Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
kerk/kathedraal/basiliek
Ontwerper(s)
Stijlen
Barok
Inventaris(sen)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016
id
Urban : 36908
Beschrijving
Voormalige
kerk van het Groot Begijnhof. Reeds vóór de stichting van het begijnhof, midden
13e eeuw, bevond zich hier een kapel van Onze-Lieve-Vrouw ten Wijngaard,
waarover verder geen gegevens bekend. Eind 13e-begin 14e eeuw oprichting van
een driebeukige basilicale kerk met kruisingstoren. In 1579 geplunderd en in
1584 gedeeltelijk afgebroken op last van het protestantse stadsbestuur, doch
vanaf 1585-1586 tot in eerste helft 17e eeuw wederopgebouwd. Eerstesteenlegging
van de huidige barokkerk in 1657, inwijding in 1676. Mogelijk werd de oude
gotischeDe
Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige
neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de
geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na
1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes
en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een
religieuze, ideologische als nationale dimensie.
De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme
en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden
uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de
stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de
overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware
christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa.
Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl
naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen,
kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen.
De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de
oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en
materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek;
spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen,
soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen
en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met
religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en
het expressieve karakter van de constructie.
Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in
neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste
Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden.
De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch
geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als
restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis,
Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl
(vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven
worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster
en de Sint-Magdalenakerk, Jette).
De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische
revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad
mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de
religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair,
smeedwerk). kerk geleidelijk gesloopt naargelang de nieuwbouw vorderde en werden
fundamenten en zelfs zuilbases van schip en viering en delen van de
koorsluiting hergebruikt. Studie van de inwendige ornamentiek levert
stilistische groepen op die mogelijk opeenvolgende bouwfasen aangeven:
koorabsis; middenschip en zijbeuken; transept met zijkapellen; koortravee en
zijkoren. Bouw kort onderbroken in 1667 en vermoedelijk pas beëindigd tegen
eind 17e-begin 18e eeuw. Toevoeging
van twee portalen1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). in de kruising van schip en transept in 1770.
Het Groot Begijnhof werd opgeheven in 1797; Sint-Jan-Baptistkerk in 1801 opnieuw voor de eredienst opengesteld als hulpkerk van de Finistereparochie. Algehele restauratie van het exterieur van 1845 tot 1881, vanaf 1866 onder leiding van architect Louis De Curte, waarbij grondige vernieuwing van het parementGevel- of muurbekleding. voornamelijk met Franse kalksteen. Restauratie van het interieur in project vanaf 1897, uitgevoerd ca. 1904 onder leiding van architect A. Capronnier, waarbij decaperen en gedeeltelijk herbepleisteren (imitatie-natuursteen) met vrijlaten van natuurstenen delen en bakstenen gewelfvakken. Hernieuwde restauratie van het exterieur, naar plannen van architect V.G. Martiny van 1952-1953, beëindigd ca. 1980, waarbij vernieuwing van het parementGevel- of muurbekleding. met Massangis.
De Sint-Jan-Baptistkerk behoort stilistisch tot de groep kerken in volplastische Italo-Vlaamse barokPeriode: 17e eeuw De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken en tussen licht en schaduw. In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde: uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke orden, toortsen en putti. De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen, deuromlijstingen). Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.). uit tweede helft 17e eeuw, gekenmerkt door het decoratief gebruik van de architecturale vormentaal in combinatie met een overvloedige sculpturale ornamentering, met verticaliserend en scenografisch effect. Architect onbekend, diverse ontleningen aan belangrijke vroeger en gelijktijdig opgetrokken barokkerken evenwel duidelijk aanwijsbaar. Naast reminiscenties aan de nog doorlevende gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). bouwtraditie in plattegrond, opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. en overwelving, en zekere anomalieën in de constructie - wellicht mede ingegeven door het hergebruik van de fundamenten van de oude gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). kerk - vertoont zij een aanzet tot combinatie van het longitudinale en het centrale aanlegschema, door verwijding van zijbeuken en kruisingspartij. De plattegrond ontvouwt een Latijns kruis met basilicaal driebeukig schip van zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), transept met ten westen zijkapellen, koor van één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met halfronde sluiting en minder diep gelegen halfronde sluiting van de zijbeuken. Een toren op zeshoekige plattegrond leunt tegen het koor aan, geflankeerd door sacristieën.
Alle gevels vertonen een parementGevel- of muurbekleding. van natuursteen; gecombineerde leien bedaking.
MonumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. westgevel met drie naar boven toe versmallende geledingen, telkens horizontaal gemarkeerd door een hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel., en bekroond met een driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. Verticale indeling overeenkomstig de inwendige schikking, in drie geaccentueerde partijen met afwijkend proportiesysteem. Hoog oprijzende, geïsoleerde middenpartij met driedeling en klemtoon op de middenas. Zijpartij en karakterisitiek afgewerkt met afzonderlijke geveltoppen in plaats van de meer gebruikelijke klimmende volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer.. Eerste geleding ingedeeld door composiete pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., drieledig ter markering van de middenpartij, gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. op de hoeken, op hoge sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.. Centraal monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule).: brede rondboogpoort in geprofileerde kwartholle omlijsting op neuten met imposten en vlakke sluitstenenSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. waarboven gevleugeld engelenhoofd en neerhangende draperieën in de zwikkenHoekstuk tussen een boog en de omlijsting waarin de boog gevat is.. Flankerende composiete zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. ondersteunen een hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met spiegel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. en inschrift “AEDIFICATUM 1664 - RESTAURATUM 1856” (gebouwd 1664 - gerestaureerd 1856), en geblokte rondboognis tussen volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. met festoenenGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. , vuurvazen, engelenhoofd en cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd.; erboven een ruim gebroken frontonFronton waarvan het middendeel is doorbroken.. Heilige Beggabeeld door H. Sterckx (1855) in de nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld.. Gebeeldhouwde vleugeldeur van hout en ijzer door J.-G. Buckens (1858). Zijtravee met spiegel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. en centraal rondboogvenster in geblokte omlijsting bekroond met engelenhoofd en festoenenGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. in gebroken driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.; stafwerkOrnament, bestaande uit een pijp-, riet- of koordvormige vulling van cannelures tot op een derde van hun hoogte., getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. en cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. op de borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Halfverheven reliëfs respectievelijk met voorstelling van de Hof van Olijven en het Laatste Avondmaal door H. Sterckx (1858), naar verloren originelen. Middenpartij van tweede geleding met driedeling door composiete driekwartzuilen en pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.; centraal rondboogvenster in geblokte omlijsting met gebroken frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. en aan weerszijden panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting.. Flankerende geveltoppen van zijpartijen, gevormd door zware volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. en booglijst met topstukken, waarbinnen oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster.; hoekpostamenten met vuurvaas. Bovenste volplastische topgeleding met oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. tussen dubbele pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met engelenhoofd, volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. en hoekpostamenten met kandelabers; bekronend driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. met topstukken, kruis en vuurvazen.
Verticaal geritmeerde muren van beuken, transept en koor met steunberen waarop volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer.; horizontale geleding door sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., platte banden, kordonsUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels. en daklijst. Rondboogvensters in geprofileerde omlijsting met vlakke sleutelSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. en waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.; ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met ijzeren harnas. BlindeZonder opening; blind venster, schijnopening. toognissen sieren de borstwering onder de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. van de eerste geleding. BovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. van de hoofdbeuk aan het zicht onttrokken door het zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. van de zijbeuken. Overgang van zijbeuken naar transept door zijkapellen met lantaarn1. Bovenste, opengewerkte bekroning van een dakkoepel of toren; schrijlings op nok van een dak gelegen wordt het dakruiter genoemd. - 2. Lichtbron met glazen ruiten. en ingesnoerde peerspits. Hardstenen portalen1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). in Lodewijk XV-stijl voorzien van schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. in de kruising: vierkante plattegrond met afgeronde hoeken, spiegelboogdeur met geprofileerde kwartholle omlijsting en ijzeren waaierWaaiervormige roedeverdeling van een bovenlicht, in houtsnijwerk of in smeedijzer., ritmerende pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. waartussen panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. met schijfmotief, hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. en bekronende cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. met jaartal 1770; steenhouwerswerk; ten noorden gedicht. Transeptgevels met hoog rondboogvenster gevat in monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. geblokte en geriemde omlijsting met orenUitstekend deel van sommige bouwelementen of -constructies, meestal louter decoratief.; bekronende spiegel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting., schelp, frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. en topstuk, en borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met guirlandeGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. op paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. gemarkeerd door Ionische pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Vijfzijdige koorsluiting en lagere halfrond gesloten zijkoren. Toren met zeszijdige plattegrond en twee duidelijk door entablementenHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. gemarkeerde hoofdgeledingen. Onderste geleding bezet met Ionische hoekpilasters en belijnd met waterlijstenVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.; oostelijke traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met achtereenvolgens blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld., rondboogvenster, oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster., cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. en toogvenster. De bovenste geleding wordt gevormd door een opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. lantaarn1. Bovenste, opengewerkte bekroning van een dakkoepel of toren; schrijlings op nok van een dak gelegen wordt het dakruiter genoemd. - 2. Lichtbron met glazen ruiten., met aan de zes zijden een rondboogopening en een oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster.. De hoekpilasters van de benedenbouw zetten zich voort in balustersVaasvormige spijl van een borstwering. waarop zeszijdige schoorpijlers met topstuk. Zeszijdige helm + kruis.
Sacristieën van één bouwlaag onder afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. zadeldakenDak met twee hellende dakvlakken.; vlak omlijste toogvensters met waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen. en deur met entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. en bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden.. Ten noorden aanleunende bakstenen muur waarin hergebruikte, barokke hardstenen poortomlijsting : geblokte rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. met neuten, imposten en sluitsteenSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. onder waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen. (17e eeuw).
Harmonieus en monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. kerkinterieur. Indruk van grootsheid voornamelijk gewekt door hoogte, geringe traveebreedte van schip, brede zijbeuken en ruime kruising. Gematigde barokke vormgeving met gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). structuur-reminiscenties. Contrast tussen natuursteen en imitatie-natuursteenbepleistering, en gedecapeerde bakstenen gewelfvakken als gevolg van laatste restauratie (ca. 1904). Bevloering met dambordpatroon waarin grafstenen (15e tot 18e eeuw). Tweeledige opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. in driebeukig schip, transept en koor, gemarkeerd door een breed omlopend hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. voorzien van blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. nissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. met volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. en booglijst. Halfronde scheibogen gedragen door ronde zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met eenvoudige kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen.: eier-, parel- en acanthuslijst onder de dekplaatNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen., en geprofileerde basis; gevleugelde engelenhoofden in de zwik- en, met barokPeriode: 17e eeuw De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken en tussen licht en schaduw. In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde: uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke orden, toortsen en putti. De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen, deuromlijstingen). Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.). puttikarakter (derde kwart 17e eeuw) in het schip, klassieke allure (laatste kwart 17e – eerste kwart 18e eeuw?) in transept en koor. Composiete bundelzuilen in de kruising. Hooggeplaatste bovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. in geprofileerde omlijsting met imposten, sleutelSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. en waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.. Zijbeuken met identieke vensters en bovendien nissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. waarin heiligenbustes (derde kwart 17e eeuw); muurpilasters. Ruime transeptvensters in barokke cartouche-omlijsting. Overwelving van schip, zijbeuken en transeptarmen door gedrukte zesdelige kruisribgewelven gescheiden door brede gordelbogen met casementversiering; van kruising, koortravee en zijkoren door stergewelven; transeptkapellen met straalgewelf en kleine koepelBolvormig gewelf op cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige basis. waarin stucreliëf. Halfronde koorabsis met tweeledige opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. overkluisd door een vijfdelig gewelf gescheiden door brede ribben eveneens met casementversiering die rusten op composiete pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.; blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. muurnissen en entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. met rankwerkVersiering bestaande uit een buigzame, slingerende tak, versierd met lofwerk.; medaillonsRonde of ovale cartouche. met trofeeënNabootsing van oorlogs- of jachttrofeeën die oorspronkelijk werden opgehangen; later veelal als zuiver decoratief motief gebruikt met dezelfde onderwerpen of uitgebreid met zinnebeelden van de kunsten, de ambachten,… in stuc (eind 18e eeuw) onderaan; astravee met Maria Tenhemelopneming in stuc (eind 17e-begin 18e eeuw) in eerste geleding en Sint-Jan de Doperbeeld door A.J. Feyens (1840) in de lichtbeuk. Zij-absiden met driedelige overkluizing. Sacristie met twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met kruisriboverwelving en casementgordels op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. en klassieke lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, ….
Mobilair
Verzameling schilderijen, waarvan de belangrijkste nog afkomstig uit de oude begijnhofkerk, uit 17e en 18e eeuw. Aanbidding der Herders (eind 16e eeuw) door A. Van Noort; belangrijk ensemble: Piëta (begin 17e eeuw), Bevrijding van Heilige Petrus (ca. 1620), Heilige Drievuldigheid met Heilige Maagd en Heilige Johannes de Doper (1623), Aanbidding der Wijzen (ca. 1624), Virgo inter Virgines (1626) en Annunciatie (eerste helft 17e eeuw) door T. Van Loon; Gekruisigde Christus tussen Heilige Maagd, Heilige Johannes en Heilige Maria-Magdalena (tweede helft 17e eeuw) door C. De Crayer; Heilige Begga (eerste kwart 17e eeuw); vier Evangelisten (begin 18e eeuw) door K. Eyckens; Koningin Clotilde voor H. Leonard van Noblac (begin 18e eeuw) toegeschreven aan V. Janssens; Marteling van Heilige Erasmus (18e eeuw).
Beeldhouwwerken waarvan een belangrijk deel geïntegreerd in het architecturaal decor, met name de reeks van veertien stenen heiligenbustes: H. Johannes de Doper, H. Arnoldus van Soissons, H. Gislenus, H. Felix van Cantalice, H. Clara van Assisi, H. Maria-Magdalena en H. Gertrudis van Nijvel toegeschreven aan T. De Lelis, H. Wivina, H. Jozef, H. Antonius van Padua, H. Laurentius, H. Barbara, H. Catharina van Alexandrië en H. Cecilia van Rome (derde kwart 17e eeuw) in de zijbeuken en twee stenen bustes: Christus en H. Maagd (begin 18e eeuw) in het koor; beschilderde stenen Graflegging (eind 16e-17e eeuw); stenen Christus op de koude steen (17e eeuw); houten Aaron en Melchisedech (ca. 1767) door W. Pompe; geklede houten H. Maagd (18e eeuw); marmeren epitaaf van Hendrik van Dongelberghe en Adriana Borluut (1627); plaasteren kruisweg (1862) door J.-G. Geefs en J.-J. Van Ysendijck.
ClassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. marmeren hoofdaltaar en eiken doksaal (laatste kwart 18e eeuw; afkomstig uit de abdij van Kortenberg); barokPeriode: 17e eeuw De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken en tussen licht en schaduw. In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde: uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke orden, toortsen en putti. De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen, deuromlijstingen). Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.). marmeren en beschilderd houten Onze-Lieve-Vrouwaltaar en beschilderd houten Sint-Rochusaltaar (eerste helft 17e eeuw); marmeren zij-altaren (midden 19e eeuw); orgelkast (1839-1840) door J.J. Van Hooi afkomstig van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Alsemberg en orgel (1868) door H. Vermeersch; eiken régence-preekstoel met beeld van H. Dominicus (1757?; afkomstig uit de dominicanenkerk te Mechelen) door L.-J. Parant; zes eiken barokke biechtstoelen (begin 18e eeuw); marmeren doopvont (18e eeuw); Lodewijk XV-koorbanken (tweede helft 18e eeuw; afkomstig uit de abdij van Vorst); gesmeed ijzeren communiebank (18e eeuw).
Het Groot Begijnhof werd opgeheven in 1797; Sint-Jan-Baptistkerk in 1801 opnieuw voor de eredienst opengesteld als hulpkerk van de Finistereparochie. Algehele restauratie van het exterieur van 1845 tot 1881, vanaf 1866 onder leiding van architect Louis De Curte, waarbij grondige vernieuwing van het parementGevel- of muurbekleding. voornamelijk met Franse kalksteen. Restauratie van het interieur in project vanaf 1897, uitgevoerd ca. 1904 onder leiding van architect A. Capronnier, waarbij decaperen en gedeeltelijk herbepleisteren (imitatie-natuursteen) met vrijlaten van natuurstenen delen en bakstenen gewelfvakken. Hernieuwde restauratie van het exterieur, naar plannen van architect V.G. Martiny van 1952-1953, beëindigd ca. 1980, waarbij vernieuwing van het parementGevel- of muurbekleding. met Massangis.
De Sint-Jan-Baptistkerk behoort stilistisch tot de groep kerken in volplastische Italo-Vlaamse barokPeriode: 17e eeuw De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken en tussen licht en schaduw. In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde: uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke orden, toortsen en putti. De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen, deuromlijstingen). Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.). uit tweede helft 17e eeuw, gekenmerkt door het decoratief gebruik van de architecturale vormentaal in combinatie met een overvloedige sculpturale ornamentering, met verticaliserend en scenografisch effect. Architect onbekend, diverse ontleningen aan belangrijke vroeger en gelijktijdig opgetrokken barokkerken evenwel duidelijk aanwijsbaar. Naast reminiscenties aan de nog doorlevende gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). bouwtraditie in plattegrond, opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. en overwelving, en zekere anomalieën in de constructie - wellicht mede ingegeven door het hergebruik van de fundamenten van de oude gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). kerk - vertoont zij een aanzet tot combinatie van het longitudinale en het centrale aanlegschema, door verwijding van zijbeuken en kruisingspartij. De plattegrond ontvouwt een Latijns kruis met basilicaal driebeukig schip van zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), transept met ten westen zijkapellen, koor van één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met halfronde sluiting en minder diep gelegen halfronde sluiting van de zijbeuken. Een toren op zeshoekige plattegrond leunt tegen het koor aan, geflankeerd door sacristieën.
Alle gevels vertonen een parementGevel- of muurbekleding. van natuursteen; gecombineerde leien bedaking.
MonumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. westgevel met drie naar boven toe versmallende geledingen, telkens horizontaal gemarkeerd door een hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel., en bekroond met een driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. Verticale indeling overeenkomstig de inwendige schikking, in drie geaccentueerde partijen met afwijkend proportiesysteem. Hoog oprijzende, geïsoleerde middenpartij met driedeling en klemtoon op de middenas. Zijpartij en karakterisitiek afgewerkt met afzonderlijke geveltoppen in plaats van de meer gebruikelijke klimmende volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer.. Eerste geleding ingedeeld door composiete pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., drieledig ter markering van de middenpartij, gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. op de hoeken, op hoge sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.. Centraal monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule).: brede rondboogpoort in geprofileerde kwartholle omlijsting op neuten met imposten en vlakke sluitstenenSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. waarboven gevleugeld engelenhoofd en neerhangende draperieën in de zwikkenHoekstuk tussen een boog en de omlijsting waarin de boog gevat is.. Flankerende composiete zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. ondersteunen een hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met spiegel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. en inschrift “AEDIFICATUM 1664 - RESTAURATUM 1856” (gebouwd 1664 - gerestaureerd 1856), en geblokte rondboognis tussen volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. met festoenenGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. , vuurvazen, engelenhoofd en cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd.; erboven een ruim gebroken frontonFronton waarvan het middendeel is doorbroken.. Heilige Beggabeeld door H. Sterckx (1855) in de nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld.. Gebeeldhouwde vleugeldeur van hout en ijzer door J.-G. Buckens (1858). Zijtravee met spiegel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. en centraal rondboogvenster in geblokte omlijsting bekroond met engelenhoofd en festoenenGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. in gebroken driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.; stafwerkOrnament, bestaande uit een pijp-, riet- of koordvormige vulling van cannelures tot op een derde van hun hoogte., getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. en cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. op de borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Halfverheven reliëfs respectievelijk met voorstelling van de Hof van Olijven en het Laatste Avondmaal door H. Sterckx (1858), naar verloren originelen. Middenpartij van tweede geleding met driedeling door composiete driekwartzuilen en pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.; centraal rondboogvenster in geblokte omlijsting met gebroken frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. en aan weerszijden panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting.. Flankerende geveltoppen van zijpartijen, gevormd door zware volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. en booglijst met topstukken, waarbinnen oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster.; hoekpostamenten met vuurvaas. Bovenste volplastische topgeleding met oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. tussen dubbele pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met engelenhoofd, volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. en hoekpostamenten met kandelabers; bekronend driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. met topstukken, kruis en vuurvazen.
Verticaal geritmeerde muren van beuken, transept en koor met steunberen waarop volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer.; horizontale geleding door sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., platte banden, kordonsUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels. en daklijst. Rondboogvensters in geprofileerde omlijsting met vlakke sleutelSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. en waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.; ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met ijzeren harnas. BlindeZonder opening; blind venster, schijnopening. toognissen sieren de borstwering onder de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. van de eerste geleding. BovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. van de hoofdbeuk aan het zicht onttrokken door het zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. van de zijbeuken. Overgang van zijbeuken naar transept door zijkapellen met lantaarn1. Bovenste, opengewerkte bekroning van een dakkoepel of toren; schrijlings op nok van een dak gelegen wordt het dakruiter genoemd. - 2. Lichtbron met glazen ruiten. en ingesnoerde peerspits. Hardstenen portalen1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). in Lodewijk XV-stijl voorzien van schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. in de kruising: vierkante plattegrond met afgeronde hoeken, spiegelboogdeur met geprofileerde kwartholle omlijsting en ijzeren waaierWaaiervormige roedeverdeling van een bovenlicht, in houtsnijwerk of in smeedijzer., ritmerende pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. waartussen panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. met schijfmotief, hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. en bekronende cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. met jaartal 1770; steenhouwerswerk; ten noorden gedicht. Transeptgevels met hoog rondboogvenster gevat in monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. geblokte en geriemde omlijsting met orenUitstekend deel van sommige bouwelementen of -constructies, meestal louter decoratief.; bekronende spiegel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting., schelp, frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. en topstuk, en borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met guirlandeGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. op paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. gemarkeerd door Ionische pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Vijfzijdige koorsluiting en lagere halfrond gesloten zijkoren. Toren met zeszijdige plattegrond en twee duidelijk door entablementenHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. gemarkeerde hoofdgeledingen. Onderste geleding bezet met Ionische hoekpilasters en belijnd met waterlijstenVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.; oostelijke traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met achtereenvolgens blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld., rondboogvenster, oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster., cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. en toogvenster. De bovenste geleding wordt gevormd door een opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. lantaarn1. Bovenste, opengewerkte bekroning van een dakkoepel of toren; schrijlings op nok van een dak gelegen wordt het dakruiter genoemd. - 2. Lichtbron met glazen ruiten., met aan de zes zijden een rondboogopening en een oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster.. De hoekpilasters van de benedenbouw zetten zich voort in balustersVaasvormige spijl van een borstwering. waarop zeszijdige schoorpijlers met topstuk. Zeszijdige helm + kruis.
Sacristieën van één bouwlaag onder afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. zadeldakenDak met twee hellende dakvlakken.; vlak omlijste toogvensters met waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen. en deur met entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. en bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden.. Ten noorden aanleunende bakstenen muur waarin hergebruikte, barokke hardstenen poortomlijsting : geblokte rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. met neuten, imposten en sluitsteenSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. onder waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen. (17e eeuw).
Harmonieus en monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. kerkinterieur. Indruk van grootsheid voornamelijk gewekt door hoogte, geringe traveebreedte van schip, brede zijbeuken en ruime kruising. Gematigde barokke vormgeving met gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). structuur-reminiscenties. Contrast tussen natuursteen en imitatie-natuursteenbepleistering, en gedecapeerde bakstenen gewelfvakken als gevolg van laatste restauratie (ca. 1904). Bevloering met dambordpatroon waarin grafstenen (15e tot 18e eeuw). Tweeledige opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. in driebeukig schip, transept en koor, gemarkeerd door een breed omlopend hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. voorzien van blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. nissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. met volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. en booglijst. Halfronde scheibogen gedragen door ronde zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met eenvoudige kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen.: eier-, parel- en acanthuslijst onder de dekplaatNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen., en geprofileerde basis; gevleugelde engelenhoofden in de zwik- en, met barokPeriode: 17e eeuw De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken en tussen licht en schaduw. In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde: uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke orden, toortsen en putti. De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen, deuromlijstingen). Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.). puttikarakter (derde kwart 17e eeuw) in het schip, klassieke allure (laatste kwart 17e – eerste kwart 18e eeuw?) in transept en koor. Composiete bundelzuilen in de kruising. Hooggeplaatste bovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. in geprofileerde omlijsting met imposten, sleutelSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. en waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.. Zijbeuken met identieke vensters en bovendien nissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. waarin heiligenbustes (derde kwart 17e eeuw); muurpilasters. Ruime transeptvensters in barokke cartouche-omlijsting. Overwelving van schip, zijbeuken en transeptarmen door gedrukte zesdelige kruisribgewelven gescheiden door brede gordelbogen met casementversiering; van kruising, koortravee en zijkoren door stergewelven; transeptkapellen met straalgewelf en kleine koepelBolvormig gewelf op cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige basis. waarin stucreliëf. Halfronde koorabsis met tweeledige opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. overkluisd door een vijfdelig gewelf gescheiden door brede ribben eveneens met casementversiering die rusten op composiete pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.; blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. muurnissen en entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. met rankwerkVersiering bestaande uit een buigzame, slingerende tak, versierd met lofwerk.; medaillonsRonde of ovale cartouche. met trofeeënNabootsing van oorlogs- of jachttrofeeën die oorspronkelijk werden opgehangen; later veelal als zuiver decoratief motief gebruikt met dezelfde onderwerpen of uitgebreid met zinnebeelden van de kunsten, de ambachten,… in stuc (eind 18e eeuw) onderaan; astravee met Maria Tenhemelopneming in stuc (eind 17e-begin 18e eeuw) in eerste geleding en Sint-Jan de Doperbeeld door A.J. Feyens (1840) in de lichtbeuk. Zij-absiden met driedelige overkluizing. Sacristie met twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met kruisriboverwelving en casementgordels op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. en klassieke lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, ….
Mobilair
Verzameling schilderijen, waarvan de belangrijkste nog afkomstig uit de oude begijnhofkerk, uit 17e en 18e eeuw. Aanbidding der Herders (eind 16e eeuw) door A. Van Noort; belangrijk ensemble: Piëta (begin 17e eeuw), Bevrijding van Heilige Petrus (ca. 1620), Heilige Drievuldigheid met Heilige Maagd en Heilige Johannes de Doper (1623), Aanbidding der Wijzen (ca. 1624), Virgo inter Virgines (1626) en Annunciatie (eerste helft 17e eeuw) door T. Van Loon; Gekruisigde Christus tussen Heilige Maagd, Heilige Johannes en Heilige Maria-Magdalena (tweede helft 17e eeuw) door C. De Crayer; Heilige Begga (eerste kwart 17e eeuw); vier Evangelisten (begin 18e eeuw) door K. Eyckens; Koningin Clotilde voor H. Leonard van Noblac (begin 18e eeuw) toegeschreven aan V. Janssens; Marteling van Heilige Erasmus (18e eeuw).
Beeldhouwwerken waarvan een belangrijk deel geïntegreerd in het architecturaal decor, met name de reeks van veertien stenen heiligenbustes: H. Johannes de Doper, H. Arnoldus van Soissons, H. Gislenus, H. Felix van Cantalice, H. Clara van Assisi, H. Maria-Magdalena en H. Gertrudis van Nijvel toegeschreven aan T. De Lelis, H. Wivina, H. Jozef, H. Antonius van Padua, H. Laurentius, H. Barbara, H. Catharina van Alexandrië en H. Cecilia van Rome (derde kwart 17e eeuw) in de zijbeuken en twee stenen bustes: Christus en H. Maagd (begin 18e eeuw) in het koor; beschilderde stenen Graflegging (eind 16e-17e eeuw); stenen Christus op de koude steen (17e eeuw); houten Aaron en Melchisedech (ca. 1767) door W. Pompe; geklede houten H. Maagd (18e eeuw); marmeren epitaaf van Hendrik van Dongelberghe en Adriana Borluut (1627); plaasteren kruisweg (1862) door J.-G. Geefs en J.-J. Van Ysendijck.
ClassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. marmeren hoofdaltaar en eiken doksaal (laatste kwart 18e eeuw; afkomstig uit de abdij van Kortenberg); barokPeriode: 17e eeuw De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken en tussen licht en schaduw. In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde: uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke orden, toortsen en putti. De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen, deuromlijstingen). Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.). marmeren en beschilderd houten Onze-Lieve-Vrouwaltaar en beschilderd houten Sint-Rochusaltaar (eerste helft 17e eeuw); marmeren zij-altaren (midden 19e eeuw); orgelkast (1839-1840) door J.J. Van Hooi afkomstig van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Alsemberg en orgel (1868) door H. Vermeersch; eiken régence-preekstoel met beeld van H. Dominicus (1757?; afkomstig uit de dominicanenkerk te Mechelen) door L.-J. Parant; zes eiken barokke biechtstoelen (begin 18e eeuw); marmeren doopvont (18e eeuw); Lodewijk XV-koorbanken (tweede helft 18e eeuw; afkomstig uit de abdij van Vorst); gesmeed ijzeren communiebank (18e eeuw).
Bronnen
Archieven
Archief KCML, dossier 3798.
Publicaties en studies
COEKELBERGHS D., LOZE P., L’église Saint- Jean-Baptiste au Béguinage à Bruxelles et son mobilier, s.l., 1981.
Websites
BALat KIK-IRPA
Opmerkelijke bomen in de nabijheid















Rue du Grand Hospice' class='thumb'>