Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
Ontwerper(s)
Willy VAN DER MEEREN – architect – 1968-1973
Anita VAN DAMME – schilder – 1968-1973
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Inventaris van het Hedendaags Erfgoed (Urbat - 1994)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed 1939-1999 (ULB)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Sociaal Moeilijk te onderscheiden van de volkskundige waarde en over het algemeen onvoldoende om een selectie op zichzelf te rechtvaardigen. - herinneringsplaats van een gemeenschap of van van een sociale groep (bijvoorbeeld de bedevaartskapel op het Kerkplein in Sint-Agatha-Berchem, “de Oude Linde” in Boendael te Elsene); - een plaats met volkssymboliek (bijvoorbeeld het café het “Goudblommeke in papier” in de Cellebroersstraat); - een plaats waar een wijk samenkomt of gestructureerd is (bijvoorbeeld De gebouwen “Fer à Cheval”- in de Floréal tuinwijk); - een goed dat deel uitmaakt van of bestaat uit openbare voorzieningen (scholen, crèches, gemeenschaps- of parochiezalen, sporthallen, stadions, enz.); - goed of ensemble (al dan niet sociale huisvesting) ontworpen om sociale interactie, wederzijdse hulp en buurtcohesie te stimuleren (bijvoorbeeld de woonwijken die na de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd in Ganshoren of de wijken die speciaal voor ouderen werden ontworpen); - goed dat deel uitmaakt van een industrieel complex dat een aanzienlijke activiteit heeft gegenereerd in de gemeente waar het zich bevindt of in het Gewest.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Bejaardentehuis in functionalistische stijl, ontworpen door architect Willy Van Der Meeren op initiatief van de Commissie voor Openbare Onderstand (C.O.O.) van Evere, 1960.
Het bejaardentehuis werd gebouwd in 1968-1973 op een terrein dat de C.O.O. had aangekocht van de coöperatieve vereniging voor sociale huisvesting Ieder Zijn Huis. Het is opgedragen aan een voormalig schepen van Evere, Roger Decamps, die samen met Maurice Eechout en Eugène Moreau voorzitter was van de C.O.O.
Er verstrijken meerdere jaren tussen het ontwerp van het project en de start van de bouw in oktober 1968. De bouw kent diverse moeilijkheden (faillissement van de aannemer, onbekwaamheid van de projectleider, enz.) en wordt pas in 1973 voltooid.
W. Van Der Meeren ontwerpt een gebouw met een T-vormige plattegrond, aangevuld met een U-vormige patio die ruimte biedt voor een kleine tuin. Vanaf 1969 vult hij dit volume aan met een dienstwoning rechts van de hoofdingang, evenals met een tweede patio.
BeschrijvingGebouw op een driehoekig perceel dat wordt omsloten door de Zaventemstraat, de Galgelaan en de Oleandergaard.
T-vormige plattegrond, bestaande uit twee verspringende vleugels, onderbroken door een loodrecht geplaatst dienstgedeelte. Het gebouw telt vijf verdiepingen en een kelder en is opgetrokken rond een betonnen skelet. De voor- en achtergevels zijn elk verschillend uitgewerkt, afhankelijk van de indeling en de functie van de binnenruimtes. Rekening houdend met de omgeving besloot de architect alle leefruimtes (de slaapkamers) ruim open te richten naar het zuidoosten, met uitzicht op de tuin, terwijl de meer gesloten circulatie- en dienstruimtes aan de zijde van de Zaventemstraat werden geplaatst, met uitzicht op de begraafplaats van de Stad Brussel.
Exterieur:
Aan de kant van de Zaventemstraat worden de gevels aan weerszijden van het dienstgebouw gekenmerkt door horizontale banden met grijze aluminium gevelbekleding, gescheiden door smalle stroken met ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn.. Op de begane grond bevindt zich rechts de hoofdingang, onder een luifelAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak. zonder bijzondere afwerking.
De gevels van het dienstgebouw en zijgevels zijn opgetrokken in baksteen, waarbij de zichtbare betonnen skeletconstructie duidelijk afleesbaar blijft. Hoge raamstroken versterken het verticale karakter.
Aan de kant van de Oleandergaarde wisselen over de volledige hoogte samengestelde traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met raampanelen af met bakstenen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) voorzien van smalle rechthoekige ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met een omlijsting in reliëfbeton (schietgaten). Volgens de oorspronkelijke geveltekeningen was het onderste deel van de raamkozijnen ondoorzichtig uitgevoerd met witte beglazing. Op de begane grond en de bovenste verdieping bevinden zich uitstekende rechthoekige volumes in een frame van ruw beton. Aan elk uiteinde van de vleugel, ter hoogte van de trappenhuizenGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht., bevindt zich een traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in ruw beton met fantasierijke uitsparingen, waarvan sommige voorzien zijn van glas-in-loodramen met geometrische vormen in felle kleuren, vermoedelijk ontworpen door de Belgische kunstenares Anita VAN DAMME (1933 – 2014), voor wie Van Der Meeren in 1962 een atelier ontwierp.
Het geheel van de gevels wordt geaccentueerd door een brede betonnen band die de plastische eenheid van de bakstenen wanden versterkt.
De raamkozijnen waren oorspronkelijk grotendeels van hout, met uitzondering van enkele hoger gelegen exemplaren in metaal. Het merendeel werd in 2014-2015 vervangen door PVC-ramen, naar ontwerp van W. Van Der Meeren. Op de begane grond bleven de oorspronkelijke ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. behouden, met name ter hoogte van de hoofdingang.
Rechts van de hoofdingang bevindt zich de voormalige dienstwoning (1969): een klein rechthoekig gebouw van één bouwlaag met een plat dak, opgetrokken in baksteen en afgewerkt met een betonnen band, in dezelfde stijl als het hoofdgebouw. Een betonnen schutting zorgt ervoor dat de woning vanaf de ingang van het complex aan het zicht onttrokken blijft
Interieur:
In de gangen is de wand tussen de twee rijen ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. bovenaan en ter hoogte van de vloer bekleed met aluminium panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting., waarvan er één rij de radiatoren verbergt. De vloeren zijn in granitoBedekking met veelkleurige (marmer)stukjes, gebed in cementmortel, die na verharding glanzend wordt geschuurd.. De scheidingsmuren tussen de gangen en de kamers zijn in baksteen. De dragende betonconstructie blijft zichtbaar.
Op de eerste, tweede en derde verdieping bevinden zich de slaapkamers, terwijl de vierde verdieping oorspronkelijk bestemd was voor een dokterspraktijk, een ziekenboeg en het appartement van de directeur. Op de begane grond bevonden zich vier appartementen met sanitair, bestemd voor koppels, evenals een eetzaal, een woonkamer, een kapsalon, enz. In alle slaapkamers was oorspronkelijk houten lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … voorzien, die inmiddels verdwenen is..
In het centrale blok en in de zijvleugels bevinden zich sculpturale trappen in beton en granitoBedekking met veelkleurige (marmer)stukjes, gebed in cementmortel, die na verharding glanzend wordt geschuurd., voorzien van een leuning in metaal en hout, typerend voor de jaren 1960-1970. In het dienstengedeelte bevinden zich de trap, de badkamers en de liften.
Vanaf de begane grond is er toegang tot de patio’s: twee U-vormige ruimtes onder een plat dak die een binnentuin omsluiten. De gevels zijn in baksteen met een frame van ruw beton. Grote ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn., waarvan de oorspronkelijke houten kozijnenSamenstel van stijlen en regels, geplaatst in een venster- of deuropening, waarin de ramen en/of deuren zijn gevat. recent door PVC-ramen zijn vervangen. In de bakstenen geveldelen bevinden zich schietgaten met een omlijsting in reliëfbeton, vergelijkbaar met die van de zuidoostgevel.
Het oorspronkelijke meubilair is verdwenen. In sommige kamers bleven prefab houten inbouwkasten bewaard, bestaande uit een wastafel en een kledingkast met schuifdeuren. Deze werden vermoedelijk ontworpen door W. Van Der Meeren, die eveneens actief was als meubelontwerper.
Waardestelling
Artistieke waarde
Het goed is een bijzonder representatiefDe representativiteit verwijst naar het feit dat het onroerend goed een of meer significante kenmerken heeft in vergelijking met andere onroerende goederen in dezelfde categorie (bijvoorbeeld een typologie): het moet een “goed voorbeeld” zijn dat tal van betekenisvolle kenmerken in zich verenigt. De representativiteit van een goed wordt geëvalueerd in functie van zijn geografische context (lokaal, regionaal, nationaal), zijn chronologische context (is betekenisvol in de sociale, religieuze, politieke, industriële of wetenschappelijke geschiedenis, in de esthetiek), zijn historische architecturale context (bijvoorbeeld, het vertaalt op significante wijze een kenmerk van een desbetreffend tijdperk. Net als voor het bepalen van de zeldzaamheid, is het voor de representativiteit noodzakelijk het goed te vergelijken met andere goederen die tot dezelfde categorie behoren. Een onroerend goed kan representatief zijn voor een bepaalde stijl, typologie, stedenbouwkundig concept of het oeuvre van de ontwerper, enz. en geslaagd voorbeeld van de functionalistische architectuur, gekenmerkt door een ontwerp dat wordt geleid door het functionele aspect (de vorm is de uitdrukking van de functie), in totale breuk met historische stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. en/of overbodige ornamentenNiet-zelfstandig sierelement om een voorwerp of gebouw op te luisteren., en door het gebruik van beton (een materiaal dat een grotere weerstand, duurzaamheid en onderhoudsgemak biedt dan traditionelePeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. materialen).
Het pand is bijzonder kenmerkend voor de architectuur van Willy Van Der Meeren, die zichzelf als functionalist omschreef. Het gebouw heeft een vereenvoudigde structuur met een relatief compacte T-vormige plattegrond, zodat de horizontale loopafstanden zo kort mogelijk zijn, rekening houdend met de eisen van het programma. Elk materiaal vervult een functie: baksteen voor het grootste deel van de wanden; beton voor de horizontale elementen en de portieken1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. (structuur); glas voor de langwerpige ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. langs de circulatieruimtes en vierkante ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. voor de slaapkamers, hout voor de kozijnenSamenstel van stijlen en regels, geplaatst in een venster- of deuropening, waarin de ramen en/of deuren zijn gevat. (die inmiddels grotendeels zijn vervangen). De buitenhuid, teruggebracht tot enkele verticale hoofdlijnen en horizontale wanden, weerspiegelt de indeling van het interieur en draagt volledig bij aan het architectonische karakter van het geheel. Het gebouw wekt zo een bijzonder interessant effect door zijn minimalistische esthetiek, die de decoratieve eigenschappen van de gebruikte materialen benut.
Trouw aan de modernistischeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. visie is Van Der Meeren geen voorstander van ornamentenNiet-zelfstandig sierelement om een voorwerp of gebouw op te luisteren., en dat komt duidelijk tot uiting in het gebouw, waar de binnenafwerking zeer sober en rudimentair is. Aangezien Van Der Meeren meubelontwerper was, is het zeer waarschijnlijk dat hij zelf de prefab houten inbouwkasten in de slaapkamers heeft ontworpen, die niet alleen esthetisch zijn, maar ook bedoeld zijn om de schoonmaak- en onderhoudswerkzaamheden tot een minimum te beperken.
In de trappenhuizenGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. zijn sommige van de vrijgevormde ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. voorzien van glas-in-loodramen met geometrische vormen en felle kleuren van de kunstenaar A. Van Damme, die doen denken aan de invloed van abstracte kunstenaars uit de jaren vijftig. Het gebruik van deze hier en daar aangebrachte felle kleuraccenten is typerend voor de architectuur van Van Der Meeren.
Het pand heeft zijn authenticiteitDe authenticiteit van een goed wordt beoordeeld op basis van de overeenstemming van de huidige staat met de oorspronkelijke staat. Een goed is authentiek als het plan, de vorm, het concept, de functie, de technieken, de materialen, de decoratie van de interne elementen overeenstemmen met een betekenisvolle, beduidende of kenmerkende staat. Het kan zijn dat een goed een natuurlijke aftakeling heeft ondergaan of een transformatie (bijvoorbeeld vervanging van het schrijnwerk – ramen in het bijzonder, vervanging van winkelpuien) en toch conform blijft aan zijn oorspronkelijke staat (zgn. bewaarde structurele continuïteit). Een goed is authentiek als het oorspronkelijke concept en de functie nog steeds leesbaar zijn (bijvoorbeeld een industrieel complex dat herbestemd is). De transformatie kan dan als een element van zijn geschiedenis worden beschouwd. We moeten bijgevolg de eventuele integratie van waardevolle elementen in de loop van de geschiedenis van het gebouw evalueren. behouden, aangezien er sinds de bouw eind jaren zestig weinig wijzigingen zijn aangebracht.
Historische waarde
In het oeuvre van W. Van Der Meeren behoort de bouw van de Residentie R. Decamps tot de projecten uit de jaren 1960 die worden beschouwd als zijn meest inventieve en geslaagde creaties (talrijke overeenkomsten in de architectuur van deze verschillende realisaties en die van de residentie in Evere: functioneel volume onder een plat dak, in baksteen en met een betonnen structuur, grote ramen).
Sociale waarde
De architect heeft bijzondere aandacht besteed aan de menselijke dimensie van het project door comfortabele en geruststellende omstandigheden te creëren die het fysieke en mentale welzijn van de bewoners bevorderen. Dit aspect wordt met name versterkt door de intieme sfeer van de patio’s (binnentuinen). Maatschappelijke betrokkenheid is eveneens kenmerkend voor het werk van W. Van Der Meeren.
Stedenbouwkundige waarde
Het pand vormt een opvallend en bijzonder kwalitatief element van het stadsbeeld.
Bronnen
Archieven
GAE/DS 8139 (1960), 8496 (1969), 8511 (1969), 2015-26-10 (2014-2015).
Publicaties en studies
Basyn, J. -M. (dir.), Brutalisme, Bruxelles, CFC-Éditions, Bruxelles, 2026, pp. 38, 49.
Bekaert, G., Strauven, F., Bouwen in België 1945-1970, Bruxelles, 1971, pp. 360-363.
De Kooning, M., « Willy Van Der Meeren », Vlees en Beton, 21-24, s. l., 1993, s.p.
Habitat social, modernisme et vie communautaire. Exposition réalisée par SCL « Germinal », SCL « Le Home Familial Bruxellois », SC « Ieder zijn Huis », du 06.03 au 03.04.1998, Evere, un village, un quartier (coll.), Ed. resp. P. Muylle, 1998.
Tijdschriften
Philippon, J., Histoire des rues, places et lieux-dits d’Evere (26e partie) : la lettre « V » (suite et fin), les lettres « W » et « Z », Cercle d’histoire et de folklore d’Evere asbl, 57, 2012, p. 47
Opmerkelijke bomen in de nabijheid











