Typologie(ën)
woning of opbrengsthuis (onbepaald)
gelijkvloers met handelszaak
gelijkvloers met handelszaak
Ontwerper(s)
INCONNU - ONBEKEND – 1866
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Neoclassicisme
Inventaris(sen)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016
id
Urban : 32346
Beschrijving
Twee reeksen van respectievelijk vier en twee gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. enkelhuizen volgens
repeterend schema, in neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840.
Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar
Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en
verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk
de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de
Eerste Wereldoorlog opduiken.
In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het
18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het
neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na
de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de
samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een
aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel.
Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie
bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met
drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden
bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een
nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de
proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel,
los van de achterliggende structuur.
Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde
belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de
opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand
Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud,
rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo.
De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele
herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en
praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme
gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven
uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel
lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde
pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte”
stad.
Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht
gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt
symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms
steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een
toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en
bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons
en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek
geïnspireerde hoofdgestel.
Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal:
pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen.
Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In
prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren
borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer.
In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige
stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen
en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie
en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn
het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de
Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt
(1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot
Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving
van de vroegere stadspoorten.
Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor
monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze
instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien
talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt
vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende
dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of
vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen
vormentaal. stijl, waarvoor bouwaanvraag van 1866.
Drie bouwlagen en elk twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. RepresentatiefDe representativiteit verwijst naar het feit dat het onroerend goed een of meer significante kenmerken heeft in vergelijking met andere onroerende goederen in dezelfde categorie (bijvoorbeeld een typologie): het moet een “goed voorbeeld” zijn dat tal van betekenisvolle kenmerken in zich verenigt. De representativiteit van een goed wordt geëvalueerd in functie van zijn geografische context (lokaal, regionaal, nationaal), zijn chronologische context (is betekenisvol in de sociale, religieuze, politieke, industriële of wetenschappelijke geschiedenis, in de esthetiek), zijn historische architecturale context (bijvoorbeeld, het vertaalt op significante wijze een kenmerk van een desbetreffend tijdperk. Net als voor het bepalen van de zeldzaamheid, is het voor de representativiteit noodzakelijk het goed te vergelijken met andere goederen die tot dezelfde categorie behoren. Een onroerend goed kan representatief zijn voor een bepaalde stijl, typologie, stedenbouwkundig concept of het oeuvre van de ontwerper, enz. voorbeeld van de basisbebouwing in deze wijk. BepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en beschilderde lijstgevels met getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. bovenvensters op kordonvormende lekdrempels met profiel, en hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met casementenfries. Rechthoekige deur in de linkertravee; ernaast oorspronkelijk vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. of winkelraam, in «klassieke» omlijsting in nr. 4, heden meestal gewijzigd.
Drie bouwlagen en elk twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. RepresentatiefDe representativiteit verwijst naar het feit dat het onroerend goed een of meer significante kenmerken heeft in vergelijking met andere onroerende goederen in dezelfde categorie (bijvoorbeeld een typologie): het moet een “goed voorbeeld” zijn dat tal van betekenisvolle kenmerken in zich verenigt. De representativiteit van een goed wordt geëvalueerd in functie van zijn geografische context (lokaal, regionaal, nationaal), zijn chronologische context (is betekenisvol in de sociale, religieuze, politieke, industriële of wetenschappelijke geschiedenis, in de esthetiek), zijn historische architecturale context (bijvoorbeeld, het vertaalt op significante wijze een kenmerk van een desbetreffend tijdperk. Net als voor het bepalen van de zeldzaamheid, is het voor de representativiteit noodzakelijk het goed te vergelijken met andere goederen die tot dezelfde categorie behoren. Een onroerend goed kan representatief zijn voor een bepaalde stijl, typologie, stedenbouwkundig concept of het oeuvre van de ontwerper, enz. voorbeeld van de basisbebouwing in deze wijk. BepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en beschilderde lijstgevels met getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. bovenvensters op kordonvormende lekdrempels met profiel, en hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met casementenfries. Rechthoekige deur in de linkertravee; ernaast oorspronkelijk vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. of winkelraam, in «klassieke» omlijsting in nr. 4, heden meestal gewijzigd.
Bronnen
Archieven
SAB/OW 10080.

























