Typologie(ën)
architectenwoning
Ontwerper(s)
Édouard FRANKINET – architect – 1903
Paul CAUCHIE – architect, sgraffitoschilder – 1903
Stijlen
Art nouveau
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Sint-Lambrechts-Woluwe (Apeb - 2010-2012)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2010-2012
id
Urban : 21185
Beschrijving
Voormalige persoonlijke woning van architect Édouard Frankinet, die ook nr. 17 en 19 ontwierp, 1903.
Sluit een bijzonder homogene huizenrij in overwegend eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl, vanaf nr. 5.
Gevel in geometrische art-nouveaustijl. Drie bouwlagen en twee ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in de eerste twee bouwlagen, symmetrisch in de derde. BreuksteenMetselwerk bestaande uit brokken onregelmatige natuursteen. van gele en groene zandsteen op de benedenverdieping, rode baksteen op de verdiepingen, witsteen op de toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht., alles benadrukt door bewerkte hardstenen elementen. Op de hoofdtraveeBredere en rijker uitgewerkte travee, meestal van een huis met asymmetrische compositie; vaak in risaliet en onder bekronende topgevel., drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. in de sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. met metalen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met wangenStenen zijkanten van schouwmantel, balkonborstwering, of andere. op de benedenverdieping. Houten erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. op metalen balk en hoge consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. op de eerste verdieping, onder kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). met korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken. en terras met vervangen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Op de toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht., brede deur met omlijsting met mascaronGehouwen versiering onder de vorm van een (fantastisch) mensen- of dierenmasker., bekroond door een driehoekige gestapelde erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. onder een dak met gewelfde vlakken; top gevat in een hoefijzerboogBoog die meer dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een hoefijzer., ook met mascaronGehouwen versiering onder de vorm van een (fantastisch) mensen- of dierenmasker.. In de laatste bouwlaag, zes smalle gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. muuropeningen met afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. hoefijzerboogvormige omlijsting en lekdorpel met spuwerUitmonding van een goot of waterbekken waarlangs overtollig water wordt afgevoerd.. FriesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). op hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. versierd met sgraffitiSgraffito (Italiaans, van sgraffiare: krabben), decoratieve muurtechniek waarbij men een donkere pleisterlaag (doorgaans zwart, roetbruin of grijs) met een lichtgekleurde pleisterlaag bedekt; door de bovenste, nog niet verharde, laag weg te nemen volgens een vooraf bepaald grafisch ontwerp ontstaat een verdiepte tekening; de lichtgekleurde pleisterlaag kan bovendien gekleurd worden ‘al fresco’ (op de verse pleister) of ‘al secco’ (op de droge pleister). van bloemenmotieven en vrouwenprofielen aan de zijkant uitgevoerd door Paul Cauchie. KroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken., die aan de zijkant langer. Bewerkt anker(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. aan weerszijden van de erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld.. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... bewaard: driedelige deur met motieven van maskers, en ovalen raamVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. versierd met glas-in-loodraam met pauw; schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. en groen glas, soms met rondbogige dwarsregelEen dwarsregel deelt het kozijn van een deur of raam horizontaal op..
Atelier van de architect in datzelfde jaar ontworpen aan de achterzijde van het perceel.
Sluit een bijzonder homogene huizenrij in overwegend eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl, vanaf nr. 5.
Gevel in geometrische art-nouveaustijl. Drie bouwlagen en twee ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in de eerste twee bouwlagen, symmetrisch in de derde. BreuksteenMetselwerk bestaande uit brokken onregelmatige natuursteen. van gele en groene zandsteen op de benedenverdieping, rode baksteen op de verdiepingen, witsteen op de toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht., alles benadrukt door bewerkte hardstenen elementen. Op de hoofdtraveeBredere en rijker uitgewerkte travee, meestal van een huis met asymmetrische compositie; vaak in risaliet en onder bekronende topgevel., drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. in de sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. met metalen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met wangenStenen zijkanten van schouwmantel, balkonborstwering, of andere. op de benedenverdieping. Houten erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. op metalen balk en hoge consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. op de eerste verdieping, onder kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). met korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken. en terras met vervangen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Op de toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht., brede deur met omlijsting met mascaronGehouwen versiering onder de vorm van een (fantastisch) mensen- of dierenmasker., bekroond door een driehoekige gestapelde erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. onder een dak met gewelfde vlakken; top gevat in een hoefijzerboogBoog die meer dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een hoefijzer., ook met mascaronGehouwen versiering onder de vorm van een (fantastisch) mensen- of dierenmasker.. In de laatste bouwlaag, zes smalle gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. muuropeningen met afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. hoefijzerboogvormige omlijsting en lekdorpel met spuwerUitmonding van een goot of waterbekken waarlangs overtollig water wordt afgevoerd.. FriesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). op hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. versierd met sgraffitiSgraffito (Italiaans, van sgraffiare: krabben), decoratieve muurtechniek waarbij men een donkere pleisterlaag (doorgaans zwart, roetbruin of grijs) met een lichtgekleurde pleisterlaag bedekt; door de bovenste, nog niet verharde, laag weg te nemen volgens een vooraf bepaald grafisch ontwerp ontstaat een verdiepte tekening; de lichtgekleurde pleisterlaag kan bovendien gekleurd worden ‘al fresco’ (op de verse pleister) of ‘al secco’ (op de droge pleister). van bloemenmotieven en vrouwenprofielen aan de zijkant uitgevoerd door Paul Cauchie. KroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken., die aan de zijkant langer. Bewerkt anker(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. aan weerszijden van de erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld.. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... bewaard: driedelige deur met motieven van maskers, en ovalen raamVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. versierd met glas-in-loodraam met pauw; schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. en groen glas, soms met rondbogige dwarsregelEen dwarsregel deelt het kozijn van een deur of raam horizontaal op..
Atelier van de architect in datzelfde jaar ontworpen aan de achterzijde van het perceel.
Bronnen
Archieven
GASLW/DS 1548 (1903).
Publicaties en studies
JACOBS, D., Edouard Frankinet. Architecte (1877-1937) (lic. verhandeling Kunstgeschiedenis), UCL, 1991, p. 31.
Tijdschriften
METDEPENNINGHEN, C., GHISDAL, M.-H., “Paul Cauchie's vakantiewoning Le Bella en La Nuova in Duinbergen” in M&L, jg. 31, 5, 2012, pp. 56-57.
GASLW/DS 1548 (1903).
Publicaties en studies
JACOBS, D., Edouard Frankinet. Architecte (1877-1937) (lic. verhandeling Kunstgeschiedenis), UCL, 1991, p. 31.
Tijdschriften
METDEPENNINGHEN, C., GHISDAL, M.-H., “Paul Cauchie's vakantiewoning Le Bella en La Nuova in Duinbergen” in M&L, jg. 31, 5, 2012, pp. 56-57.










































