Typologie(ën)
architectenwoning
Ontwerper(s)
Georges HOBÉ – architect – 1913
Stijlen
Beaux-Artsstijl
Inventaris(sen)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Elsene (DMS-DML - 2005-2015)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2007-2009
id
Urban : 18808
Beschrijving
Huis in Beaux-ArtsstijlPeriode: 1905-1930 De Beaux-Artsarchitectuur is een academische en internationale bouwstijl waarvan de belangrijkste uitgangspunten voortkomen uit de zeer invloedrijke École des Beaux-Arts in Parijs, opgericht in de 19e eeuw. In Brussel ontwikkelt de stijl zich vanaf 1905 en sluit hij aan bij het eclecticisme en bij de tendens om terug te grijpen naar de grote Franse Louis-stijlen van de 18e eeuw – classicerend barok (Lodewijk XIV), rococo (Lodewijk XV) en neoclassicisme (Lodewijk XVI) – onder invloed van de wereldtentoonstelling van Parijs in 1900. De voorkeur voor het Franse academisme ontwikkelt zich in Brussel aanvankelijk via belangrijke realisaties die koning Leopold II toevertrouwt aan architect Charles Girault, die hij in Parijs ontmoet tijdens de wereldtentoonstelling. Voorbeelden zijn de uitbreidingen van het Paleis van Laken, de bouw van het Museum van Tervuren, de arcade van het Jubelpark en de gaanderij-promenade op de dijk van Oostende. Daarna komt deze hernieuwde belangstelling voor de grote Franse stijlen ook tot uiting in talrijke Brusselse woonwijken. De Beaux-Artsstijl komt vooral tot zijn recht in herenhuizen, burgerwoningen, luxueuze appartementsgebouwen, maar ook – en vooral – in prestigieuze semipublieke gebouwen (hotels, banken, bedrijfszetels), waaraan de stijl een respectabele en vertrouwenwekkende uitstraling verleent. Kenmerkend zijn gevels in (imitatie) witsteen en/of rode of oranjekleurige baksteen, versierd met elementen ontleend aan de Franse stijlen van de 18e eeuw, zoals guirlandes, mascarons alsook smeedijzeren borstweringen en deuren. De architectuur onderscheidt zich door een monumentale uitstraling, gerealiseerd door het intensieve gebruik van Franse natuursteen en door het benadrukken van hoek- en inkomtraveeën, die vaak worden uitgewerkt als een rotonde met koepel. Ook de plattegrond evolueert. De traditionele indeling met drie opeenvolgende vertrekken, kenmerkend voor woningen uit de 19e en het begin van de 20e eeuw, wordt aangepast om meer daglicht binnen te trekken. Dat gebeurt onder meer door het gebruik van daklichten, relatief lage plafonds en een flexibelere circulatie binnen het huis., eigen woning van architect Georges Hobé, 1913.
Drie bouwlagen in witsteen, bekroond met topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. geflankeerd door op barokPeriode: 17e eeuw De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken en tussen licht en schaduw. In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde: uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke orden, toortsen en putti. De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen, deuromlijstingen). Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.). geïnspireerde volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer.. In tweede bouwlaag bow-windowErker (afk. Engels, van bow: buiging, en window: venster) die door haar gebogen vorm integrerend deel uitmaakt van de gevel en de achterliggende ruimte., bekroond met terras met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. voor drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere.. Benedenverdieping met doorlopende schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren.. Alle venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met stenen stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. en tussendorpelStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt.. Verdiepingen tussen Ionische pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. SmeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… deur met centraal motief: letter ‘H' in ovaal. MansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. en ijzerwerkVerzameling van alle metalen elementen van een gebouw. bewaard.
Interieur
Opmerkelijk ruimtelijk concept. Rijkelijke lichtinval. Indrukwekkend centraal trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. met bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden.. Hobé besteedde grote zorg aan de decoratie van zijn huis. Hij gebruikte gerecupereerde elementen, zoals keramische tegels en gebrandschilderde ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn.. In de trappaalHoofdbaluster aan de eerste trede van een trap. integreerde hij een houten beeld van een vrouw op een sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. gedateerd met 1725.
Op bewaarlijst 05.06.1997
Bronnen
Archieven
GAE/DS 116-54.
Publicaties en studies
BOVY, Ph., Vers l'Ermitage, Gemeente Elsene, Brussel, 2002 (À la découverte de l'histoire d'Ixelles, 9), p. 24.
Monument et sites protégés, éd. Mardaga, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 1999, p. 149.

























