Typologie(ën)
villa
bijgebouwen
bijgebouwen
Ontwerper(s)
F. & G. (frères - gebroeders) SIMONS – architect – 1936
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Art deco
Pakketbootstijl
Inventaris(sen)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Landschappelijk Een landschap is een gebied, zoals waargenomen door de mens, waarvan het karakter het resultaat is van ondernomen actie en interactie van natuurlijke en/of menselijke factoren. Het is een schaalbegrip bestaande uit verschillende (erfgoed)componenten, die elk, al of niet hun intrinsieke waarde hebben, maar alles samen tot een groter meerwaardegeheel verheffen én dat dit ook zo word gepercipieerd vanop een bepaalde afstand. Wijde stadspanorama’s zijn het landschap bij uitstek, denk bijvoorbeeld aan het zicht over de benedenstad van Brussel vanop het Koningsplein, maar ook op kleinere schaal kunnen dergelijke landschappen die uit verschillende componenten zijn samengesteld voorkomen.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2019
id
Urban : 38564
Beschrijving
Monumentale
villa in modernistischeHet modernisme duidt
elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel
van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als
de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond,
eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat
dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële
materialen zoals gewapend beton, staal, glas).
Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken,
drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot
rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere
volumes en sterk gereduceerde decoratie.
Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden.
Modernisme van het interbellum
Periode: ca. 1920 – 1940
In Brussel is het modernisme van het interbellum
soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral
in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt
geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale
gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat
uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende
rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde
horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op
het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl.
Naoorlogs modernisme
Periode: ca. 1940 – 1960
Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende
karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek
(eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas
het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en
toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze
architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in
het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd
in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen
benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak
als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning
(met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op
het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie,
aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt.
Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd
Periode: ca. 1950 – 1965
Het ludiek modernisme of
de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke
woningen in die periode figureerden),
dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is
een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de
jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960.
De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het
functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren,
die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels,
boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige
motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert
graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste
structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de
kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen
zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot
succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950
worden ontwikkeld.
Laat modernisme
Periode: ca. 1970-1980
Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de
mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme
zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden
(rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie
van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de
structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes
verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen
met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar
inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties
staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken
(blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere
kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden
ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken
lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en
gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand
van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen
(rookglas).
Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien
als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast
op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode
waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich
tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan
het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak
wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie
van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse
klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. stijl met elementen uit de art decoPeriode: 1920-1940
De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan
bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan
de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes,
die in 1925 in Parijs plaatsvond.
De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en
volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde
voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar
geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische
of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische
kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met
Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale
periode op de Brusselse architectuur.
De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele
bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan
kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend
beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk
maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe
grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en
spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of
in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote
glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken
(soms voorzien van een gestileerde koepel).
Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar
onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het
midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het
contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd
(badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals
marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd.
In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de
eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn
gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken,
waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich
laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een
elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot
een courante bouwstijl.
In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door
elementen van het modernisme te integreren en met name van de
scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie
“pakketbootstijl”). en de
pakketbootstijl1930 – 1940.
De pakketbootstijl ontwikkelt zich op het einde van het interbellum als een
laatmodernistische architectuurstroming die voortbouwt op de art deco en
geleidelijk evolueert naar een meer functionele, gestroomlijnde vormentaal. De
stijl ontleent haar naam en vormentaal aan de trans-Atlantische oceaanliners,
die in dezelfde periode hun technologische en economische hoogtepunt bereiken.
Iconische rederijen zoals de Red Star Line in Antwerpen en prestigieuze
pakketboten als de Île-de-France en de Normandie belichamen deze moderniteit en
vooruitgangsgedachte.
De pakketbootstijl wordt gekenmerkt door een uitgesproken nadruk op
horizontaliteit en afgeronde volumes. Hoekpartijen worden vaak afgewerkt met
gebogen erkers of afgeronde balkons, wat de indruk van aerodynamiek en beweging
versterkt. De gevels zijn doorgaans uitgevoerd in baksteen met schaduwvoegen,
vaak gecombineerd met bepleisterde gevelvlakken om het lineaire karakter te
benadrukken. Typische elementen zijn: brede, doorlopende vensterregisters of
bandramen, patrijspoortvensters, sterk overkragende betonbanden en daklijsten, platte
daken, soms met dakterras, vlaggenmasten en metalen buisleuningen en afgeronde
hoekramen of -balkons.
Naast de formele gelijkenissen speelt ook het idee van modern comfort een rol:
centrale verwarming, liften, ingebouwde garages en functioneel ingerichte
plattegronden maken deel uit van het vooruitstrevende woonideaal dat de stijl
uitdraagt.
In Brussel vindt de pakketbootstijl vooral ingang in de eerste en tweede kroon,
waar tijdens het interbellum intensieve stadsuitbreiding plaatsvindt. De stijl
is bijzonder populair in de residentiële architectuur, zowel bij
eengezinswoningen als bij grotere appartementsgebouwen, waar hij een modern en
kosmopolitisch imago verleent.
Ook utilitaire gebouwen worden in deze vormentaal gerealiseerd. Een bekend
voorbeeld is het voormalige Nationaal Instituut voor Radio-Omroep (NIR) aan het
Eugène Flageyplein in Elsene ontworpen door Joseph Diongre, dat met zijn
afgeronde hoeken en horizontale geleding een uitgesproken nautische uitstraling
bezit., naar een ontwerp van de gebroeders architecten F. & G.
Simons, 1936 (signatuur op hardstenen postament1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. links van de inkom). Mooi
geïntegreerd in het landschap van de Woluwevallei, langs het gevrijwaarde
landschap van de Vellemolenweg, waarvan het ten volle de eigenschappen van het
landschap met zijn natuurlijke glooiing in het terrein exploiteert.
Drie bouwlagen (kelder, begane grond en eerste verdieping) onder plat dak. Bakstenen gevels met elementen in cimornéGevelparement ontstaan door op de nog natte cementpleister verbrijzeld marbriet aan te brengen. en beton, het geheel op een hardstenen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel..
Inkom in zuidoostelijk georiënteerde straatgevel van twee bouwlagen en met symmetrische compositieTypische gevelopstand bestaande uit drie gelijke traveeën; in Brussel komt dit geveltype vaak voor met drie bouwlagen volgens verkleinende ordonnantie; de centrale travee wordt in vele gevallen rijker uitgewerkt en benadrukt door haar licht te laten uitspringen en/of door één of meerdere balkons; het grondplan bestaat over het algemeen uit een aaneenschakeling van kamers. bestaande uit een centrale, brede risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. met afgeronde hoeken, op zijn beurt centraal voorzien van een indrukwekkende portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. in cimornéGevelparement ontstaan door op de nog natte cementpleister verbrijzeld marbriet aan te brengen. bekroond door terras met ijzeren borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Centrale opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen…, dubbele vleugeldeur, tussen brede, halfronde zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. in donkerkleurige cimornéGevelparement ontstaan door op de nog natte cementpleister verbrijzeld marbriet aan te brengen. en met schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren., waarlangs twee kleine, rechthoekige en getraliede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. Het terras op de verdieping is toegankelijk via een T-vormige glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat., met aan elke zijde een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur..
Imposante noordwestelijk georiënteerde tuingevel van drie bouwlagen, gezien de glooiing van het terrein. Links een voorbouw van twee bouwlagen bekroond door een terras met ijzeren borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. waarin, op eerste bouwlaag een garagepoort en op tweede bouwlaag een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. Centraal een deur dewelke toegang verleent tot de kelderverdieping met dienstvertrekken, en rechts een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. Tweede bouwlaag, overeenkomend met benedenverdieping vanuit inkom aan straatzijde met centrale glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. achter een balkon dewelke de ganse cirkelvormige uitbouw omgeeft. In hoogste bouwlaag T-vormige glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. naar terras, vensterLicht- en/of luchtopening in een muur., en glasdeurenDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. achter een balkon dewelke eveneens de ganse cirkelvormige uitbouw omgeeft. Laatstgenoemde uitbouw is beeldbepalend en torenvormig, zuidwestelijk georiënteerd en verbindt de tuingevel met de zuidelijke zijgevel. In eerste bouwlaag van deze gevel – overeenkomend met benedenverdieping van de villa, deur naar de keuken. Vanuit de lager gelegen tuin toegankelijk via een betonnen, kronkelende bordestrap met ijzeren elementen.
Relatief eenvoudige noordoostelijke georiënteerde zijgevel met venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. en schoorsteenmantelHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw..
Het geheel onder een plat dak op een breed hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. in cimornéGevelparement ontstaan door op de nog natte cementpleister verbrijzeld marbriet aan te brengen. dat trapsgewijs, met horizontaal benadrukte banden op onregelmatige afstand naar het dak toeloopt, dat op zijn beurt licht uitkraagt.
Bewaard houten schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... , aan straatgevel hoekvensters met houten postament1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. met teerlingmotief. OpengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. deuren met decoratief gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. tralies. Buisrelingen voor borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van terrassen, balkons en voor trap van tuin naar keukendeur.
Volledig intact interieur met bewaard schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... voor trap met opmerkelijke trappaalHoofdbaluster aan de eerste trede van een trap. en gegroefde balustersVaasvormige spijl van een borstwering., rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. binnendeuren met geslepen glas op benedenverdieping, rechthoekig op verdiepingen met drieledig bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. waarin structuurglas, parketvloeren in variërend mozaïekverband, plafonds met horizontaal benadrukt stafwerkOrnament, bestaande uit een pijp-, riet- of koordvormige vulling van cannelures tot op een derde van hun hoogte. en verschillende schoorstenen in kleurrijke natuursteensoorten waaronder vermoedelijk Portugees roze marmer en Siena marmer (geelkleurig). Bewaarde keuken met tegelvloer en hoge tegellambrisering met dubbele zwarte boording, op verdieping volledige intacte badkamer met eveneens kenmerkende tegellambrisering.
Bewaard plan met uitgekiende ruimte-indeling in functie van de ligging van de villa. Centrale hal leidend naar de keuken en de verschillende leefruimtes uitgevend aan de tuin, die op hun beurt in één as langs elkaar liggen. Houten bordestrap naar galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. die toegang verleent naar alle kamers op de verdieping.
Tuin – we noteren de aanwezigheid van drie opmerkelijke bomen, een waterpartij (in de nabijheid) van de Woluwe – het perceel grenst immers langs het landschap van de Vellemolenweg (bewaarlijst 12 februari 1998) en ligt op amper 200m ten zuiden van het landschap van de weiden van Hof Ter Musschen. Er is een vorm van aanleg met kronkelde pad te zien op de luchtfoto van 1944 (bruciel).
Drie bouwlagen (kelder, begane grond en eerste verdieping) onder plat dak. Bakstenen gevels met elementen in cimornéGevelparement ontstaan door op de nog natte cementpleister verbrijzeld marbriet aan te brengen. en beton, het geheel op een hardstenen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel..
Inkom in zuidoostelijk georiënteerde straatgevel van twee bouwlagen en met symmetrische compositieTypische gevelopstand bestaande uit drie gelijke traveeën; in Brussel komt dit geveltype vaak voor met drie bouwlagen volgens verkleinende ordonnantie; de centrale travee wordt in vele gevallen rijker uitgewerkt en benadrukt door haar licht te laten uitspringen en/of door één of meerdere balkons; het grondplan bestaat over het algemeen uit een aaneenschakeling van kamers. bestaande uit een centrale, brede risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. met afgeronde hoeken, op zijn beurt centraal voorzien van een indrukwekkende portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. in cimornéGevelparement ontstaan door op de nog natte cementpleister verbrijzeld marbriet aan te brengen. bekroond door terras met ijzeren borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Centrale opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen…, dubbele vleugeldeur, tussen brede, halfronde zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. in donkerkleurige cimornéGevelparement ontstaan door op de nog natte cementpleister verbrijzeld marbriet aan te brengen. en met schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren., waarlangs twee kleine, rechthoekige en getraliede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. Het terras op de verdieping is toegankelijk via een T-vormige glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat., met aan elke zijde een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur..
Imposante noordwestelijk georiënteerde tuingevel van drie bouwlagen, gezien de glooiing van het terrein. Links een voorbouw van twee bouwlagen bekroond door een terras met ijzeren borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. waarin, op eerste bouwlaag een garagepoort en op tweede bouwlaag een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. Centraal een deur dewelke toegang verleent tot de kelderverdieping met dienstvertrekken, en rechts een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. Tweede bouwlaag, overeenkomend met benedenverdieping vanuit inkom aan straatzijde met centrale glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. achter een balkon dewelke de ganse cirkelvormige uitbouw omgeeft. In hoogste bouwlaag T-vormige glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. naar terras, vensterLicht- en/of luchtopening in een muur., en glasdeurenDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. achter een balkon dewelke eveneens de ganse cirkelvormige uitbouw omgeeft. Laatstgenoemde uitbouw is beeldbepalend en torenvormig, zuidwestelijk georiënteerd en verbindt de tuingevel met de zuidelijke zijgevel. In eerste bouwlaag van deze gevel – overeenkomend met benedenverdieping van de villa, deur naar de keuken. Vanuit de lager gelegen tuin toegankelijk via een betonnen, kronkelende bordestrap met ijzeren elementen.
Relatief eenvoudige noordoostelijke georiënteerde zijgevel met venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. en schoorsteenmantelHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw..
Het geheel onder een plat dak op een breed hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. in cimornéGevelparement ontstaan door op de nog natte cementpleister verbrijzeld marbriet aan te brengen. dat trapsgewijs, met horizontaal benadrukte banden op onregelmatige afstand naar het dak toeloopt, dat op zijn beurt licht uitkraagt.
Bewaard houten schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... , aan straatgevel hoekvensters met houten postament1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. met teerlingmotief. OpengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. deuren met decoratief gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. tralies. Buisrelingen voor borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van terrassen, balkons en voor trap van tuin naar keukendeur.
Volledig intact interieur met bewaard schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... voor trap met opmerkelijke trappaalHoofdbaluster aan de eerste trede van een trap. en gegroefde balustersVaasvormige spijl van een borstwering., rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. binnendeuren met geslepen glas op benedenverdieping, rechthoekig op verdiepingen met drieledig bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. waarin structuurglas, parketvloeren in variërend mozaïekverband, plafonds met horizontaal benadrukt stafwerkOrnament, bestaande uit een pijp-, riet- of koordvormige vulling van cannelures tot op een derde van hun hoogte. en verschillende schoorstenen in kleurrijke natuursteensoorten waaronder vermoedelijk Portugees roze marmer en Siena marmer (geelkleurig). Bewaarde keuken met tegelvloer en hoge tegellambrisering met dubbele zwarte boording, op verdieping volledige intacte badkamer met eveneens kenmerkende tegellambrisering.
Bewaard plan met uitgekiende ruimte-indeling in functie van de ligging van de villa. Centrale hal leidend naar de keuken en de verschillende leefruimtes uitgevend aan de tuin, die op hun beurt in één as langs elkaar liggen. Houten bordestrap naar galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. die toegang verleent naar alle kamers op de verdieping.
Tuin – we noteren de aanwezigheid van drie opmerkelijke bomen, een waterpartij (in de nabijheid) van de Woluwe – het perceel grenst immers langs het landschap van de Vellemolenweg (bewaarlijst 12 februari 1998) en ligt op amper 200m ten zuiden van het landschap van de weiden van Hof Ter Musschen. Er is een vorm van aanleg met kronkelde pad te zien op de luchtfoto van 1944 (bruciel).






