Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
vrijmetselaarsloge
Ontwerper(s)
Fernand BODSON – architect – 1934
Louis VAN HOOVELD – architect – 1934
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Modernisme
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Elsene (DMS-DML - 2005-2015)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2007-2009
id
Urban : 18810
Beschrijving
Vrijmetselaarsloge in modernistischeHet modernisme duidt
elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel
van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als
de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond,
eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat
dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële
materialen zoals gewapend beton, staal, glas).
Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken,
drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot
rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere
volumes en sterk gereduceerde decoratie.
Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden.
Modernisme van het interbellum
Periode: ca. 1920 – 1940
In Brussel is het modernisme van het interbellum
soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral
in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt
geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale
gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat
uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende
rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde
horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op
het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl.
Naoorlogs modernisme
Periode: ca. 1940 – 1960
Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende
karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek
(eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas
het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en
toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze
architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in
het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd
in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen
benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak
als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning
(met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op
het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie,
aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt.
Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd
Periode: ca. 1950 – 1965
Het ludiek modernisme of
de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke
woningen in die periode figureerden),
dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is
een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de
jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960.
De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het
functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren,
die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels,
boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige
motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert
graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste
structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de
kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen
zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot
succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950
worden ontwikkeld.
Laat modernisme
Periode: ca. 1970-1980
Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de
mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme
zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden
(rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie
van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de
structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes
verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen
met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar
inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties
staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken
(blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere
kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden
ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken
lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en
gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand
van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen
(rookglas).
Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien
als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast
op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode
waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich
tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan
het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak
wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie
van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse
klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. stijl, architect Fernand Bodson en Louis Van Hooveld, 1934.
Gebouwd voor de gemengde en progressieve vrijmetselaarsloge Le Droit Humain, op het terrein van de voormalige Ecole de l'Ermitage – eerste school opgericht door Ovide Decroly (Ronse, 1871 – Ukkel, 1932) in 1907. In 1984 opende het Archives de l'Architecture Moderne hier een studiecentrum. In 1995 verwierf de instelling definitief het gebouw met de steun van de Franse Gemeenschap. Deze liet het in 2000-2001 tot Musée d'Architecture verbouwen door architect Elie Levy, bijgestaan door het agentschap Ekla.
Oorspronkelijk bestond het gebouw alleen maar uit een benedenverdieping onder een hellend dak en terugspringende verdieping. In 1955 werd het verhoogd met een tussenverdiepingLage verdieping tussen twee bouwlagen; vaak boven commerciële benedenverdieping gelegen. en een verdieping door architect H. Duquesne.
Gevel met twee bouwlagen; afgerond op hoek met Paul Spaakstraat. Hardstenen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.; gevel in okeren baksteen; brede kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Breed witstenen kordonUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels. tussen benedenverdieping en tussenverdiepingLage verdieping tussen twee bouwlagen; vaak boven commerciële benedenverdieping gelegen.. Op benedenverdieping massieve portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. met dubbele houten vleugeldeur met kleine venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. in een diepe opening omlijst met drie bakstenen uitsprongen; rechts geflankeerd door vensterregisterDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. in vijf verdeeld door stenen stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust..
Interieur
Aankleding breekt met gangbare traditie van de loges in neo-EgyptischeDe neo-Egyptische stijl in Brussel behoort tot de meer exotische neostijlen die in de loop van de 19e eeuw opkwamen binnen het oriëntalistische en eclecticistische discours. Zoals ook de Moorse stijl getuigt zij niet enkel van een fascinatie voor het verleden – zoals de meeste neostijlen – maar evenzeer voor vreemde, als oosters gepercipieerde culturen. In tegenstelling tot vele andere neostijlen speelt hier bovendien een uitgesproken mystieke en esoterische dimensie, wat onder meer blijkt uit het gebruik van Egyptische symboliek in vrijmetselaarstempels. De belangstelling voor het oude Egypte kent in feite twee heroplevingen. Een eerste golf volgt op de expeditie van Napoleon Bonaparte naar Egypte (1798–1801) en de publicatie van de monumentale Description de l’Égypte (1809–1828). Deze fascinatie vertaalt zich aanvankelijk niet in een volwaardige neo-Egyptische stijl, maar in Egyptiserende motieven binnen de empirestijl. Het gaat hier dus om een vroege, geïntegreerde herinterpretatie eerder dan om een autonome neostijl. Een tweede heropleving manifesteert zich vanaf het midden van de 19e eeuw, wanneer het bonapartisme – onder Napoleon III – opnieuw maatschappelijk aanvaardbaar wordt en nieuwe ontdekkingsreizen en archeologische campagnes de kennis van het oude Egypte aanzienlijk uitbreiden. In deze context ontwikkelt zich de eigenlijke neo-Egyptische stijl. In België, en meer bepaald in Brussel, blijft zij echter zeldzaam en verschijnt zij vooral sporadisch en decoratief. De stijl blijft een marginale maar symbolisch geladen expressievorm, vaker toegepast in funeraire, militaire of representatieve context dan in grootschalige architectuur. Kenmerkend zijn massieve volumes en gesloten gevelvlakken, licht aflopende muren, pylonvormige toegangen, lotus-, papyrus- en palmkapitelen, Egyptische zuilen met kelkvormige kapitelen, en decoratieve motieven zoals hiërogliefen, gevleugelde zonneschijven, scarabeeën en cartouches. Symmetrie en monumentaliteit staan centraal, vaak versterkt door polychromie of het gebruik van oker- en zandtinten. In Brussel gaat het doorgaans om eclectische integraties van Egyptische motieven binnen neoclassicistische, art-nouveau- of funeraire gehelen. In grafarchitectuur symboliseert de stijl eeuwigheid en transcendentie, verwijzend naar Egypte als bakermat van de doodscultus. Daarnaast duiken Egyptische elementen op in theaterarchitectuur, interieurdecoratie (zoals cafés en tentoonstellingspaviljoenen) en in vrijmetselaarscontext. De neo-Egyptische stijl in Brussel vormt zo een specifieke uitdrukking van oriëntalistisch eclecticisme, waarin archeologische kennis, exotische verbeelding en symbolische projectie samenkomen. In de 20e eeuw leeft deze vormentaal voort binnen de art deco, waar Egyptische motieven opnieuw verschijnen, onder meer in bioscopen en in de decoratieve kunsten van het interbellum. stijl. Bodson en Van Hooveld vermijden elke verwijzing naar de stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. van het verleden. De geometrische onderverdeling van de ruimtes en haar elementen staan hier op. Deze soberheid wordt verder – en door beperkte financiële middelen – verwezenlijkt met een bescheiden materiaalgebruik: granitovloer met zwarte randen in mozaïek, eenvormig geschilderde muren en schaars gebruik van gevernist hout. De hal (vroeger het voorhof tot de tempel) heeft in haar mozaïekvloer twee sober uitgevoerde vrijmetselaarssymbolen: winkelhaak-passer en driehoek van Pythagoras. Een vleugeldeur in gevernist hout opent naar de tempel (thans de toonzaal ‘F. Bodson'). Het gaat om een rechthoekige ruimte van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) geritmeerd door sobere pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. De vloer – thans bedekt met parket – bestond oorspronkelijk uit een zwart-okeren dambordpatroon dat het verloop van het ritueel diende. De tempel is traditioneelPeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. naar het Oosten gericht waar zich het podium bevindt dat voordien was voorzien van glasramen met vrijmetselaarssymbolen.
Gebouwd voor de gemengde en progressieve vrijmetselaarsloge Le Droit Humain, op het terrein van de voormalige Ecole de l'Ermitage – eerste school opgericht door Ovide Decroly (Ronse, 1871 – Ukkel, 1932) in 1907. In 1984 opende het Archives de l'Architecture Moderne hier een studiecentrum. In 1995 verwierf de instelling definitief het gebouw met de steun van de Franse Gemeenschap. Deze liet het in 2000-2001 tot Musée d'Architecture verbouwen door architect Elie Levy, bijgestaan door het agentschap Ekla.
Oorspronkelijk bestond het gebouw alleen maar uit een benedenverdieping onder een hellend dak en terugspringende verdieping. In 1955 werd het verhoogd met een tussenverdiepingLage verdieping tussen twee bouwlagen; vaak boven commerciële benedenverdieping gelegen. en een verdieping door architect H. Duquesne.
Gevel met twee bouwlagen; afgerond op hoek met Paul Spaakstraat. Hardstenen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.; gevel in okeren baksteen; brede kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Breed witstenen kordonUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels. tussen benedenverdieping en tussenverdiepingLage verdieping tussen twee bouwlagen; vaak boven commerciële benedenverdieping gelegen.. Op benedenverdieping massieve portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. met dubbele houten vleugeldeur met kleine venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. in een diepe opening omlijst met drie bakstenen uitsprongen; rechts geflankeerd door vensterregisterDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. in vijf verdeeld door stenen stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust..
Interieur
Aankleding breekt met gangbare traditie van de loges in neo-EgyptischeDe neo-Egyptische stijl in Brussel behoort tot de meer exotische neostijlen die in de loop van de 19e eeuw opkwamen binnen het oriëntalistische en eclecticistische discours. Zoals ook de Moorse stijl getuigt zij niet enkel van een fascinatie voor het verleden – zoals de meeste neostijlen – maar evenzeer voor vreemde, als oosters gepercipieerde culturen. In tegenstelling tot vele andere neostijlen speelt hier bovendien een uitgesproken mystieke en esoterische dimensie, wat onder meer blijkt uit het gebruik van Egyptische symboliek in vrijmetselaarstempels. De belangstelling voor het oude Egypte kent in feite twee heroplevingen. Een eerste golf volgt op de expeditie van Napoleon Bonaparte naar Egypte (1798–1801) en de publicatie van de monumentale Description de l’Égypte (1809–1828). Deze fascinatie vertaalt zich aanvankelijk niet in een volwaardige neo-Egyptische stijl, maar in Egyptiserende motieven binnen de empirestijl. Het gaat hier dus om een vroege, geïntegreerde herinterpretatie eerder dan om een autonome neostijl. Een tweede heropleving manifesteert zich vanaf het midden van de 19e eeuw, wanneer het bonapartisme – onder Napoleon III – opnieuw maatschappelijk aanvaardbaar wordt en nieuwe ontdekkingsreizen en archeologische campagnes de kennis van het oude Egypte aanzienlijk uitbreiden. In deze context ontwikkelt zich de eigenlijke neo-Egyptische stijl. In België, en meer bepaald in Brussel, blijft zij echter zeldzaam en verschijnt zij vooral sporadisch en decoratief. De stijl blijft een marginale maar symbolisch geladen expressievorm, vaker toegepast in funeraire, militaire of representatieve context dan in grootschalige architectuur. Kenmerkend zijn massieve volumes en gesloten gevelvlakken, licht aflopende muren, pylonvormige toegangen, lotus-, papyrus- en palmkapitelen, Egyptische zuilen met kelkvormige kapitelen, en decoratieve motieven zoals hiërogliefen, gevleugelde zonneschijven, scarabeeën en cartouches. Symmetrie en monumentaliteit staan centraal, vaak versterkt door polychromie of het gebruik van oker- en zandtinten. In Brussel gaat het doorgaans om eclectische integraties van Egyptische motieven binnen neoclassicistische, art-nouveau- of funeraire gehelen. In grafarchitectuur symboliseert de stijl eeuwigheid en transcendentie, verwijzend naar Egypte als bakermat van de doodscultus. Daarnaast duiken Egyptische elementen op in theaterarchitectuur, interieurdecoratie (zoals cafés en tentoonstellingspaviljoenen) en in vrijmetselaarscontext. De neo-Egyptische stijl in Brussel vormt zo een specifieke uitdrukking van oriëntalistisch eclecticisme, waarin archeologische kennis, exotische verbeelding en symbolische projectie samenkomen. In de 20e eeuw leeft deze vormentaal voort binnen de art deco, waar Egyptische motieven opnieuw verschijnen, onder meer in bioscopen en in de decoratieve kunsten van het interbellum. stijl. Bodson en Van Hooveld vermijden elke verwijzing naar de stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. van het verleden. De geometrische onderverdeling van de ruimtes en haar elementen staan hier op. Deze soberheid wordt verder – en door beperkte financiële middelen – verwezenlijkt met een bescheiden materiaalgebruik: granitovloer met zwarte randen in mozaïek, eenvormig geschilderde muren en schaars gebruik van gevernist hout. De hal (vroeger het voorhof tot de tempel) heeft in haar mozaïekvloer twee sober uitgevoerde vrijmetselaarssymbolen: winkelhaak-passer en driehoek van Pythagoras. Een vleugeldeur in gevernist hout opent naar de tempel (thans de toonzaal ‘F. Bodson'). Het gaat om een rechthoekige ruimte van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) geritmeerd door sobere pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. De vloer – thans bedekt met parket – bestond oorspronkelijk uit een zwart-okeren dambordpatroon dat het verloop van het ritueel diende. De tempel is traditioneelPeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. naar het Oosten gericht waar zich het podium bevindt dat voordien was voorzien van glasramen met vrijmetselaarssymbolen.
Bronnen
Archieven
GAE/DS 116-86.
AAM/Fonds Fernand Bodson.
Publicaties en studies
BOVY, Ph., Vers l'Ermitage, Gemeente Elsene, Brussel, 2002 (À la découverte de l'histoire d'Ixelles, 9), pp. 25-26.
CULOT, M., VAN LOO, A., Musée des Archives d'Architecture Moderne, AAM, Brussel, 1986.
HAINAUT, E., La loge, Rue de l'Ermitage à Bruxelles, Du temple au Musée, AAM, Brussel, 2002.
Tijdschriften
SCHAFFERS, I., ‘Les Archives d'Architecture Moderne', Maison d'Hier et d'Aujourd'hui, 134, 2002, pp. 26-28.
Websites
AAM
Opmerkelijke bomen in de nabijheid






















