Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
burgerwoning
Ontwerper(s)
Jean-Baptiste DEWIN – architect – 1910
Stijlen
Art nouveau
Wiener Secession
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Elsene (DMS-DML - 2005-2015)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2005-2007
id
Urban : 17105
Beschrijving
Opmerkelijk huis in geometrische art nouveauPeriode: 1890 – 1914
De art
nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en
1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de
academische kunst van de 19e eeuw nastreeft.
In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis
Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar
(1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie
opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er
daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens
de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op
de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover
plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het
gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen
komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met
vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen
en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt
toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen,
sociale woningen en handelszaken.
Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en
welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit
uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen
minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking
van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot
een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid
met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien
door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen,
mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt
de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij
vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming
uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek
ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters., i.o.v. ingenieur van de Arts et Manufactures Bruno Schmidt, n.o.v. arch. Jean-Baptiste Dewin die het tot in de kleinste details ontwierp, 1910. Het betreft een totaalkunstwerk zoals die door de grote architecten uit de periode van de art nouveauPeriode: 1890 – 1914
De art
nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en
1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de
academische kunst van de 19e eeuw nastreeft.
In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis
Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar
(1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie
opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er
daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens
de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op
de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover
plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het
gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen
komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met
vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen
en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt
toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen,
sociale woningen en handelszaken.
Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en
welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit
uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen
minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking
van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot
een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid
met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien
door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen,
mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt
de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij
vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming
uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek
ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters. werden ontworpen.
Maakt deel uit van een opmerkelijke huizenrij van nr. 144 tot 182.
Gevel in erg persoonlijke en vernieuwende stijl van J.-B. Dewin. Decor met geometrische vormen geïnspireerd door de Wiener Sezession1897 – ca. 1914. De Wiener Secession is een Oostenrijkse kunst- en architectuurstroming die zich vanaf het einde van de 19e eeuw over verschillende Europese steden verspreidt. Een groep progressieve Weense kunstenaars, onder wie Joseph Hoffmann, Joseph Maria Olbrich en de schilder Gustav Klimt, richt de stroming op met als doel te breken met de traditionele artistieke conventies. Ze streven naar een radicale, moderne kunst die een verzamelpunt vormt van verschillende disciplines, waaronder architectuur, beeldhouwkunst, schilderkunst, meubilair en toegepaste kunsten. De Wiener Secession situeert zich binnen de geometrische tak van de art nouveau en deelt dezelfde ideologische basis van artistieke vernieuwing en afwijzing van historiserende stijlen. De stroming kenmerkt zich door een hoge kwaliteit van vakmanschap en een kritische houding tegenover massaproductie. Vaak wordt ze toegepast als totaalkunstwerk (Gesamtkunstwerk), waarbij architectuur, interieur, meubels en decoratie een harmonische eenheid vormen. Typische kenmerken zijn gestileerde florale motieven, vloeiende lijnen, geometrische patronen, abstracte ornamenten en een duidelijke aandacht voor proportie en ritme. Ook in Brussel zijn enkele gebouwen in deze stijl gerealiseerd. Het meest opmerkelijke voorbeeld is het Stocletpaleis, langs de Tervurenlaan, dat als manifest van de stroming kan worden beschouwd, naar ontwerp van Joseph Hoffmann. Andere gebouwen betreffen vaak residentiële architectuur uit een latere bouwperiode, waarbij de Wiener Secession zich beperkt tot decoratieve elementen op de voorgevel en vaak wordt vermengd met art nouveau of andere neostijlen.. Zowel gevel als interieur met geraffineerd decor. Uiterst verzorgde details bestaande uit mozaïeken met geometrische motieven en gestileerde dierenmotieven in het ijzerwerkVerzameling van alle metalen elementen van een gebouw. en in het glas-in-lood. Dieren, en vooral mythologische (de valk symboliseert de EgyptischeDe neo-Egyptische stijl in Brussel behoort tot de meer exotische neostijlen die in de loop van de 19e eeuw opkwamen binnen het oriëntalistische en eclecticistische discours. Zoals ook de Moorse stijl getuigt zij niet enkel van een fascinatie voor het verleden – zoals de meeste neostijlen – maar evenzeer voor vreemde, als oosters gepercipieerde culturen. In tegenstelling tot vele andere neostijlen speelt hier bovendien een uitgesproken mystieke en esoterische dimensie, wat onder meer blijkt uit het gebruik van Egyptische symboliek in vrijmetselaarstempels. De belangstelling voor het oude Egypte kent in feite twee heroplevingen. Een eerste golf volgt op de expeditie van Napoleon Bonaparte naar Egypte (1798–1801) en de publicatie van de monumentale Description de l’Égypte (1809–1828). Deze fascinatie vertaalt zich aanvankelijk niet in een volwaardige neo-Egyptische stijl, maar in Egyptiserende motieven binnen de empirestijl. Het gaat hier dus om een vroege, geïntegreerde herinterpretatie eerder dan om een autonome neostijl. Een tweede heropleving manifesteert zich vanaf het midden van de 19e eeuw, wanneer het bonapartisme – onder Napoleon III – opnieuw maatschappelijk aanvaardbaar wordt en nieuwe ontdekkingsreizen en archeologische campagnes de kennis van het oude Egypte aanzienlijk uitbreiden. In deze context ontwikkelt zich de eigenlijke neo-Egyptische stijl. In België, en meer bepaald in Brussel, blijft zij echter zeldzaam en verschijnt zij vooral sporadisch en decoratief. De stijl blijft een marginale maar symbolisch geladen expressievorm, vaker toegepast in funeraire, militaire of representatieve context dan in grootschalige architectuur. Kenmerkend zijn massieve volumes en gesloten gevelvlakken, licht aflopende muren, pylonvormige toegangen, lotus-, papyrus- en palmkapitelen, Egyptische zuilen met kelkvormige kapitelen, en decoratieve motieven zoals hiërogliefen, gevleugelde zonneschijven, scarabeeën en cartouches. Symmetrie en monumentaliteit staan centraal, vaak versterkt door polychromie of het gebruik van oker- en zandtinten. In Brussel gaat het doorgaans om eclectische integraties van Egyptische motieven binnen neoclassicistische, art-nouveau- of funeraire gehelen. In grafarchitectuur symboliseert de stijl eeuwigheid en transcendentie, verwijzend naar Egypte als bakermat van de doodscultus. Daarnaast duiken Egyptische elementen op in theaterarchitectuur, interieurdecoratie (zoals cafés en tentoonstellingspaviljoenen) en in vrijmetselaarscontext. De neo-Egyptische stijl in Brussel vormt zo een specifieke uitdrukking van oriëntalistisch eclecticisme, waarin archeologische kennis, exotische verbeelding en symbolische projectie samenkomen. In de 20e eeuw leeft deze vormentaal voort binnen de art deco, waar Egyptische motieven opnieuw verschijnen, onder meer in bioscopen en in de decoratieve kunsten van het interbellum. god Horus, enz.) zijn alomtegenwoordig in het werk van Dewin uit dezelfde periode.

Drie bouwlagen en op verdiepingen drie ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Op centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in tweede bouwlaag polygonaleRegelmatige veelhoek. erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. en in derde bouwlaag rechthoekige erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld.. Gevel in witsteen van Euville, op benedenverdieping afgewisseld met hardstenen banden. Op verdiepingen kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. bekroond met gesculpteerd topstuk dat kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). doorbreekt. Rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., sommige met glas-in-loodramen met ovalen en bijen; laatstgenoemd motief ook terug te vinden in ijzerwerkVerzameling van alle metalen elementen van een gebouw. van borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van trap, tuinhek en verluchtingsgaten. Glas-in-lood van koetspoort vervangen door doorzichtig glas. SouterrainHoge kelder of half verzonken verdieping. met Engelse koer.
Interieur en meubilair oorspronkelijk ook door J.-B. Dewin ontworpen. Thans slechts gedeeltelijk bewaard (hal, traphal en sommige ruimtes).
Beschermd op 10.10.1996
Maakt deel uit van een opmerkelijke huizenrij van nr. 144 tot 182.
Gevel in erg persoonlijke en vernieuwende stijl van J.-B. Dewin. Decor met geometrische vormen geïnspireerd door de Wiener Sezession1897 – ca. 1914. De Wiener Secession is een Oostenrijkse kunst- en architectuurstroming die zich vanaf het einde van de 19e eeuw over verschillende Europese steden verspreidt. Een groep progressieve Weense kunstenaars, onder wie Joseph Hoffmann, Joseph Maria Olbrich en de schilder Gustav Klimt, richt de stroming op met als doel te breken met de traditionele artistieke conventies. Ze streven naar een radicale, moderne kunst die een verzamelpunt vormt van verschillende disciplines, waaronder architectuur, beeldhouwkunst, schilderkunst, meubilair en toegepaste kunsten. De Wiener Secession situeert zich binnen de geometrische tak van de art nouveau en deelt dezelfde ideologische basis van artistieke vernieuwing en afwijzing van historiserende stijlen. De stroming kenmerkt zich door een hoge kwaliteit van vakmanschap en een kritische houding tegenover massaproductie. Vaak wordt ze toegepast als totaalkunstwerk (Gesamtkunstwerk), waarbij architectuur, interieur, meubels en decoratie een harmonische eenheid vormen. Typische kenmerken zijn gestileerde florale motieven, vloeiende lijnen, geometrische patronen, abstracte ornamenten en een duidelijke aandacht voor proportie en ritme. Ook in Brussel zijn enkele gebouwen in deze stijl gerealiseerd. Het meest opmerkelijke voorbeeld is het Stocletpaleis, langs de Tervurenlaan, dat als manifest van de stroming kan worden beschouwd, naar ontwerp van Joseph Hoffmann. Andere gebouwen betreffen vaak residentiële architectuur uit een latere bouwperiode, waarbij de Wiener Secession zich beperkt tot decoratieve elementen op de voorgevel en vaak wordt vermengd met art nouveau of andere neostijlen.. Zowel gevel als interieur met geraffineerd decor. Uiterst verzorgde details bestaande uit mozaïeken met geometrische motieven en gestileerde dierenmotieven in het ijzerwerkVerzameling van alle metalen elementen van een gebouw. en in het glas-in-lood. Dieren, en vooral mythologische (de valk symboliseert de EgyptischeDe neo-Egyptische stijl in Brussel behoort tot de meer exotische neostijlen die in de loop van de 19e eeuw opkwamen binnen het oriëntalistische en eclecticistische discours. Zoals ook de Moorse stijl getuigt zij niet enkel van een fascinatie voor het verleden – zoals de meeste neostijlen – maar evenzeer voor vreemde, als oosters gepercipieerde culturen. In tegenstelling tot vele andere neostijlen speelt hier bovendien een uitgesproken mystieke en esoterische dimensie, wat onder meer blijkt uit het gebruik van Egyptische symboliek in vrijmetselaarstempels. De belangstelling voor het oude Egypte kent in feite twee heroplevingen. Een eerste golf volgt op de expeditie van Napoleon Bonaparte naar Egypte (1798–1801) en de publicatie van de monumentale Description de l’Égypte (1809–1828). Deze fascinatie vertaalt zich aanvankelijk niet in een volwaardige neo-Egyptische stijl, maar in Egyptiserende motieven binnen de empirestijl. Het gaat hier dus om een vroege, geïntegreerde herinterpretatie eerder dan om een autonome neostijl. Een tweede heropleving manifesteert zich vanaf het midden van de 19e eeuw, wanneer het bonapartisme – onder Napoleon III – opnieuw maatschappelijk aanvaardbaar wordt en nieuwe ontdekkingsreizen en archeologische campagnes de kennis van het oude Egypte aanzienlijk uitbreiden. In deze context ontwikkelt zich de eigenlijke neo-Egyptische stijl. In België, en meer bepaald in Brussel, blijft zij echter zeldzaam en verschijnt zij vooral sporadisch en decoratief. De stijl blijft een marginale maar symbolisch geladen expressievorm, vaker toegepast in funeraire, militaire of representatieve context dan in grootschalige architectuur. Kenmerkend zijn massieve volumes en gesloten gevelvlakken, licht aflopende muren, pylonvormige toegangen, lotus-, papyrus- en palmkapitelen, Egyptische zuilen met kelkvormige kapitelen, en decoratieve motieven zoals hiërogliefen, gevleugelde zonneschijven, scarabeeën en cartouches. Symmetrie en monumentaliteit staan centraal, vaak versterkt door polychromie of het gebruik van oker- en zandtinten. In Brussel gaat het doorgaans om eclectische integraties van Egyptische motieven binnen neoclassicistische, art-nouveau- of funeraire gehelen. In grafarchitectuur symboliseert de stijl eeuwigheid en transcendentie, verwijzend naar Egypte als bakermat van de doodscultus. Daarnaast duiken Egyptische elementen op in theaterarchitectuur, interieurdecoratie (zoals cafés en tentoonstellingspaviljoenen) en in vrijmetselaarscontext. De neo-Egyptische stijl in Brussel vormt zo een specifieke uitdrukking van oriëntalistisch eclecticisme, waarin archeologische kennis, exotische verbeelding en symbolische projectie samenkomen. In de 20e eeuw leeft deze vormentaal voort binnen de art deco, waar Egyptische motieven opnieuw verschijnen, onder meer in bioscopen en in de decoratieve kunsten van het interbellum. god Horus, enz.) zijn alomtegenwoordig in het werk van Dewin uit dezelfde periode.

Drie bouwlagen en op verdiepingen drie ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Op centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in tweede bouwlaag polygonaleRegelmatige veelhoek. erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. en in derde bouwlaag rechthoekige erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld.. Gevel in witsteen van Euville, op benedenverdieping afgewisseld met hardstenen banden. Op verdiepingen kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. bekroond met gesculpteerd topstuk dat kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). doorbreekt. Rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., sommige met glas-in-loodramen met ovalen en bijen; laatstgenoemd motief ook terug te vinden in ijzerwerkVerzameling van alle metalen elementen van een gebouw. van borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van trap, tuinhek en verluchtingsgaten. Glas-in-lood van koetspoort vervangen door doorzichtig glas. SouterrainHoge kelder of half verzonken verdieping. met Engelse koer.
Interieur en meubilair oorspronkelijk ook door J.-B. Dewin ontworpen. Thans slechts gedeeltelijk bewaard (hal, traphal en sommige ruimtes).
Beschermd op 10.10.1996
Bronnen
Archieven
GAE/DS 233-172.
Publicaties en studies
JAMAR, M., Jean-Baptiste Dewin, arch. de la période Art Nouveau – Art Déco (eindverhandeling), ISACF– La Cambre, Brussel, 1994-1995.
Monument et sites protégés, éd. Mardaga, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 1999, pp. 128, 129.
Tijdschriften
DEWIN, J.B., ‘Propriété, 172, Molièrelaan, à Bruxelles', L'Emulation, 1914, pl. XIX-XX.
GAE/DS 233-172.
Publicaties en studies
JAMAR, M., Jean-Baptiste Dewin, arch. de la période Art Nouveau – Art Déco (eindverhandeling), ISACF– La Cambre, Brussel, 1994-1995.
Monument et sites protégés, éd. Mardaga, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 1999, pp. 128, 129.
Tijdschriften
DEWIN, J.B., ‘Propriété, 172, Molièrelaan, à Bruxelles', L'Emulation, 1914, pl. XIX-XX.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid




























































Avenue Molière, 225' class='thumb'>