






Typologie(ën)
kerk/kathedraal/basiliek
Ontwerper(s)
Charles DE MAEGHT – architect – 1902-1906
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Neogotiek
Inventaris(sen)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Het monumentale erfgoed van België. Laken (Archistory - 2016-2019)
- Kerkkappen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1830-1940 (Urban - 2019)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Landschappelijk Een landschap is een gebied, zoals waargenomen door de mens, waarvan het karakter het resultaat is van ondernomen actie en interactie van natuurlijke en/of menselijke factoren. Het is een schaalbegrip bestaande uit verschillende (erfgoed)componenten, die elk, al of niet hun intrinsieke waarde hebben, maar alles samen tot een groter meerwaardegeheel verheffen én dat dit ook zo word gepercipieerd vanop een bepaalde afstand. Wijde stadspanorama’s zijn het landschap bij uitstek, denk bijvoorbeeld aan het zicht over de benedenstad van Brussel vanop het Koningsplein, maar ook op kleinere schaal kunnen dergelijke landschappen die uit verschillende componenten zijn samengesteld voorkomen.
- Wetenschappelijk De wetenschappelijke waarde wordt vaak erkend in het geval van landschappen (parken, halfnatuurlijke gebieden). Binnen de context van een onroerend goed kan het gaan om de aanwezigheid van een (bouw)element (bijzonder materiaal, experimenteel materiaal, bouwprocédé of -component) of getuigenis van een ruimtelijk-structurele ruimte (stedenbouwkundig) waarvan het behoud moet worden overwogen met het oog op wetenschappelijk onderzoek. In het geval van archeologische vindplaatsen en overblijfselen wordt de wetenschappelijke waarde erkend in relatie tot het uitzonderlijke karakter van de resten op het gebied van ouderdom (bijvoorbeeld de Romeinse villa in Jette), de uitzonderlijke bewaringsomstandigheden (bijvoorbeeld de site van het vroegere dorp Oudergem) of de uniciteit van de elementen (bijvoorbeeld een volledig bewaard dakspant) en derhalve op dat vlak een uitzonderlijke en prominente wetenschappelijke bijdrage vormen tot de kennis van ons stedelijk en pre-stedelijk verleden.
- Sociaal Moeilijk te onderscheiden van de volkskundige waarde en over het algemeen onvoldoende om een selectie op zichzelf te rechtvaardigen. - herinneringsplaats van een gemeenschap of van van een sociale groep (bijvoorbeeld de bedevaartskapel op het Kerkplein in Sint-Agatha-Berchem, “de Oude Linde” in Boendael te Elsene); - een plaats met volkssymboliek (bijvoorbeeld het café het “Goudblommeke in papier” in de Cellebroersstraat); - een plaats waar een wijk samenkomt of gestructureerd is (bijvoorbeeld De gebouwen “Fer à Cheval”- in de Floréal tuinwijk); - een goed dat deel uitmaakt van of bestaat uit openbare voorzieningen (scholen, crèches, gemeenschaps- of parochiezalen, sporthallen, stadions, enz.); - goed of ensemble (al dan niet sociale huisvesting) ontworpen om sociale interactie, wederzijdse hulp en buurtcohesie te stimuleren (bijvoorbeeld de woonwijken die na de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd in Ganshoren of de wijken die speciaal voor ouderen werden ontworpen); - goed dat deel uitmaakt van een industrieel complex dat een aanzienlijke activiteit heeft gegenereerd in de gemeente waar het zich bevindt of in het Gewest.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016
id
Urban : 36196
Beschrijving
Gebouw in neogotische stijl, gebouwd naar de
plannen van architect Charles De Maeght in 1902-1906.
Geschiedenis
Nadat de Sint-Lambertusparochie van de Heizel in 1891 was gesticht, werd aan de Heizelstraat (zie nr. 20) een eerste kleine noodkerk opgericht. Het terrein bestemd voor de huidige kerk werd in 1897 door particulieren geschonken. De kerk, waarvan de bouw in 1902 aanving, was klaar in 1906 en werd in oktober 1907 ingewijd. In 1970, na de liturgische hervormingen voorgeschreven door het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), werd het neogotische stenen altaar uit het koor verwijderd en kreeg het koor een nieuwe betegeling naar plannen van de architecten Luc Thomisse en A. Biesemans.
Beschrijving
Gebouw in baksteen met elementen in witsteen en met hardsteen. Perfect symmetrisch gebouw van het basiliektype met westbouw onder een vierkante klokkentoren met portaal. Hoofdbeuk met drie schepen van vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de laterale afgeboord door ondiepe pseudokapellen. Uitspringend dwarsschip. Lichtjes verhoogd koor, met een rechte traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en met een vijfzijdige koorafsluiting, geflankeerd door twee vierkante hoekkapellen, aan de rechterkant thans als doopkapel. Sacristie rechts en dienstlokalen links, in bijgebouwen.
Interieur
Bakstenen gewelven met kruisbogen en spitsbogen in witsteen die rusten op zuilenbundels en cilindervormige zuilen in hetzelfde materiaal, onder gebeeldhouwd kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen. versierd met koolbladeren. Boven de grote arcadesEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn., muuropeningen gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. aan een pseudotriforium gevat in de omlijsting van de hoge vensters. Eén breed vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. op de gevels van het dwarsschip.
In het koor, hoge onderbouw met daarop het pseudotriforium en de hoge venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. die een opengewerkt geheel vormen, gescandeerd door de aanzetten van de spitsbogen. Rozetvensters in de vorm van een afgeronde driehoek op het chevet van de hoekkapellen.
In de westbouw, portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). naast twee ruimten die, naar de zijbeuken, door hekwerk worden afgesloten, met rechts de oude doopkapel. In de ruimte links, aanzet van de wenteltrap naar het orgelkoor geflankeerd door twee kleine vertrekken. Overal gewelven, behalve in voornoemde ruimten; monumentale arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. die het portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). en de tribune opent naar de middenbeuk.
Buitenzijde
Op onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. met rustica, opstanden verstevigd door getrapte steunberen en versierd met kettingen en waterlijstenVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.. Spitsboogvensters tussen stijlen met hoekblokken, de meeste met maaswerk met glas-in-loodramen en onder archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog.. Getande friezenHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). onder een fijne houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Portaal van de klokkentoren met twee eikenhouten vleugels met hengselsSmeedijzeren beslag waarmee deuren, ramen of luiken worden opgehangen., onder rozetvormig impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak., het geheel gevat in een gelijkzijdige arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. versierd met knoppenRond of afgeplat bolvormig ornament. en een kruisbloem(Neo)gotische beëindiging, bestaande uit een stam met daarop één of meerdere kransen van gestileerde bladeren (hogels) en bovenaan bekroond met een sierbol (pumeel)..
Opeenvolgende zadeldaken haaks op het ene dakvlak van de zijbeuken (die kapellen nabootsen) en vergelijkbaar dak op de hoekkapellen. Middenbeuk, dwarsschip en koor met eenzelfde hoogte, onder gekruiste zadeldakenDak met twee hellende dakvlakken.. Uitspringende topgevelsHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. op schouderstukken, versierd met een kruisbloem(Neo)gotische beëindiging, bestaande uit een stam met daarop één of meerdere kransen van gestileerde bladeren (hogels) en bovenaan bekroond met een sierbol (pumeel).. Leistenen daken. Klokkentoren van vier bouwlagen, de laatste, met afgeschuinde hoeken, inspringend achter een opengewerkte stenen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. waarvan de pinakelsSlanke beëindiging in de vorm van een gotisch torentje. zijn verdwenen; op de vier zijden, hoge gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. muuropeningen met galmborden. Belijnd door bakstenen maaswerk, achthoekige leistenen spits met kleine dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. en een smeedijzeren kruis met windwijzer.
Sacristieën en andere lage bijgebouwen in L-vorm aangebouwd tegen de hoekkapellen, in de stijl van het gebouw.
Glas-in-loodramen en meubilair
Op de koorafsluiting, drie grote oorspronkelijke glas-in-loodramen met taferelen op drie niveaus, van de hand van J. Dobbelaere en met voorstellingen van onder meer de Geboorte, de Heilige Familie, Maria-Boodschap en diverse apostelen en profeten, de overige glas-in-loodramen versierd met doorschijnende of watergroene ruitvormige ruiten.
Neogotische preekstoel in gebeeldhouwde steen van een kunstenaar van Deense origine, Harry Elström (ca. 1928). Groot orgel van Salomon Van Bever (1916-1918) in neogotische eikenhouten orgelkast. Altaar, tabernakel, ambo, bank en doopvonten uit 1970, in hardsteen. Barokke houten biechtstoel (19e eeuw?). Mozaïekpaneel met voorstelling van Maria met Kind en de kleine heilige Johannes (1909).
Geschiedenis
Nadat de Sint-Lambertusparochie van de Heizel in 1891 was gesticht, werd aan de Heizelstraat (zie nr. 20) een eerste kleine noodkerk opgericht. Het terrein bestemd voor de huidige kerk werd in 1897 door particulieren geschonken. De kerk, waarvan de bouw in 1902 aanving, was klaar in 1906 en werd in oktober 1907 ingewijd. In 1970, na de liturgische hervormingen voorgeschreven door het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), werd het neogotische stenen altaar uit het koor verwijderd en kreeg het koor een nieuwe betegeling naar plannen van de architecten Luc Thomisse en A. Biesemans.
Beschrijving
Gebouw in baksteen met elementen in witsteen en met hardsteen. Perfect symmetrisch gebouw van het basiliektype met westbouw onder een vierkante klokkentoren met portaal. Hoofdbeuk met drie schepen van vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de laterale afgeboord door ondiepe pseudokapellen. Uitspringend dwarsschip. Lichtjes verhoogd koor, met een rechte traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en met een vijfzijdige koorafsluiting, geflankeerd door twee vierkante hoekkapellen, aan de rechterkant thans als doopkapel. Sacristie rechts en dienstlokalen links, in bijgebouwen.
Interieur
Bakstenen gewelven met kruisbogen en spitsbogen in witsteen die rusten op zuilenbundels en cilindervormige zuilen in hetzelfde materiaal, onder gebeeldhouwd kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen. versierd met koolbladeren. Boven de grote arcadesEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn., muuropeningen gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. aan een pseudotriforium gevat in de omlijsting van de hoge vensters. Eén breed vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. op de gevels van het dwarsschip.
In het koor, hoge onderbouw met daarop het pseudotriforium en de hoge venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. die een opengewerkt geheel vormen, gescandeerd door de aanzetten van de spitsbogen. Rozetvensters in de vorm van een afgeronde driehoek op het chevet van de hoekkapellen.
In de westbouw, portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). naast twee ruimten die, naar de zijbeuken, door hekwerk worden afgesloten, met rechts de oude doopkapel. In de ruimte links, aanzet van de wenteltrap naar het orgelkoor geflankeerd door twee kleine vertrekken. Overal gewelven, behalve in voornoemde ruimten; monumentale arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. die het portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). en de tribune opent naar de middenbeuk.
Buitenzijde
Op onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. met rustica, opstanden verstevigd door getrapte steunberen en versierd met kettingen en waterlijstenVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.. Spitsboogvensters tussen stijlen met hoekblokken, de meeste met maaswerk met glas-in-loodramen en onder archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog.. Getande friezenHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). onder een fijne houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Portaal van de klokkentoren met twee eikenhouten vleugels met hengselsSmeedijzeren beslag waarmee deuren, ramen of luiken worden opgehangen., onder rozetvormig impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak., het geheel gevat in een gelijkzijdige arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. versierd met knoppenRond of afgeplat bolvormig ornament. en een kruisbloem(Neo)gotische beëindiging, bestaande uit een stam met daarop één of meerdere kransen van gestileerde bladeren (hogels) en bovenaan bekroond met een sierbol (pumeel)..
Opeenvolgende zadeldaken haaks op het ene dakvlak van de zijbeuken (die kapellen nabootsen) en vergelijkbaar dak op de hoekkapellen. Middenbeuk, dwarsschip en koor met eenzelfde hoogte, onder gekruiste zadeldakenDak met twee hellende dakvlakken.. Uitspringende topgevelsHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. op schouderstukken, versierd met een kruisbloem(Neo)gotische beëindiging, bestaande uit een stam met daarop één of meerdere kransen van gestileerde bladeren (hogels) en bovenaan bekroond met een sierbol (pumeel).. Leistenen daken. Klokkentoren van vier bouwlagen, de laatste, met afgeschuinde hoeken, inspringend achter een opengewerkte stenen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. waarvan de pinakelsSlanke beëindiging in de vorm van een gotisch torentje. zijn verdwenen; op de vier zijden, hoge gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. muuropeningen met galmborden. Belijnd door bakstenen maaswerk, achthoekige leistenen spits met kleine dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. en een smeedijzeren kruis met windwijzer.
Sacristieën en andere lage bijgebouwen in L-vorm aangebouwd tegen de hoekkapellen, in de stijl van het gebouw.
Glas-in-loodramen en meubilair
Op de koorafsluiting, drie grote oorspronkelijke glas-in-loodramen met taferelen op drie niveaus, van de hand van J. Dobbelaere en met voorstellingen van onder meer de Geboorte, de Heilige Familie, Maria-Boodschap en diverse apostelen en profeten, de overige glas-in-loodramen versierd met doorschijnende of watergroene ruitvormige ruiten.
Neogotische preekstoel in gebeeldhouwde steen van een kunstenaar van Deense origine, Harry Elström (ca. 1928). Groot orgel van Salomon Van Bever (1916-1918) in neogotische eikenhouten orgelkast. Altaar, tabernakel, ambo, bank en doopvonten uit 1970, in hardsteen. Barokke houten biechtstoel (19e eeuw?). Mozaïekpaneel met voorstelling van Maria met Kind en de kleine heilige Johannes (1909).
Bronnen
Archieven
SAB/OW 97223 (1948), 97708 (1967), 97669-97670 (1974), 97666 (1976).
Publicaties en studies
CAPELLE, P., VAN INNIS, G., OSAER, T., Kerken te Brussel, Mechelen, 1995, p. 77.
Tijdschriften
VAN DER ELST, W., “Het ontstaan van de Heilig Hart en Sint-Lambertusparochie en kerk op de Heizel”, Laca Tijdingen, jg. 25, 3, juli-september 2014, pp. 17-28.