroonlaan en de mess der onderofficieren, op de hoek met de Juliette Wytsmanstraat, elk met twaalf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) (acht aan de Jacqueslaan, vier aan de Kroonlaan/Wytsmanstraat). Aan de Jacqueslaan zijn de twee centrale traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. en worden ze bekroond door een frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. doorbroken door een dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. en topstuk. Aan de Kroonlaan/Wytsmanstraat is de toegangstravee/de eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) een bouwlaag hoger, in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden., met verspringende bouwlagen en onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak.. De toegang tot de mess der onderofficieren bevindt zich binnen het huizenblok. Deur en schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... vervangen.
De gevels van het paviljoen van de getrouwden en de diergeneeskundige infirmerie zijn analoog zijn aan die van de hoofdgebouwen, maar de infirmerie bevindt zich in slechte staat.
Binnen het huizenblok hebben de bewaarde gebouwen elk elf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van twee of drie bouwlagen, onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. met dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. De uiterste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en de toegangstraveeënTravee waarin de toegang is ondergebracht. zijn hoger, onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak..
In het midden is de manege een gelijkvloers gebouw onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. De hoofdgevel, omlijst door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. onder topstuk, heeft twee lagen muuropeningen: onder steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. in de eerste, onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. in de tweede.
Geschiedenis
In 1909 vervolledigde de Rijkswachtkazerne van Elsene een geheel van militaire infrastructuren dat zich over Etterbeek en Elsene uitstrekte en bestond uit de voertuigenkazerne (arsenaal – 1901), de artilleriekazerne (Rolin – 1877-1883, gesloopt in 1993), de cavaleriekazerne (Géruzet en de Witte de Haelen – 1875-1882), het Oefenplein (een terrein dat nu wordt ingenomen door de VUB en de ULB), het militair station (1906 – deels gesloopt) en wat verderop het militair ziekenhuis (1882-1888 – grotendeels gesloopt in 2002).
De kazerne was in de eerste plaats bestemd voor de opleiding van de rijkswachters. Ze omvatte niet alleen de verblijfplaatsen voor de troepen, een grote mess en paardenstallen, maar ook collegezalen, een bibliotheek en een hindernissenparcours voor de opleiding van de ruiters.
Na de Tweede Wereldoorlog breidde het takenpakket van de Rijkswacht sterk uit en kreeg ze meer middelen ter beschikking, waardoor nieuwe gebouwen noodzakelijk werden: de kantoren van de staf (1947) aan de Kroonlaan en het Centrum voor Informatieverwerking (1975) aan de Fritz Toussaintstraat; in de jaren 1990 werd hiernaast een communicatietoren gebouwd.
Omdat deze uitbreidingen ontoereikend bleven, breidde de Rijkswacht zich buiten haar muren uit en vestigde ze zich in een voormalig rusthuis (op de hoek van de Fritz Toussaintstraat en de Juliette Wytsmanstraat) en in de twee cavaleriekazernes (op grondgebied Etterbeek).
Sinds de opheffing van het Rijkswachtkorps in 2000 zijn in de gebouwen verschillende diensten van de Federale Politie ondergebracht, en er werden ingrijpende renovatiewerken uitgevoerd.

Plan
De Rijkswachtschool bestond oorspronkelijk uit een hoofdgebouw aan de Generaal Jacqueslaan, geflankeerd door twee hoekpaviljoenen (het paviljoen van de officieren op de hoek met de Kroonlaan en de mess van de onderofficieren op de hoek met de Juliette Wytsmanstraatstraat). Binnen het huizenblok bevinden zich de woonblokken, de rijkswachtersmess en de manege. Op de hoek met de Kroonlaan en de Fritz Toussaintstraat ligt een “gebouw voor de getrouwden”. De diergeneeskundige infirmerie, de gymnastiekzaal, het washok, enz. bevinden zich langs de Juliette Wytsmanstraat. Het geheel wordt door een indrukwekkende muur afgesloten.
Beschrijving
Aan de Generaal Jacqueslaan, gebouwen van twee bouwlagen onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken. waarvan het ondervlak en het bovenschild voorzien zijn van talrijke dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak. en makelaarUitstekende versiering op de nok van een dak in de vorm van een decoratieve metalen, terracotta of houten bol of stang (makelaar).. Op hardstenen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. met rusticaIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen)., bakstenen gevels met talrijke hardstenen banden. Muuropeningen onder steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. op de benedenverdieping, rechthoekig op de verdieping. Getraliede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de benedenverdieping van het hoofdgebouw en in de mess van de onderofficieren. Stenen kroonlijstenStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement)..
Hoofdgebouw van zeventien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de drie centrale en de twee uiterste in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. en onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak.. De drie centrale traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) hebben één extra bouwlaag met per twee of drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. De toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. is volledig bekleed met steen en wordt bekroond door een frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. doorbroken door een dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. en topstuk. De twee uiterste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) worden bekroond door een dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder doorbroken frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... grotendeels bewaard.

Het Paviljoen der officieren, op de hoek met de Kroonlaan en de mess der onderofficieren, op de hoek met de Juliette Wytsmanstraat, elk met twaalf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) (acht aan de Jacqueslaan, vier aan de Kroonlaan/Wytsmanstraat). Aan de Jacqueslaan zijn de twee centrale traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. en worden ze bekroond door een frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. doorbroken door een dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. en topstuk. Aan de Kroonlaan/Wytsmanstraat is de toegangstravee/de eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) een bouwlaag hoger, in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden., met verspringende bouwlagen en onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak.. De toegang tot de mess der onderofficieren bevindt zich binnen het huizenblok. Deur en schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... vervangen.
De gevels van het paviljoen van de getrouwden en de diergeneeskundige infirmerie zijn analoog zijn aan die van de hoofdgebouwen, maar de infirmerie bevindt zich in slechte staat.
Binnen het huizenblok hebben de bewaarde gebouwen elk elf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van twee of drie bouwlagen, onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. met dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. De uiterste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en de toegangstraveeënTravee waarin de toegang is ondergebracht. zijn hoger, onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak..
In het midden is de manege een gelijkvloers gebouw onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. De hoofdgevel, omlijst door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. onder topstuk, heeft twee lagen muuropeningen: onder steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. in de eerste, onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. in de tweede.
Bronnen
Archieven
Archief van het museum van de Geïntegreerde Politie.
Publicaties en studies
MIHAIL, B., Het militaire erfgoed, Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Brussel, 2010 (Brussel, Stad van Kunst en Geschiedenis, 50).
Opmerkelijke bomen in de nabijheid




























































Avenue de l'Université' class='thumb'>