Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
kerk/kathedraal/basiliek
Ontwerper(s)
Jan WINDELS – architect – 1956
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Modernisme
Inventaris(sen)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Sociaal Moeilijk te onderscheiden van de volkskundige waarde en over het algemeen onvoldoende om een selectie op zichzelf te rechtvaardigen. - herinneringsplaats van een gemeenschap of van van een sociale groep (bijvoorbeeld de bedevaartskapel op het Kerkplein in Sint-Agatha-Berchem, “de Oude Linde” in Boendael te Elsene); - een plaats met volkssymboliek (bijvoorbeeld het café het “Goudblommeke in papier” in de Cellebroersstraat); - een plaats waar een wijk samenkomt of gestructureerd is (bijvoorbeeld De gebouwen “Fer à Cheval”- in de Floréal tuinwijk); - een goed dat deel uitmaakt van of bestaat uit openbare voorzieningen (scholen, crèches, gemeenschaps- of parochiezalen, sporthallen, stadions, enz.); - goed of ensemble (al dan niet sociale huisvesting) ontworpen om sociale interactie, wederzijdse hulp en buurtcohesie te stimuleren (bijvoorbeeld de woonwijken die na de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd in Ganshoren of de wijken die speciaal voor ouderen werden ontworpen); - goed dat deel uitmaakt van een industrieel complex dat een aanzienlijke activiteit heeft gegenereerd in de gemeente waar het zich bevindt of in het Gewest.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
Onderzoek en redactie
2016, 2026
id
Urban : 26261
Beschrijving
De
kapel is een modernistischHet modernisme duidt
elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel
van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als
de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond,
eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat
dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële
materialen zoals gewapend beton, staal, glas).
Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken,
drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot
rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere
volumes en sterk gereduceerde decoratie.
Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden.
Modernisme van het interbellum
Periode: ca. 1920 – 1940
In Brussel is het modernisme van het interbellum
soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral
in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt
geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale
gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat
uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende
rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde
horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op
het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl.
Naoorlogs modernisme
Periode: ca. 1940 – 1960
Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende
karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek
(eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas
het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en
toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze
architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in
het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd
in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen
benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak
als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning
(met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op
het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie,
aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt.
Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd
Periode: ca. 1950 – 1965
Het ludiek modernisme of
de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke
woningen in die periode figureerden),
dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is
een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de
jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960.
De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het
functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren,
die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels,
boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige
motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert
graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste
structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de
kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen
zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot
succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950
worden ontwikkeld.
Laat modernisme
Periode: ca. 1970-1980
Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de
mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme
zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden
(rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie
van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de
structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes
verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen
met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar
inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties
staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken
(blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere
kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden
ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken
lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en
gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand
van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen
(rookglas).
Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien
als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast
op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode
waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich
tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan
het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak
wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie
van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse
klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. ontwerp uit 1956 naar de plannen van Jan Windels,
zoon van De Coene-medewerker Georges Windels, en werd uitgevoerd door de Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene.
Historiek
Om tegemoet te komen aan de wens van de Nederlandstalige geloofsgemeenschap van de wijk Bezemhoek in Watermaal-Bosvoorde om over een eigen gebedsruimte te beschikken, vraagt de Priester R. Van Dormael en de dekenale vereniging van Bosvoorde vzw in 1956 aan de gemeente toestemming om een voorlopige kapel, Regina Caeli, te bouwen op een terrein dat toebehoort aan de kerkfabriek van de Sint-Clemenskerk.
Aangezien het om een voorlopig bouwwerk ging, koos men voor een snelle bouwmethode met geprefabriceerde elementen. Vermoedelijk liet men zich inspireren door de in 1955 gebouwde Sint-Laurentiuskapel in Lokeren, ontworpen door de Kortrijkse architect Jan Windels. Deze kapel behaalde de eerste prijs in een nationale architectuurwedstrijd voor het gebruik van hout en werd voorgesteld op de tentoonstelling Le bois, l’ami de l’homme in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel.
De structuur bestond uit een uitzonderlijk houten gebinte van noordelijke rode spar, opgebouwd uit grote paraboolvormige bogenConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. van gelijmd gelamelleerd hout (glulam). De volledige constructie werd geprefabriceerd in de ateliers van Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene. De kapel in Watermaal-Bosvoorde was vrijwel identiek aan deze in Lokeren en werd in slechts vier maanden tijd opgetrokken. Net als haar tegenhanger in Lokeren wordt ze gekenmerkt door een dubbele articulatie aan de basis en rust ze op betonnen funderingen. De structuur is geprefabriceerd en opgebouwd uit twee delen die aan de nokNok, hoogste punt van iets (nok of top). Nokbedekking, afdekking van de nok. met elkaar verbonden zijn. De gordingen verbinden de spanten, terwijl een beschot van rood sparrenhout met tand- en groefverbindingen het gewelf vormt. Een verschil betrof de positie van de klokkentoren: in Lokeren bevond deze zich centraal aan de ingang, terwijl deze in Watermaal-Bosvoorde rechts van de kapel stond en vrijstaand was. De toren werd echter in 1978 op bevel van de burgemeester afgebroken.
Beschrijving
Het paraboolvormige gebouw heeft een ruitvormig grondplan van 15 bij 24 meter en ligt gedeeltelijk verzonken in een talud. Het is toegankelijk via een trappartij. Rechts bevond zich oorspronkelijk de klokkentoren.
De gelamelleerde houten spanten (glulams) rusten op ondiepe betonnen paalfunderingen. Oorspronkelijk werd het gebouw omgeven door gebakeliseerde panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. op een gemetste, zwart geteerde plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.. In 1963 werden de zijwanden, inclusief de plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., bekleed met een geel bakstenen parementGevel- of muurbekleding..
De voorgevel wordt gekenmerkt door een grote glaspartij waarin, met behulp van geel gekleurd glas, een kruisvorm is aangebracht. In de zijgevels bevinden zich horizontale vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters., met glasdallen met enkele kleuraccenten.
De glulam en het oorspronkelijke schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... aan de voorgevel zijn wit geschilderd. De dakbedekking bestond oorspronkelijk uit rode roofing, maar werd later vervangen door groen gekleurde golfplaten.
Het interieur bestaat uit één grote ruimte. Aan weerszijden van het inkomsas bevonden zich oorspronkelijk twee biechtstoelen, die inmiddels vervangen zijn door schuifwanden. Achteraan bevindt zich het altaar op een podium, met rechts de sacristie en links een berging. Deze opstelling werd in de loop der jaren aangepast: het podium werd vergroot met een centrale uitbouw en er werden bijkomende houten panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. achter het altaar geplaatst.
In het interieur zijn de glulams niet geschilderd. Tussen het latwerk van het plafond werden rieten matten aangebracht.
Motivering erfgoedwaarden
Historische waarde
De kapel is representatief voor een naoorlogse, tijdelijk kerkgebouw. Na de Tweede Wereldoorlog brak een periode van dynamiek en vernieuwing aan, waarin de kerk haar werking aanpaste aan de moderne samenleving.
Binnen het Gewest vormt de kapel een zeldzaam voorbeeld van het snelbouwprincipe met nieuwe geprefabriceerde bouwcomponenten van de Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene.
Daarnaast heeft ze een belangrijke contextuele waarde binnen de ontwikkeling van de Nederlandstalige parochiale werking in de wijk Bezemhoek in Watermaal-Bosvoorde.
Artistieke waarde
De kapel is representatief voor het naoorlogs modernismeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. en heeft een aanzienlijk deel van haar integriteit en authenticiteit behouden. Het gebouw vertoont een bijzondere expressiviteit.
Het bouwwerk is kenmerkend voor het oeuvre van architect Jan Windels, die een gelijkaardige kapel in Lokeren ontwierp die bekroond werd met een architectuurprijs. Beide gebouwen nemen een bijzondere plaats in binnen zijn werk.
Sociale waarde
De kapel is een representatief voorbeeld van een naoorlogse gebedsruimte die deel uitmaakt van de lokale gemeenschapsvoorzieningen. Ze vervulde een belangrijke rol voor de Nederlandstalige geloofsgemeenschap van de Wijk Bezemhoek, die afhankelijk was van de kerkfabriek van de Sint-Clemenskerk.
Technische waarde
De kapel illustreert een innovatieve bouwtechniek met gelijmde gelamelleerde houten spanten (glulam), vervaardigd in de ateliers van Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene.
Historiek
Om tegemoet te komen aan de wens van de Nederlandstalige geloofsgemeenschap van de wijk Bezemhoek in Watermaal-Bosvoorde om over een eigen gebedsruimte te beschikken, vraagt de Priester R. Van Dormael en de dekenale vereniging van Bosvoorde vzw in 1956 aan de gemeente toestemming om een voorlopige kapel, Regina Caeli, te bouwen op een terrein dat toebehoort aan de kerkfabriek van de Sint-Clemenskerk.
Aangezien het om een voorlopig bouwwerk ging, koos men voor een snelle bouwmethode met geprefabriceerde elementen. Vermoedelijk liet men zich inspireren door de in 1955 gebouwde Sint-Laurentiuskapel in Lokeren, ontworpen door de Kortrijkse architect Jan Windels. Deze kapel behaalde de eerste prijs in een nationale architectuurwedstrijd voor het gebruik van hout en werd voorgesteld op de tentoonstelling Le bois, l’ami de l’homme in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel.
De structuur bestond uit een uitzonderlijk houten gebinte van noordelijke rode spar, opgebouwd uit grote paraboolvormige bogenConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. van gelijmd gelamelleerd hout (glulam). De volledige constructie werd geprefabriceerd in de ateliers van Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene. De kapel in Watermaal-Bosvoorde was vrijwel identiek aan deze in Lokeren en werd in slechts vier maanden tijd opgetrokken. Net als haar tegenhanger in Lokeren wordt ze gekenmerkt door een dubbele articulatie aan de basis en rust ze op betonnen funderingen. De structuur is geprefabriceerd en opgebouwd uit twee delen die aan de nokNok, hoogste punt van iets (nok of top). Nokbedekking, afdekking van de nok. met elkaar verbonden zijn. De gordingen verbinden de spanten, terwijl een beschot van rood sparrenhout met tand- en groefverbindingen het gewelf vormt. Een verschil betrof de positie van de klokkentoren: in Lokeren bevond deze zich centraal aan de ingang, terwijl deze in Watermaal-Bosvoorde rechts van de kapel stond en vrijstaand was. De toren werd echter in 1978 op bevel van de burgemeester afgebroken.
Beschrijving
Het paraboolvormige gebouw heeft een ruitvormig grondplan van 15 bij 24 meter en ligt gedeeltelijk verzonken in een talud. Het is toegankelijk via een trappartij. Rechts bevond zich oorspronkelijk de klokkentoren.
De gelamelleerde houten spanten (glulams) rusten op ondiepe betonnen paalfunderingen. Oorspronkelijk werd het gebouw omgeven door gebakeliseerde panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. op een gemetste, zwart geteerde plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.. In 1963 werden de zijwanden, inclusief de plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., bekleed met een geel bakstenen parementGevel- of muurbekleding..
De voorgevel wordt gekenmerkt door een grote glaspartij waarin, met behulp van geel gekleurd glas, een kruisvorm is aangebracht. In de zijgevels bevinden zich horizontale vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters., met glasdallen met enkele kleuraccenten.
De glulam en het oorspronkelijke schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... aan de voorgevel zijn wit geschilderd. De dakbedekking bestond oorspronkelijk uit rode roofing, maar werd later vervangen door groen gekleurde golfplaten.
Het interieur bestaat uit één grote ruimte. Aan weerszijden van het inkomsas bevonden zich oorspronkelijk twee biechtstoelen, die inmiddels vervangen zijn door schuifwanden. Achteraan bevindt zich het altaar op een podium, met rechts de sacristie en links een berging. Deze opstelling werd in de loop der jaren aangepast: het podium werd vergroot met een centrale uitbouw en er werden bijkomende houten panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. achter het altaar geplaatst.
In het interieur zijn de glulams niet geschilderd. Tussen het latwerk van het plafond werden rieten matten aangebracht.
Motivering erfgoedwaarden
Historische waarde
De kapel is representatief voor een naoorlogse, tijdelijk kerkgebouw. Na de Tweede Wereldoorlog brak een periode van dynamiek en vernieuwing aan, waarin de kerk haar werking aanpaste aan de moderne samenleving.
Binnen het Gewest vormt de kapel een zeldzaam voorbeeld van het snelbouwprincipe met nieuwe geprefabriceerde bouwcomponenten van de Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene.
Daarnaast heeft ze een belangrijke contextuele waarde binnen de ontwikkeling van de Nederlandstalige parochiale werking in de wijk Bezemhoek in Watermaal-Bosvoorde.
Artistieke waarde
De kapel is representatief voor het naoorlogs modernismeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. en heeft een aanzienlijk deel van haar integriteit en authenticiteit behouden. Het gebouw vertoont een bijzondere expressiviteit.
Het bouwwerk is kenmerkend voor het oeuvre van architect Jan Windels, die een gelijkaardige kapel in Lokeren ontwierp die bekroond werd met een architectuurprijs. Beide gebouwen nemen een bijzondere plaats in binnen zijn werk.
Sociale waarde
De kapel is een representatief voorbeeld van een naoorlogse gebedsruimte die deel uitmaakt van de lokale gemeenschapsvoorzieningen. Ze vervulde een belangrijke rol voor de Nederlandstalige geloofsgemeenschap van de Wijk Bezemhoek, die afhankelijk was van de kerkfabriek van de Sint-Clemenskerk.
Technische waarde
De kapel illustreert een innovatieve bouwtechniek met gelijmde gelamelleerde houten spanten (glulam), vervaardigd in de ateliers van Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene.
Bronnen
Archieven
GAWB/DS 15581 (1956); 17873 (1963)
Publicaties
DEVOS, R., Een nieuw imago voor een bekend materiaal. De promotie en
toepassing van hout als modern constructiemateriaal in Brussel. In: Ruimtelijke
Ordening aan de orde. Akten van colloquia. Engineering Erfgoed. 150 jaar
structuurinnovatie in Brussel. Studiedag van 7 juni 2011, georganiseerd
door de VUB, de ULB en het CIVA, Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest, Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting, Brussel, 2011, pp. 31–36.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid


















