Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
brouwerij
Ontwerper(s)
INCONNU - ONBEKEND – 1872
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Inventaris(sen)
- Het monumentale erfgoed van België. Sint-Gillis (DMS-DML - 1997-2004)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Vroeger brouwerij met biermagazijn.
Gevel van vier bouwlagen, waarvan de bovenste een
halve bouwlaag vormt, uitgewerkt in drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en bekleed met een bakstenen
parementGevel- of muurbekleding.. De benedenverdieping is voorzien van een brede inrijpoort en twee
grote rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., die het resultaat zijn van de verbouwing van 1952.
De verdiepingen worden verlicht door venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met een gedrukt boogvormig
bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden., voorzien van een sluitsteenSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. met diamantkopmotief. De
oorspronkelijke roedeverdelingenDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. zijn op de verdiepingen bewaard gebleven. De
gevel bewaart eveneens tien kruisankers en zes steigergatenGat aan de bovenzijde van een gevel waarin de horizontale dwarsbalken van een steiger werden bevestigd; vaak afgedekt door smeedijzeren (sier)deksel., waarvan twee nog
zijn voorzien van hun steigergatdeksel met leeuwenkop. De achtergevel vertoont
gelijkaardige kenmerken, hoewel de eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) voorafgegaan wordt door een
aanbouw (voortvloeiend uit de uitbreidingen van 1952 en 1958). Het goed wordt
bekroond door een dubbel zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. met wolfeindenZadeldak waarvan de nok niet tot de geveleinden doorloopt, maar met korte driehoekige eindschilden (wolfeinden) wordt afgewolfd., loodrecht op de straat,
bedekt met keramische dakpannen.
Aan de
achterzijde bevindt zich een smalle binnenplaats die toegankelijk is via de
kelder.
Binnen
bestaat elke bouwlaag uit een ruime open verdieping met een gewelfd plafond met
troggewelven, gedragen door twee rijen gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. kolommenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. waarvan de
bovenzijde voorzien is van consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. die de overgang vormen tussen de
cilindervormige schachtDe ruimte waarin de liftkooi en/of het tegengewicht bewegen, begrensd door de wanden, het plafond en de bodem van de put. De schacht kan gesloten of gedeeltelijk open zijn. en de balken. Op de tweede verdieping wordt het houten
plafond gedragen door betonnen pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) die een gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. kolomCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. omsluiten. De
bovenste halve bouwlaag bevindt zich onder een dubbele traditionelePeriode: 17e-18e eeuw
In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze
tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat.
Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met
kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint,
kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een
assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken
onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel
(rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede
planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met
centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde
dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder,
gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf,
dat haaks op de straat is georiënteerd.
Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk
voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de
smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een
diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende
delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide
volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een
zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met
hoge dichtheid of langs invalswegen.
De gevel blijft trouw aan de
middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw
opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze,
zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop
van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale
varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen,
voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant
toegepast vanaf de jaren 1730–1740. houten
dakconstructie, samengesteld uit spanten (hier met dubbele dekplatenNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen. en
schoren), gordingen en kepers.
Motivering erfgoedwaarden
Artistieke
waarde
De bakstenen
gevel vormt een representatiefDe representativiteit verwijst naar het feit dat het onroerend goed een of meer significante kenmerken
heeft in vergelijking met andere onroerende goederen in dezelfde categorie (bijvoorbeeld een
typologie): het moet een “goed voorbeeld” zijn dat tal van betekenisvolle kenmerken in zich verenigt.
De representativiteit van een goed wordt geëvalueerd in functie van zijn geografische context (lokaal,
regionaal, nationaal), zijn chronologische context (is betekenisvol in de sociale, religieuze, politieke,
industriële of wetenschappelijke geschiedenis, in de esthetiek), zijn historische architecturale context
(bijvoorbeeld, het vertaalt op significante wijze een kenmerk van een desbetreffend tijdperk.
Net als voor het bepalen van de zeldzaamheid, is het voor de representativiteit noodzakelijk het goed
te vergelijken met andere goederen die tot dezelfde categorie behoren. Een onroerend goed kan
representatief zijn voor een bepaalde stijl, typologie, stedenbouwkundig concept of het oeuvre van de
ontwerper, enz. voorbeeld van de eclectischePeriode: ca. 1840-1914.
Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit
verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen
historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt
zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de
grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850
ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot
dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en
rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor
eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl,
ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en
daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de
industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om
flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke
voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich
zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen,
fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het
eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van
Brussel (de Brusselse voorsteden).
In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt
gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de
middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een
religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit
voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance
symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die
manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te
weerspiegelen.
In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en
herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen
met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer,
keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor
te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel,
erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken,
zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken.
De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en
tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis:
een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het
burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs
ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap,
vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en
soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas).
De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt:
een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie
bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één
brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt
in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend
met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een
driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of
bow-windows.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de
stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele
straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert
in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade
of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van
een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd
door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen
dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde
stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel.
De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische
stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de
polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in
uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk,
uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en
stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door
elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk,
soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters
in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art
nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale
motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten
elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz.
Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de
Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog
lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden
verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren
uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen
gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als
laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische
woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen
geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of
regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). industriële
architectuur uit het laatste kwart van de 19de eeuw. De regelmatige en
symmetrische compositieTypische gevelopstand bestaande uit drie gelijke traveeën; in Brussel komt dit geveltype vaak voor met drie bouwlagen volgens verkleinende ordonnantie; de centrale travee wordt in vele gevallen rijker uitgewerkt en benadrukt door haar licht te laten uitspringen en/of door één of meerdere balkons; het grondplan bestaat over het algemeen uit een aaneenschakeling van kamers. wordt geritmeerd door horizontale waterlijstenVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.,
vensteropeningen met gedrukte boogBoog waarvan de kromming lager is dan de overeenkomstige rondboog. en talrijke ankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. van metalen trekstangen,
waarvan de structurele functie eveneens bijdraagt aan de geleding van de gevel.
Historische
waarde
Het goed is
representatiefDe representativiteit verwijst naar het feit dat het onroerend goed een of meer significante kenmerken
heeft in vergelijking met andere onroerende goederen in dezelfde categorie (bijvoorbeeld een
typologie): het moet een “goed voorbeeld” zijn dat tal van betekenisvolle kenmerken in zich verenigt.
De representativiteit van een goed wordt geëvalueerd in functie van zijn geografische context (lokaal,
regionaal, nationaal), zijn chronologische context (is betekenisvol in de sociale, religieuze, politieke,
industriële of wetenschappelijke geschiedenis, in de esthetiek), zijn historische architecturale context
(bijvoorbeeld, het vertaalt op significante wijze een kenmerk van een desbetreffend tijdperk.
Net als voor het bepalen van de zeldzaamheid, is het voor de representativiteit noodzakelijk het goed
te vergelijken met andere goederen die tot dezelfde categorie behoren. Een onroerend goed kan
representatief zijn voor een bepaalde stijl, typologie, stedenbouwkundig concept of het oeuvre van de
ontwerper, enz. voor de bebouwing van het oudste gedeelte van de
Vanderschrickstraat (opgetrokken in de jaren 1870), maar ook voor de
industriële bestemming van de wijk.
Het gebouw
is representatiefDe representativiteit verwijst naar het feit dat het onroerend goed een of meer significante kenmerken
heeft in vergelijking met andere onroerende goederen in dezelfde categorie (bijvoorbeeld een
typologie): het moet een “goed voorbeeld” zijn dat tal van betekenisvolle kenmerken in zich verenigt.
De representativiteit van een goed wordt geëvalueerd in functie van zijn geografische context (lokaal,
regionaal, nationaal), zijn chronologische context (is betekenisvol in de sociale, religieuze, politieke,
industriële of wetenschappelijke geschiedenis, in de esthetiek), zijn historische architecturale context
(bijvoorbeeld, het vertaalt op significante wijze een kenmerk van een desbetreffend tijdperk.
Net als voor het bepalen van de zeldzaamheid, is het voor de representativiteit noodzakelijk het goed
te vergelijken met andere goederen die tot dezelfde categorie behoren. Een onroerend goed kan
representatief zijn voor een bepaalde stijl, typologie, stedenbouwkundig concept of het oeuvre van de
ontwerper, enz. voor de voormalige biermagazijnen. In tegenstelling tot
fabrieken, die vaak grote venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. hebben om de werkplaatsen te verlichten, is
deze gevel gesloten: een combinatie van smalle vensteropeningen en grote blindeZonder opening; blind venster, schijnopening.
muurvlakken. Dat is precies wat men verwacht van een opslaggebouw, waar de
nadruk ligt op de draagkracht van de vloeren, de veiligheid van de opgeslagen
goederen en de thermische stabiliteit. Bij de herbestemming in 1952 werden de
openingen op de gelijkvloerse verdieping aanzienlijk vergroot. De
vensteropeningen van de verdiepingen behielden echter hun oorspronkelijke
uitzicht, dat representatiefDe representativiteit verwijst naar het feit dat het onroerend goed een of meer significante kenmerken
heeft in vergelijking met andere onroerende goederen in dezelfde categorie (bijvoorbeeld een
typologie): het moet een “goed voorbeeld” zijn dat tal van betekenisvolle kenmerken in zich verenigt.
De representativiteit van een goed wordt geëvalueerd in functie van zijn geografische context (lokaal,
regionaal, nationaal), zijn chronologische context (is betekenisvol in de sociale, religieuze, politieke,
industriële of wetenschappelijke geschiedenis, in de esthetiek), zijn historische architecturale context
(bijvoorbeeld, het vertaalt op significante wijze een kenmerk van een desbetreffend tijdperk.
Net als voor het bepalen van de zeldzaamheid, is het voor de representativiteit noodzakelijk het goed
te vergelijken met andere goederen die tot dezelfde categorie behoren. Een onroerend goed kan
representatief zijn voor een bepaalde stijl, typologie, stedenbouwkundig concept of het oeuvre van de
ontwerper, enz. is voor de oorspronkelijke functie van het gebouw.
De grote open verdiepingen, die ruime opslagruimten vormen, getuigen eveneens
van de functie van het gebouw. Ook de dakconstructie draagt bij tot de
historische waardeHet onroerend goed heeft een historische waarde :
- als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente;
- of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv.
tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote
bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde
bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel
van de tweede omwalling;
- of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad
(bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk);
- of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van
persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van
Constantin Meunier, het huis van Magritte);
- of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen
van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom);
- of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of
culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken);
- of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de
architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft
zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten,
die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile
Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem). van het gebouw: zij getuigt van traditioneelPeriode: 17e-18e eeuw
In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze
tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat.
Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met
kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint,
kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een
assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken
onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel
(rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede
planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met
centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde
dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder,
gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf,
dat haaks op de straat is georiënteerd.
Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk
voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de
smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een
diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende
delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide
volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een
zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met
hoge dichtheid of langs invalswegen.
De gevel blijft trouw aan de
middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw
opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze,
zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop
van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale
varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen,
voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant
toegepast vanaf de jaren 1730–1740. vakmanschap,
maar ook van de opslagfunctie doordat zij een grote vrije ruimte onder het dak
mogelijk maakt. Een groot vrij volume onder de dakconstructie liet immers
opslag in grote hoeveelheden toe en zorgde tegelijkertijd voor een goede
ventilatie.
Het goed
heeft zijn authenticiteitDe authenticiteit van een goed wordt beoordeeld op basis van de overeenstemming van de huidige
staat met de oorspronkelijke staat. Een goed is authentiek als het plan, de vorm, het concept, de
functie, de technieken, de materialen, de decoratie van de interne elementen overeenstemmen met
een betekenisvolle, beduidende of kenmerkende staat. Het kan zijn dat een goed een natuurlijke
aftakeling heeft ondergaan of een transformatie (bijvoorbeeld vervanging van het schrijnwerk – ramen
in het bijzonder, vervanging van winkelpuien) en toch conform blijft aan zijn oorspronkelijke staat (zgn.
bewaarde structurele continuïteit). Een goed is authentiek als het oorspronkelijke concept en de functie
nog steeds leesbaar zijn (bijvoorbeeld een industrieel complex dat herbestemd is). De transformatie
kan dan als een element van zijn geschiedenis worden beschouwd. We moeten bijgevolg de eventuele
integratie van waardevolle elementen in de loop van de geschiedenis van het gebouw evalueren. en integriteitIntegriteit steunt op het begrip “integraliteit”, met andere woorden de fysieke volledigheid of
bewaartoestand van het goed. We moeten dus evalueren of het goed nog altijd beschikt over zijn
homogeniteit, zijn leesbaarheid en zijn materiële samenhang (bewaringstoestand van de
oorspronkelijke materialen, de bouwtechnieken en de ruimtelijke indeling). Met andere woorden, of de
bewaringstoestand van het goed nog intact en volledig is volgens zijn oorspronkelijke bouwperiode.
Een onroerend goed kan voldoen aan het criterium van authenticiteit zonder te voldoen aan het
criterium van integriteit (een verbouwd industrieel complex behoudt bijvoorbeeld zijn authenticiteit als
het industriële karakter nog steeds leesbaar is, maar niet zijn integriteit als het interieur en het
schrijnwerk zijn getransformeerd voor de herbestemming). behouden. De oorspronkelijke functie
blijft duidelijk afleesbaar en coherent dankzij het behoud van de vensteropeningen
op de verdiepingen, de grote open verdiepingen, de gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. kolommenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., de
troggewelven en de dakconstructie. Afgezien van de wijzigingen aan de gevel op
de gelijkvloerse verdieping en de aanbouw bevindt het gebouw zich nog in zijn
oorspronkelijke toestand, met inbegrip van de dakconstructie, waarvan de
kenmerken overeenstemmen met een datering uit 1877. Deze typologie van
dakconstructie (met dubbele dekplatenNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen. en schoren) is volledig in
overeenstemming met de dakconstructies die in onze regio in de 18de en 19de
eeuw voorkwamen. Mechanisch gezaagd hout deed zijn intrede in de 19de eeuw, aan
het begin van het industriële tijdperk.
Technische
waarde
Het
interieur bewaart een draagstructuur die kenmerkend is voor de industriële
architectuur uit het laatste kwart van de 19de eeuw. De verschillende bouwlagen
worden gedragen door een regelmatig raster van cilindervormige gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons.
kolommenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met geprofileerde kapitelenKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen., waarop metalen liggers rusten waartussen
bakstenen troggewelven zijn aangebracht. Dit bouwsysteem, dat bedoeld was om
zware belastingen op te nemen en tegelijk de brandweerstand te verbeteren,
getuigt van de technische innovaties die in industriële gebouwen uit deze
periode werden toegepast.
De
dakconstructie van het gebouw bezit zowel een historische waardeHet onroerend goed heeft een historische waarde :
- als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente;
- of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv.
tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote
bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde
bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel
van de tweede omwalling;
- of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad
(bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk);
- of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van
persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van
Constantin Meunier, het huis van Magritte);
- of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen
van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom);
- of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of
culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken);
- of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de
architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft
zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten,
die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile
Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem)., vanwege haar
verband met de functie van het gebouw, als een technische waardeOnder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald
materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of
technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in
aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals
getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t.
een wetenschappelijke waarde.: zij is
kenmerkend voor functionele dakconstructies met grote overspanningen die werden
gebouwd in het laatste kwart van de 19de eeuw, vóór de veralgemening van
metalen spanten voor dit type gebouw.
Stedenbouwkundige
waarde
Het
goed bezit een contextwaarde vanwege de inplanting van zijn dubbele zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.,
loodrecht op de straat, en zijn ontwikkeling in het binnengebied van het
bouwblok.
Bronnen
GASG/Urb. 4198 (1877), 195 (1952).
Opmerkelijke bomen in de nabijheid








