Typologie(ën)
burgerwoning
Ontwerper(s)
Pol ONGENAE – ingenieur-architect – 1920-1924
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Beaux-Artsstijl
Art nouveau
Inventaris(sen)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Sint-Lambrechts-Woluwe (Apeb - 2010-2012)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2010-2012
id
Urban : 21126
Beschrijving
Groot burgerhuis in Beaux-ArtsstijlPeriode: 1905-1930
De Beaux-Artsarchitectuur is een academische en internationale bouwstijl
waarvan de belangrijkste uitgangspunten voortkomen uit de zeer invloedrijke École
des Beaux-Arts in Parijs, opgericht in de 19e eeuw. In Brussel ontwikkelt
de stijl zich vanaf 1905 en sluit hij aan bij het eclecticisme en bij de
tendens om terug te grijpen naar de grote Franse Louis-stijlen van de
18e eeuw – classicerend barok (Lodewijk XIV), rococo (Lodewijk XV) en
neoclassicisme (Lodewijk XVI) – onder invloed van de wereldtentoonstelling van
Parijs in 1900.
De voorkeur voor het Franse academisme ontwikkelt zich in Brussel aanvankelijk
via belangrijke realisaties die koning Leopold II toevertrouwt aan architect
Charles Girault, die hij in Parijs ontmoet tijdens de wereldtentoonstelling.
Voorbeelden zijn de uitbreidingen van het Paleis van Laken, de bouw van het
Museum van Tervuren, de arcade van het Jubelpark en de gaanderij-promenade op
de dijk van Oostende. Daarna komt deze hernieuwde belangstelling voor de grote
Franse stijlen ook tot uiting in talrijke Brusselse woonwijken.
De Beaux-Artsstijl komt vooral tot zijn recht in herenhuizen, burgerwoningen,
luxueuze appartementsgebouwen, maar ook – en vooral – in prestigieuze
semipublieke gebouwen (hotels, banken, bedrijfszetels), waaraan de stijl een
respectabele en vertrouwenwekkende uitstraling verleent. Kenmerkend zijn gevels
in (imitatie) witsteen en/of rode of oranjekleurige baksteen, versierd met
elementen ontleend aan de Franse stijlen van de 18e eeuw, zoals guirlandes,
mascarons alsook smeedijzeren borstweringen en deuren. De architectuur
onderscheidt zich door een monumentale uitstraling, gerealiseerd door het
intensieve gebruik van Franse natuursteen en door het benadrukken van hoek- en
inkomtraveeën, die vaak worden uitgewerkt als een rotonde met koepel. Ook de
plattegrond evolueert. De traditionele indeling met drie opeenvolgende
vertrekken, kenmerkend voor woningen uit de 19e en het begin van de 20e eeuw,
wordt aangepast om meer daglicht binnen te trekken. Dat gebeurt onder meer door
het gebruik van daklichten, relatief lage plafonds en een flexibelere
circulatie binnen het huis. met invloeden van art nouveauPeriode: 1890 – 1914
De art
nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en
1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de
academische kunst van de 19e eeuw nastreeft.
In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis
Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar
(1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie
opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er
daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens
de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op
de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover
plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het
gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen
komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met
vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen
en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt
toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen,
sociale woningen en handelszaken.
Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en
welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit
uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen
minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking
van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot
een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid
met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien
door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen,
mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt
de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij
vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming
uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek
ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters., het resultaat van de grondige verbouwing en de uitbreiding in 1920 en 1924 van een bestaand gebouw door zijn eigenaar, ingenieur-architect Pol Ongenae.
Drie bouwlagen en twee gelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), elk met een ronde bekroning onder doorlopende kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. SimiliBepleistering ter imitatie van natuursteen. gevel met hardstenen elementen. OnderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. met elementen in breuksteenMetselwerk bestaande uit brokken onregelmatige natuursteen. (grès de la Gileppe).
Elk van de traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op de verdiepingen is gevat in een korfboogvormige arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn.. Per twee gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. muuropeningen onder doorlopende archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog. op de benedenverdieping; inrijpoort rechts. Op de linkertravee, glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. van de eerste verdieping achter klein balkon met postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering.. Borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van het vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. op de tweede verdieping versierd met een mozaïekpaneel met plantenmotief. Op de rechtertravee, erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. met bolle zijvlakken bekroond door een terras met postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering.. SmeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… beglaasde deur. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... met bovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. en glas-in-loodramen. SmeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… traliewerk in art-nouveaustijl met vlindermotieven. Bijpassend ijzerwerkVerzameling van alle metalen elementen van een gebouw. van de voetenschraper.
Drie bouwlagen en twee gelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), elk met een ronde bekroning onder doorlopende kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. SimiliBepleistering ter imitatie van natuursteen. gevel met hardstenen elementen. OnderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. met elementen in breuksteenMetselwerk bestaande uit brokken onregelmatige natuursteen. (grès de la Gileppe).
Elk van de traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op de verdiepingen is gevat in een korfboogvormige arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn.. Per twee gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. muuropeningen onder doorlopende archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog. op de benedenverdieping; inrijpoort rechts. Op de linkertravee, glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. van de eerste verdieping achter klein balkon met postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering.. Borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van het vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. op de tweede verdieping versierd met een mozaïekpaneel met plantenmotief. Op de rechtertravee, erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. met bolle zijvlakken bekroond door een terras met postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering.. SmeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… beglaasde deur. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... met bovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. en glas-in-loodramen. SmeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… traliewerk in art-nouveaustijl met vlindermotieven. Bijpassend ijzerwerkVerzameling van alle metalen elementen van een gebouw. van de voetenschraper.
Bronnen
Archieven
GASLW/DS 1401 (1920-1924).
Opmerkelijke bomen in de nabijheid




























