Typologie(ën)
architectenwoning
werkplaats (ambachtelijk)
werkplaats (ambachtelijk)
Ontwerper(s)
Frans VAN OPHEM – aannemer, architect – 1897
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Art nouveau
Pittoreske architectuur
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Schaarbeek (Apeb - 2010-2015)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Landschappelijk Een landschap is een gebied, zoals waargenomen door de mens, waarvan het karakter het resultaat is van ondernomen actie en interactie van natuurlijke en/of menselijke factoren. Het is een schaalbegrip bestaande uit verschillende (erfgoed)componenten, die elk, al of niet hun intrinsieke waarde hebben, maar alles samen tot een groter meerwaardegeheel verheffen én dat dit ook zo word gepercipieerd vanop een bepaalde afstand. Wijde stadspanorama’s zijn het landschap bij uitstek, denk bijvoorbeeld aan het zicht over de benedenstad van Brussel vanop het Koningsplein, maar ook op kleinere schaal kunnen dergelijke landschappen die uit verschillende componenten zijn samengesteld voorkomen.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2013-2014
id
Urban : 22856
Beschrijving
Gebouw in eclectischeVeel voorkomende stijl (ca. 1850-1914) die inspiratie put uit verschillende architectuurstijlen uit het verleden. Komt door de combinatie van enerzijds verschillende stijlelementen en anderzijds nieuwe technieken en materialen tot een unieke eigentijdse creatie. stijl met invloed van de art nouveauInternationale beweging (1893 - ca. 1914) als reactie op de ‘neo’-stijlen, maar met sterk lokale verschillen. In België kent de stijl twee stromingen, namelijk de florale art nouveau met Victor Horta als boegbeeld en anderzijds de geometrische art nouveau beïnvloed door Paul Hankar of de Wiener Secession. en de pittoreskePeriode: ca. 1850-1930.De pittoreske architectuur ontstaat in Engeland in de context van de romantische beweging en laat zich vaak inspireren door verschillende historische stijlen die gecombineerd worden.Pittoreske architectuur verwijst naar een manier van ontwerpen waarbij in de eerste plaats naar een gevarieerde, verrassende en evocatieve visuele indruk wordt gestreefd. In plaats van strikte regels van symmetrie of compositie te volgen, geeft de stijl de voorkeur aan vrijheid, vormenspel en verscheidenheid van materialen om zo een levendige, bijna verhalende aanblik te creëren.In België doet de tendens zijn intrede bij het begin van de 20e eeuw - in het verlengde van de art nouveau - onder diverse streektypische invloeden, voornamelijk Anglo?Normandische of alpiene vormtalen. De stijl komt voor in parken, kuststeden, kuuroorden en in de stadsrand van grote steden (vakantievilla’s). Het gebouw en zijn tuin (of soms park) worden opgevat als een samenhangend geheel dat een schilderij vormt, een enscenering die de toeschouwer moet verrassen. De term “cottagestijl” wordt eveneens gebruikt, vooral in landelijke context, om bouwwerken aan te duiden die de nadruk leggen op het gebruik van traditionele materialen en technieken, naar het voorbeeld van de cottages in Engelse dorpen.In het Brussels Gewest komt de pittoreske tendens tot uiting in villa’s die vaak zijn ontworpen naar het voorbeeld van kleine landhuizen, een type dat kenmerkend is voor vele welgestelde buitenwijken en verkavelingen in België. Verder fungeert de stijl ook als inspiratiebron voor burgerhuizen in eclectische of laateclectische stijl, vaak in wijken met een zekere landschappelijke waarde (aan een park, pleintje, rond een vijver of eenvoudigweg een straat met bomenrijen of niet-bebouwde stroken die zijn ingericht als tuintjes).De karakteristieke elementen zijn de asymmetrie en de variatie aan vormen (torentje, dakkapel, erker, topgevel(s), imposante daken met meerdere vlakken en/of schilddaken of wolfdaken enz.), de materiaalvariatie (uiteenlopende kleuren en texturen), een overvloedige decoratie (smeedijzerwerk, schrijnwerk, glasramen, breuksteen, houten borstweringen, (imitatie) vakwerk, kroonlijst met lambrekijn enz.), een sterke relatie met het landschap, de tuin of de straat (onder meer door overgangsruimtes tussen binnen en buiten: uitspringende volumes, luifel, portaal, veranda) én een grote vrijheid in de compositie, zowel wat betreft de gevel als de plattegrond. stijl. In 1897 ontwierp Van Ophem op het rechterdeel van een trapeziumvormig perceel een atelier van één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en twee bouwlagen onder een puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is.. Het perceel stond in verbinding met nr. 37 van de Emmanuel Hielstraat, waar hij in 1890-1891 zijn persoonlijke woning had gebouwd, samen met het naastgelegen huis (zie nr. 35 en 37 Emmanuel Hielstraat). In 1903 bouwde de architect een nieuwe woning in de Renkinstraat door zijn atelier te verhogen en links een volume toe te voegen. Het gebouw werd in 2003 gerenoveerd, met respect voor de oorspronkelijke decors, door bureau StrubbE-ProoT Architecten, dat er thans is gevestigd.
Drie ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en drie bouwlagen, deels bekroond door een halve verdiepingLage verdieping tussen twee bouwlagen; vaak boven commerciële benedenverdieping gelegen. waaruit een imposante puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. oprijst. Gevel in roze zandsteen met witstenen elementen. Witstenen onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen.. Op de derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), benedenverdieping van het volume uit 1897 in witsteen met hardstenen elementen. De meeste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. zijn gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd., onder boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. of lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt., de lateienBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. soms op kussenblokken1. Dekplaat dat ligt tussen de drager (kapiteel) en het gedragene (balk of boog); 2. Kwartronde kraagsteen van een venster- of deurboog. en/of onder ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast..
Op de benedenverdieping van de eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met monelenStenen vensterstijl., onder een timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. versierd met een bas-reliëf gesigneerd “V(ictor). de Haen” dat een liggende vrouw en de koepelBolvormig gewelf op cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige basis. van de Koninklijke Sint-Mariakerk van Schaarbeek voorstelt. SleutelSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. met het monogram van de architect. Op de borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust., messing platen met art-nouveaudecor, het eerste met de naam van de architect, het tweede met de opening van de brievenbus. KroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken.. Houten dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Inspringende tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met een deur onder impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. en een houten erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. onder drieledig dak bekroond door een terras. Op de derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), tweede verdieping geflankeerd door lisenenDecoratieve, uitspringende, verticale geleding, vaak met andere liseen verbonden door boog(fries). verbonden door een bakstenen boogfriesReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen. en bekroond door een puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. in crèmekleurige baksteen met imitatievakwerk.
De talrijke stenen consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief., het traliewerk in plat smeedijzerTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… van de onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. en de houten borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van het terras zijn allemaal versierd met art-nouveaumotieven. Sgraffitodecor: bloemmotieven op de timpanenMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. en het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel., een voorstelling van diverse beroepen uit het bouwvak op de friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). boven de benedenverdieping van de derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... bewaard: deur met getraliede ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. en raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd., sommige ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met gekleurd glas.

Oorspronkelijk, op de benedenverdieping, twee bureaus vooraan, het bureau links gevolgd door een bibliotheek, het bureau rechts naast een driehoekig trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. toegankelijk via een hal in het verlengde van de toegangsvestibule. Op de eerste verdieping, salon en kleine salon links, eetkamer rechts. Kamers op de tweede verdieping.
Oorspronkelijke decors in de vestibule, hal en trap met invloed van de art nouveauInternationale beweging (1893 - ca. 1914) als reactie op de ‘neo’-stijlen, maar met sterk lokale verschillen. In België kent de stijl twee stromingen, namelijk de florale art nouveau met Victor Horta als boegbeeld en anderzijds de geometrische art nouveau beïnvloed door Paul Hankar of de Wiener Secession. en de gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl. LambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … met boogfriezenReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen.. Plafond met zichtbare balken.
In de vestibule, vloer versierd met een marmeren mozaïek en het opschrift “SALVE”. Op het bovendeel van de rechtermuur, schildering van twee vrouwen naast een triomfboog; linkermuur versierd met een houten arcatuur met zuiltjes en glas-in-loodramen met een voorstelling van wapenschilden met helm en de werktuigen van de bouwvakker. Deuren onder entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. met vleugelstukkenZijstuk, veelal in voluutvorm, van een topgevel, dakkapel of dakvenster. en gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. timpanenMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. met geschilderd bloemendecor. Soortgelijk decor op het plafond.
Hal met parketvloer. Boven de lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …, muurschilderijen met Hollandse plattelandstaferelen. Plafond met geprofileerd decor. Deuren met een bekroning die analoog is aan die van de vestibule en die leiden naar de bibliotheek en een toiletruimte achteraan. Naar de binnenplaats, vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. versierd met een glas-in-loodraam dat een landschap met zonsopgang voorstelt. Naar de trap, grote korfboogvormige arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn..
Houten trap met leuning in art-nouveaustijl, traliewerk met gestileerd plantenmotief en een houten handlijstGeprofileerde lijst op een borstwering of tegen een muur bevestigd, waaraan men zich met de hand kan vastgrijpen. met gebogen trappaalHoofdbaluster aan de eerste trede van een trap.. De onderzijden van de trapdelen zijn gelambriseerd. Driehoekig daklicht met glas-in-loodraam met gestileerd plantenmotief.
Oorspronkelijk, bureau links en eetkamer in neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl met plafond met zichtbare balken, lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … met briefpanelen en een imposante schoorsteen.
Drie ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en drie bouwlagen, deels bekroond door een halve verdiepingLage verdieping tussen twee bouwlagen; vaak boven commerciële benedenverdieping gelegen. waaruit een imposante puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. oprijst. Gevel in roze zandsteen met witstenen elementen. Witstenen onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen.. Op de derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), benedenverdieping van het volume uit 1897 in witsteen met hardstenen elementen. De meeste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. zijn gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd., onder boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. of lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt., de lateienBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. soms op kussenblokken1. Dekplaat dat ligt tussen de drager (kapiteel) en het gedragene (balk of boog); 2. Kwartronde kraagsteen van een venster- of deurboog. en/of onder ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast..
Op de benedenverdieping van de eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met monelenStenen vensterstijl., onder een timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. versierd met een bas-reliëf gesigneerd “V(ictor). de Haen” dat een liggende vrouw en de koepelBolvormig gewelf op cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige basis. van de Koninklijke Sint-Mariakerk van Schaarbeek voorstelt. SleutelSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. met het monogram van de architect. Op de borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust., messing platen met art-nouveaudecor, het eerste met de naam van de architect, het tweede met de opening van de brievenbus. KroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken.. Houten dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Inspringende tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met een deur onder impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. en een houten erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. onder drieledig dak bekroond door een terras. Op de derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), tweede verdieping geflankeerd door lisenenDecoratieve, uitspringende, verticale geleding, vaak met andere liseen verbonden door boog(fries). verbonden door een bakstenen boogfriesReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen. en bekroond door een puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. in crèmekleurige baksteen met imitatievakwerk.
De talrijke stenen consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief., het traliewerk in plat smeedijzerTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… van de onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. en de houten borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van het terras zijn allemaal versierd met art-nouveaumotieven. Sgraffitodecor: bloemmotieven op de timpanenMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. en het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel., een voorstelling van diverse beroepen uit het bouwvak op de friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). boven de benedenverdieping van de derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... bewaard: deur met getraliede ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. en raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd., sommige ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met gekleurd glas.

Oorspronkelijk, op de benedenverdieping, twee bureaus vooraan, het bureau links gevolgd door een bibliotheek, het bureau rechts naast een driehoekig trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. toegankelijk via een hal in het verlengde van de toegangsvestibule. Op de eerste verdieping, salon en kleine salon links, eetkamer rechts. Kamers op de tweede verdieping.
Oorspronkelijke decors in de vestibule, hal en trap met invloed van de art nouveauInternationale beweging (1893 - ca. 1914) als reactie op de ‘neo’-stijlen, maar met sterk lokale verschillen. In België kent de stijl twee stromingen, namelijk de florale art nouveau met Victor Horta als boegbeeld en anderzijds de geometrische art nouveau beïnvloed door Paul Hankar of de Wiener Secession. en de gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl. LambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … met boogfriezenReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen.. Plafond met zichtbare balken.
In de vestibule, vloer versierd met een marmeren mozaïek en het opschrift “SALVE”. Op het bovendeel van de rechtermuur, schildering van twee vrouwen naast een triomfboog; linkermuur versierd met een houten arcatuur met zuiltjes en glas-in-loodramen met een voorstelling van wapenschilden met helm en de werktuigen van de bouwvakker. Deuren onder entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. met vleugelstukkenZijstuk, veelal in voluutvorm, van een topgevel, dakkapel of dakvenster. en gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. timpanenMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. met geschilderd bloemendecor. Soortgelijk decor op het plafond.
Hal met parketvloer. Boven de lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …, muurschilderijen met Hollandse plattelandstaferelen. Plafond met geprofileerd decor. Deuren met een bekroning die analoog is aan die van de vestibule en die leiden naar de bibliotheek en een toiletruimte achteraan. Naar de binnenplaats, vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. versierd met een glas-in-loodraam dat een landschap met zonsopgang voorstelt. Naar de trap, grote korfboogvormige arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn..
Houten trap met leuning in art-nouveaustijl, traliewerk met gestileerd plantenmotief en een houten handlijstGeprofileerde lijst op een borstwering of tegen een muur bevestigd, waaraan men zich met de hand kan vastgrijpen. met gebogen trappaalHoofdbaluster aan de eerste trede van een trap.. De onderzijden van de trapdelen zijn gelambriseerd. Driehoekig daklicht met glas-in-loodraam met gestileerd plantenmotief.
Oorspronkelijk, bureau links en eetkamer in neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl met plafond met zichtbare balken, lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … met briefpanelen en een imposante schoorsteen.
Bronnen
Archieven
GAS/DS 228-33.
Tijdschriften
Album de la Maison Moderne, 5e, jaargang, pl. 45-46.
Vers l'Art, 1, 1906,, pl. 3-5; 7, 1906, pl. 41, 42.
DE VRIEZE, M., “ Lichtinval primeert”, Netto, 05.12.2009, pp. 34-37.




















