Typologie(ën)

Weverij

Ontwerper(s)

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2016

id

Urban : 36269
lees meer

Beschrijving

Industrieel gebouwencomplex aangevat in 1912 naar een ontwerp van architect J. Rosschaerts i.o.v. Filature de laines Unwin Frères.

Historiek
Ter hoogte van deze gebouwen, werd sinds 1903 de aanwezigheid van twee textielnijverheden; de Lavoir de laines de Bervoets-Wielemans en de firma Unwin Fréd. Filateur de laine peignée vermeld. Het is laatstgenoemde die de site verder zal ontwikkelen, zij bouwen van 1912 het huidige gebouw A (architect J. Rosschaerts) bestaande uit een betonnen structuur (Béton armés Hennebique) achter een bakstenen gevel. Tot 1929 zal de firma SA Filatures Unwin Frères hier werkzaam zijn. Rond de periode 1930/1935 zal de firma La Vesdre SA peignage et filature de laine de gebouwen bezetten. Het is nog onduidelijk wat het mogelijke verband tussen de twee bedrijven is. Het is alleszins duidelijke dat de firma La Vesdre SA zijn oorsprong kent in Verviers, zij openen filialen in Brussel en Leiden (1934,
La Vesdre Wolindustrie) en blijven werkzaam in Brussel tot in 1969.

Beschrijving

Gebouw A langs de Grondelstraat. Betonnen structuur (Bétons armés Hennebique) uitgevoerd door het bouwbedrijf Henri Smits-Valcke. Bakstenen gevel van vier bouwlagen en 26 traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) (vensterassen) per twee verdeeld over 13 segmenten, geritmeerd door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met plat topstuk. Hardstenen onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. en elementen in similiBepleistering ter imitatie van natuursteen. voor lateienBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. en neggenAfwisselende opeenvolging van lange en korte zijden van natuurstenen hoekblokken of neggen (geprofileerd) in een bakstenen gevel., onder plat dak.

Per verdieping grote oppervlakten, hier en daar, gecompartimenteerd met bakstenen en/of cementstenen binnenmuren. Oorspronkelijk (giet)ijzeren zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., gedeeltelijk bekist of vervangen door betonnen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel..

Uitbreiding aan achtergevel van gebouw A gebouwd tussen 1944 en 1953 ter vervanging van een U-vormig gebouw onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. Baksten gebouw van 5 bouwlagen met hoge benedenverdieping toegankelijk via huidige binnenkoer. Grote liggende rechthoekige muuropeningen met betonnen roedenDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd., behalve in vierde bouwlaag, verbouwd tot per twee gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur..
Betonnen structuur. Per verdieping grote oppervlakten, hier en daar, gecompartimenteerd met bakstenen en/of cementstenen binnenmuren.

Haaks hierop, een langwerpig gebouw B in een meer uitgesproken modernistischeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. stijl uit de naoorlogse periode (gebouwd tussen 1944 en 1953). Oorspronkelijk drie bouwlagen met verspringende toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht., verhoogd met identieke bouwlaag tussen 1953 en 1971. Verzorgde geelgekleurde bakstenen gevel met monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. karakter op de Klein Elandstraat nr. 1A. Gedrukte benedenverdieping met liggende venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. en verzorgd traliewerk, getraliede deur rechts. ToegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. verticaal geaccentueerd door hoge glaspartij, met bakstenen moneelStenen vensterstijl., ter verlichting van het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht.. Rechts verdiepingen verlicht door drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. grote vensterpartijen met gecementeerdeMet portlandcement bestrijken. muurdamParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag.. Bewaarde roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. met industrieel karakter, in gewapende beton aan buitenzijde, ontdubbelt in interieur met ijzeren roedenDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd..
Westelijke zijgevel volledig gecementeerdMet portlandcement bestrijken. en gedeeltelijk opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met liggende vensterpartijen over de eerste drie bouwlagen, vierde bouwlaag in baksteen en blindZonder opening; blind venster, schijnopening.. Zijgevel langs binnenkoer aan eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), overeenkomend met trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. in geelgekleurde baksteen en smalle liggende venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. Vervolgd door bakstenen gevel, quasi blindZonder opening; blind venster, schijnopening. (en wit beschilderd) op benedenverdieping, verderop voorzien van inrijpoort en lade- en loskaaien. In tweede en derde bouwlagen grote liggende vensterpartijen met smalle bakstenen moneelStenen vensterstijl., en met bewaarde roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. in gewapend beton. Hoogste bouwlaag volledig blindZonder opening; blind venster, schijnopening..

Interieur met zichtbare betonnen structuur. Per verdieping grote oppervlakten, hier en door, gecompartimenteerd met bakstenen en/of cementstenen binnenmuren


Richting Grondelstraat versmalt het gebouw om aansluiting te vinden bij de gebouwengroep D. Laatstgenoemde bestaande uit twee tot drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. gebouwen gelegen op de Grondelstraat 154, gebouwd omstreeks 1910. Eerste gebouw links, aanleunend aan gebouw B, bakstenen constructie van twee bouwlagen onder plat dak en zeven traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), waarbij de laatste een brede toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. met inrijpoort en rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. op verdieping. Overige zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) volledig blindZonder opening; blind venster, schijnopening., geritmeerd door segmentbogen op benedenverdieping en met blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. rondboogvensters op verdieping, belijnd met witstenen of similiBepleistering ter imitatie van natuursteen. banden. Het tweede gebouw, eveneens in baksteen en met twee bouwlagen, opgevat als een woning bestaande uit vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met toegang in tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Rechthoekige muuropeningen op benedenverdieping met hardstenen omlijsting. Verdieping met rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. Laatste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in licht risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden..

Volledig verwaarloosd interieur dat meerder malen werd aangepast en verbouwd aan de noden van het gebruik van het gebouw. De inrijpoort in het eerste gebouw geeft toegang tot een smalle buitenweg. De zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) rechts hiervan zijn helemaal weggewerkt en gedeeltelijk afgebroken. Een loopbrug leidt van gebouw B naar het tweede gebouw van de groep D.

Langs de Klein Eilandstraat, hoge bakstenen afsluitingsmuur met hardstenen onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen.. Geritmeerd door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met hardstenen deksteenNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen.. BlindeZonder opening; blind venster, schijnopening. muurvlakken. Waarschijnlijk gebouwd met gebouw A (omstreeks 1910) gezien de architecturale gelijkenissen. Langs binnenkoer bouwsporen van industriële gebouwen onder sheddakenOpeenvolging van parallelle daken met afwisselend een steil beglaasd dakvlak (vaak noordelijk geörienteerd) en een flauw hellend dakvlak. (tussen 1930/1935 en 1944 waarbij oudere bestaande gebouwen werden verlengd tot tegen de afsluitingsmuur), en haaks ingeplant ten opzichte van de Klein Eilandstraat. Deze gebouwen werden afgebroken na 1971.

Het geheel gelegen op de Grondelstraat 152-154 en Klein Eilandstraat 1A is ontegensprekelijk een waardevolle getuige – een van de laatste – van het (diverse) industriële karakter en aanwezigheid op de Grondelstraat. Deze industrie floreerde vanaf eind 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw. De ligging van de Kleine Zenne heeft eveneens hiertoe bijgedragen.

Bronnen

Archieven
Fonds Bétons armés Hennebique (BAH). Subdiv. 47: Belgique – de 1910 à 1919. Objet BAH-24-1912-09698. Filature de laines Unwin Frères, Anderlecht (Belgique). 1912