Typologie(ën)

woning

Ontwerper(s)

Jules BARTHarchitect1896

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Eclectisme

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2006-2008

id

Urban : 18264
lees meer

Beschrijving

Huis in eclectischeVeel voorkomende stijl (ca. 1850-1914) die inspiratie put uit verschillende architectuurstijlen uit het verleden. Komt door de combinatie van enerzijds verschillende stijlelementen en anderzijds nieuwe technieken en materialen tot een unieke eigentijdse creatie. stijl met asymmetrische compositieTypische gevelopstand bestaande uit twee ongelijke traveeën; in Brussel komt dit geveltype vaak voor met drie bouwlagen volgens verkleinende ordonnantie; de hoofdtravee is meestal breder, rijker uitgewerkt en wordt verder benadrukt door licht vooruit te springen en/of door één of meer balkons; de kelders zijn meestal hoog, wat zich vertaalt in een hoge onderbouw; het grondplan bestaat over het algemeen uit een aaneenschakeling van kamers., n.o.v. architect Jules Barth, 1896.

Signatuur op band boven benedenverdieping.

Twee bouwlagen onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Rijkelijk geornamenteerde gevel; bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. met schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren. en hardstenen elementen. HoofdtraveeBredere en rijker uitgewerkte travee, meestal van een huis met asymmetrische compositie; vaak in risaliet en onder bekronende topgevel. tussen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., die op verdieping ter hoogte van de kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). bekroond met gebroken frontonFronton waarvan het middendeel is doorbroken.; aan weerszijden jaartal ‘18 / 96', geflankeerd door de vermelding ‘anno'. Op benedenverdieping vensterleuningLage, versierde leuning boven een onderdorpel, meestal in metaal.; in tweede bouwlaag balkon met borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. tussen postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering.; dakvensterUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. met glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. met borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Muuropeningen in diverse vormen, sommige onder archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog. of kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. OculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. boven deur. Op hoofdtraveeBredere en rijker uitgewerkte travee, meestal van een huis met asymmetrische compositie; vaak in risaliet en onder bekronende topgevel. kleine dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt.. Beglaasde en getraliede deur. Verzorgd ijzerwerkVerzameling van alle metalen elementen van een gebouw. met volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer.; dat van eerste verdieping met plaat waarop putti geïnspireerd door Italiaanse renaissanceDe Neo-Vlaamse renaissancestijl is een regionale variant van de neorenaissance die zich in Brussel ontwikkelde tussen circa 1860 en 1914. Zij grijpt terug op de zestiende-eeuwse bouwtraditie van de Zuidelijke Nederlanden, met name op Vlaamse stadhuizen, gildehuizen en patriciërswoningen uit de tijd van de Habsburgse Nederlanden. In tegenstelling tot de meer Italiaans georiënteerde neorenaissance legt de neo-Vlaamse richting de nadruk op nationale worteling, ambachtelijke expressie en stedelijke identiteit. De stijl ontstond in een context van groeiend nationaal en stedelijk bewustzijn: in de tweede helft van de 19e eeuw trachtten Belgische architecten en beleidsmakers een eigen architecturale vormentaal te definiëren, los van Franse of Engelse modellen. De terugkeer naar de Vlaamse renaissance bood een historisch verankerd maar hedendaags hanteerbaar idioom, dat verwees naar traditie, vakmanschap en burgerlijke trots. De zestiende eeuw gold daarbij als een gouden tijdperk van kunst, handel en stedelijke autonomie — waarden die men binnen de jonge Belgische natie opnieuw wilde oproepen. In Brussel, als hoofdstad van het koninkrijk, kreeg deze stijl een uitgesproken representatieve functie. Zij symboliseerde zowel continuïteit met het historische stadsbeeld als de identiteit van een zelfbewuste burgerij. Architecten combineerden de historiserende vormentaal vaak met moderne bouwtechnieken — zoals gietijzer, staal en nieuwe baksteenformaten — binnen een bredere eclectische stedelijke architectuur. De stijl werd bijzonder populair voor openbare gebouwen, scholen, gemeentehuizen, postgebouwen en burgerhuizen, en kreeg zo ook een educatieve en administratieve dimensie: zij moest burgerlijke orde, stedelijke trots en nationale identiteit zichtbaar maken. In de periode van Leopold II werd zij een wezenlijk onderdeel van het visuele profiel van de hoofdstad. De neo-Vlaamse renaissancestijl is herkenbaar aan een uitgesproken verticale en plastische gevelcompositie, met een levendig spel van materialen, kleuren en ornamenten. Typische kenmerken zijn het gebruik van rode baksteen gecombineerd met witte of blauwe natuursteen (soms in speklagen), trapgevels, kruisvensters en geprofileerde kozijnen, cartouches, medaillons, frontons en wimpelvormige dakkapellen, evenals beeldhouwwerk met figuren, wapenschilden of allegorische motieven. Horizontale cordonbanden en verticale lisenen ritmeren de gevel, soms aangevuld met smeedijzeren balkons of loggia’s in natuursteen of hout. De stijl combineert constructieve rationaliteit met decoratieve exuberantie — een evenwicht dat haar bijzonder geschikt maakte voor stedelijke representatie..

Bronnen

Archieven
SAB/OW 16448 (1896).