Typologie(ën)
architectenwoning
Ontwerper(s)
Oscar LAUWERS – architect – 1911
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Eclectisme
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Schaarbeek (Apeb - 2010-2015)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Landschappelijk Een landschap is een gebied, zoals waargenomen door de mens, waarvan het karakter het resultaat is van ondernomen actie en interactie van natuurlijke en/of menselijke factoren. Het is een schaalbegrip bestaande uit verschillende (erfgoed)componenten, die elk, al of niet hun intrinsieke waarde hebben, maar alles samen tot een groter meerwaardegeheel verheffen én dat dit ook zo word gepercipieerd vanop een bepaalde afstand. Wijde stadspanorama’s zijn het landschap bij uitstek, denk bijvoorbeeld aan het zicht over de benedenstad van Brussel vanop het Koningsplein, maar ook op kleinere schaal kunnen dergelijke landschappen die uit verschillende componenten zijn samengesteld voorkomen.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2013-2014
id
Urban : 22697
Beschrijving
Voormalige persoonlijke woning van architect Oscar Lauwers, in eclectischePeriode: ca. 1840-1914.
Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit
verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen
historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt
zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de
grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850
ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot
dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en
rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor
eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl,
ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en
daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de
industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om
flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke
voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich
zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen,
fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het
eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van
Brussel (de Brusselse voorsteden).
In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt
gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de
middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een
religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit
voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance
symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die
manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te
weerspiegelen.
In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en
herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen
met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer,
keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor
te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel,
erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken,
zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken.
De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en
tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis:
een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het
burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs
ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap,
vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en
soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas).
De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt:
een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie
bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één
brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt
in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend
met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een
driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of
bow-windows.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de
stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele
straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert
in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade
of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van
een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd
door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen
dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde
stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel.
De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische
stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de
polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in
uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk,
uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en
stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door
elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk,
soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters
in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art
nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale
motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten
elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz.
Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de
Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog
lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden
verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren
uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen
gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als
laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische
woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen
geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of
regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met art-nouveau-inslagPeriode: 1890 – 1914
De art
nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en
1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de
academische kunst van de 19e eeuw nastreeft.
In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis
Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar
(1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie
opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er
daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens
de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op
de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover
plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het
gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen
komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met
vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen
en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt
toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen,
sociale woningen en handelszaken.
Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en
welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit
uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen
minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking
van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot
een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid
met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien
door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen,
mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt
de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij
vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming
uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek
ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters., 1911. Gesigneerd op de sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. “OSCAR / LAUWERS / ARCHITECTE”. De gevel behaalde de bronzen medaille in de gevelwedstrijd die de gemeente Schaarbeek in 1911-1912 organiseerde.
Einde van een bijzonder homogene huizenrij, beginnend op nr. 114.
Opstand van vier bouwlagen, de laatste als attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt., en één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op de verdiepingen. Bakstenen gevel met elementen in hardsteen op de benedenverdieping en witsteen op de verdiepingen. Twee drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. op de benedenverdieping, rechts met ingewerkte deur. Verdiepingen gevat in een gekoofdeConvex gebogen lijst. arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. met gebroken boogrugBuitenwelfvlak; buitenste kromming van een boog; wanneer deze boog getrapt is, spreekt men van een hanenkam. onder archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog.. Op de eerste verdieping, geflankeerd door smalle venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., houten erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. vervangen door een gemetselde erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. in 1958; borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met guirlandeGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. . Op de erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld., terras voor een T-vormige glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. met twee monelenStenen vensterstijl.; smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. bewaard, medaillonsRonde of ovale cartouche. op de borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. verwijderd. Op het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel., zwikkenHoekstuk tussen een boog en de omlijsting waarin de boog gevat is. versierd met bas-reliëfs van een liggende man en vrouw, houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op gecanneleerdeParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster. stenen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met discus. AttiekverdiepingVerdieping (soms halve verdieping), gelegen net boven de kroonlijst of als terugspringende hoogste verdieping van een gebouw. met vijf venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., het centrale als dakvensterUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. waarvan het gewelfde frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. is verwijderd; de laterale pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. waren oorspronkelijk voorzien van een medaillonRonde of ovale cartouche. en vormden een acroterie voor een gebeeldhouwde arend. Bewaarde deur met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… traliewerk. RaamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. vervangen naar oorspronkelijk ontwerp. Tuinhek bewaard.
Einde van een bijzonder homogene huizenrij, beginnend op nr. 114.
Opstand van vier bouwlagen, de laatste als attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt., en één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op de verdiepingen. Bakstenen gevel met elementen in hardsteen op de benedenverdieping en witsteen op de verdiepingen. Twee drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. op de benedenverdieping, rechts met ingewerkte deur. Verdiepingen gevat in een gekoofdeConvex gebogen lijst. arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. met gebroken boogrugBuitenwelfvlak; buitenste kromming van een boog; wanneer deze boog getrapt is, spreekt men van een hanenkam. onder archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog.. Op de eerste verdieping, geflankeerd door smalle venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., houten erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. vervangen door een gemetselde erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. in 1958; borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met guirlandeGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. . Op de erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld., terras voor een T-vormige glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. met twee monelenStenen vensterstijl.; smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. bewaard, medaillonsRonde of ovale cartouche. op de borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. verwijderd. Op het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel., zwikkenHoekstuk tussen een boog en de omlijsting waarin de boog gevat is. versierd met bas-reliëfs van een liggende man en vrouw, houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op gecanneleerdeParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster. stenen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met discus. AttiekverdiepingVerdieping (soms halve verdieping), gelegen net boven de kroonlijst of als terugspringende hoogste verdieping van een gebouw. met vijf venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., het centrale als dakvensterUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. waarvan het gewelfde frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. is verwijderd; de laterale pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. waren oorspronkelijk voorzien van een medaillonRonde of ovale cartouche. en vormden een acroterie voor een gebeeldhouwde arend. Bewaarde deur met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… traliewerk. RaamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. vervangen naar oorspronkelijk ontwerp. Tuinhek bewaard.
Bronnen
Archieven
GAS/DS 87-152.
GAS/Bulletin communal de Schaerbeek, Rapport sur la situation de l'Administration, exercice 1911-1912, 1912, pp. 138-139.
Publicaties en studies
GEMEENTE SCHAARBEEK, Concours de façades, manuscript bewaard in het lokaal fonds van het Huis der Kunsten van Schaarbeek.
Tijdschriften
Album de la Maison Moderne, jg. 4, pl. 22.
GAS/DS 87-152.
GAS/Bulletin communal de Schaerbeek, Rapport sur la situation de l'Administration, exercice 1911-1912, 1912, pp. 138-139.
Publicaties en studies
GEMEENTE SCHAARBEEK, Concours de façades, manuscript bewaard in het lokaal fonds van het Huis der Kunsten van Schaarbeek.
Tijdschriften
Album de la Maison Moderne, jg. 4, pl. 22.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid



























































