Typologie(ën)

villa
bijgebouwen

Ontwerper(s)

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Art deco
Pakketbootstijl

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2019

id

Urban : 38564
lees meer

Beschrijving

Monumentale villa in modernistischeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. stijl met elementen uit de art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”). en de pakketbootstijl1930 – 1940. De pakketbootstijl ontwikkelt zich op het einde van het interbellum als een laatmodernistische architectuurstroming die voortbouwt op de art deco en geleidelijk evolueert naar een meer functionele, gestroomlijnde vormentaal. De stijl ontleent haar naam en vormentaal aan de trans-Atlantische oceaanliners, die in dezelfde periode hun technologische en economische hoogtepunt bereiken. Iconische rederijen zoals de Red Star Line in Antwerpen en prestigieuze pakketboten als de Île-de-France en de Normandie belichamen deze moderniteit en vooruitgangsgedachte. De pakketbootstijl wordt gekenmerkt door een uitgesproken nadruk op horizontaliteit en afgeronde volumes. Hoekpartijen worden vaak afgewerkt met gebogen erkers of afgeronde balkons, wat de indruk van aerodynamiek en beweging versterkt. De gevels zijn doorgaans uitgevoerd in baksteen met schaduwvoegen, vaak gecombineerd met bepleisterde gevelvlakken om het lineaire karakter te benadrukken. Typische elementen zijn: brede, doorlopende vensterregisters of bandramen, patrijspoortvensters, sterk overkragende betonbanden en daklijsten, platte daken, soms met dakterras, vlaggenmasten en metalen buisleuningen en afgeronde hoekramen of -balkons. Naast de formele gelijkenissen speelt ook het idee van modern comfort een rol: centrale verwarming, liften, ingebouwde garages en functioneel ingerichte plattegronden maken deel uit van het vooruitstrevende woonideaal dat de stijl uitdraagt. In Brussel vindt de pakketbootstijl vooral ingang in de eerste en tweede kroon, waar tijdens het interbellum intensieve stadsuitbreiding plaatsvindt. De stijl is bijzonder populair in de residentiële architectuur, zowel bij eengezinswoningen als bij grotere appartementsgebouwen, waar hij een modern en kosmopolitisch imago verleent. Ook utilitaire gebouwen worden in deze vormentaal gerealiseerd. Een bekend voorbeeld is het voormalige Nationaal Instituut voor Radio-Omroep (NIR) aan het Eugène Flageyplein in Elsene ontworpen door Joseph Diongre, dat met zijn afgeronde hoeken en horizontale geleding een uitgesproken nautische uitstraling bezit., naar een ontwerp van de gebroeders architecten F. & G. Simons, 1936 (signatuur op hardstenen postament1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. links van de inkom). Mooi geïntegreerd in het landschap van de Woluwevallei, langs het gevrijwaarde landschap van de Vellemolenweg, waarvan het ten volle de eigenschappen van het landschap met zijn natuurlijke glooiing in het terrein exploiteert.

Drie bouwlagen (kelder, begane grond en eerste verdieping) onder plat dak. Bakstenen gevels met elementen in cimornéGevelparement ontstaan door op de nog natte cementpleister verbrijzeld marbriet aan te brengen. en beton, het geheel op een hardstenen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel..

Inkom in zuidoostelijk georiënteerde straatgevel van twee bouwlagen en met symmetrische compositieTypische gevelopstand bestaande uit drie gelijke traveeën; in Brussel komt dit geveltype vaak voor met drie bouwlagen volgens verkleinende ordonnantie; de centrale travee wordt in vele gevallen rijker uitgewerkt en benadrukt door haar licht te laten uitspringen en/of door één of meerdere balkons; het grondplan bestaat over het algemeen uit een aaneenschakeling van kamers. bestaande uit een centrale, brede risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. met afgeronde hoeken, op zijn beurt centraal voorzien van een indrukwekkende portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. in cimornéGevelparement ontstaan door op de nog natte cementpleister verbrijzeld marbriet aan te brengen. bekroond door terras met ijzeren borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Centrale opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen…, dubbele vleugeldeur, tussen brede, halfronde zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. in donkerkleurige cimornéGevelparement ontstaan door op de nog natte cementpleister verbrijzeld marbriet aan te brengen. en met schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren., waarlangs twee kleine, rechthoekige en getraliede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. Het terras op de verdieping is toegankelijk via een T-vormige glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat., met aan elke zijde een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur..

Imposante noordwestelijk georiënteerde tuingevel van drie bouwlagen, gezien de glooiing van het terrein. Links een voorbouw van twee bouwlagen bekroond door een terras met ijzeren borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. waarin, op eerste bouwlaag een garagepoort en op tweede bouwlaag een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. Centraal een deur dewelke toegang verleent tot de kelderverdieping met dienstvertrekken, en rechts een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. Tweede bouwlaag, overeenkomend met benedenverdieping vanuit inkom aan straatzijde met centrale glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. achter een balkon dewelke de ganse cirkelvormige uitbouw omgeeft. In hoogste bouwlaag T-vormige glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. naar terras, vensterLicht- en/of luchtopening in een muur., en glasdeurenDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. achter een balkon dewelke eveneens de ganse cirkelvormige uitbouw omgeeft. Laatstgenoemde uitbouw is beeldbepalend en torenvormig, zuidwestelijk georiënteerd en verbindt de tuingevel met de zuidelijke zijgevel. In eerste bouwlaag van deze gevel – overeenkomend met benedenverdieping van de villa, deur naar de keuken. Vanuit de lager gelegen tuin toegankelijk via een betonnen, kronkelende bordestrap met ijzeren elementen.

Relatief eenvoudige noordoostelijke georiënteerde zijgevel met venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. en schoorsteenmantelHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw..

Het geheel onder een plat dak op een breed hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. in cimornéGevelparement ontstaan door op de nog natte cementpleister verbrijzeld marbriet aan te brengen. dat trapsgewijs, met horizontaal benadrukte banden op onregelmatige afstand naar het dak toeloopt, dat op zijn beurt licht uitkraagt.

Bewaard houten schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... , aan straatgevel hoekvensters met houten postament1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. met teerlingmotief. OpengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. deuren met decoratief gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. tralies. Buisrelingen voor borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van terrassen, balkons en voor trap van tuin naar keukendeur.

Volledig intact interieur met bewaard schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ...  voor trap met opmerkelijke trappaalHoofdbaluster aan de eerste trede van een trap. en gegroefde balustersVaasvormige spijl van een borstwering., rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. binnendeuren met geslepen glas op benedenverdieping, rechthoekig op verdiepingen met drieledig bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. waarin structuurglas, parketvloeren in variërend mozaïekverband, plafonds met horizontaal benadrukt stafwerkOrnament, bestaande uit een pijp-, riet- of koordvormige vulling van cannelures tot op een derde van hun hoogte. en verschillende schoorstenen in kleurrijke natuursteensoorten waaronder vermoedelijk Portugees roze marmer en Siena marmer (geelkleurig). Bewaarde keuken met tegelvloer en hoge tegellambrisering met dubbele zwarte boording, op verdieping volledige intacte badkamer met eveneens kenmerkende tegellambrisering.

Bewaard plan met uitgekiende ruimte-indeling in functie van de ligging van de villa. Centrale hal leidend naar de keuken en de verschillende leefruimtes uitgevend aan de tuin, die op hun beurt in één as langs elkaar liggen. Houten bordestrap naar galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. die toegang verleent naar alle kamers op de verdieping.

Tuin – we noteren de aanwezigheid van drie opmerkelijke bomen, een waterpartij (in de nabijheid) van de Woluwe – het perceel grenst immers langs het landschap van de Vellemolenweg (bewaarlijst 12 februari 1998) en ligt op amper 200m ten zuiden van het landschap van de weiden van Hof Ter Musschen. Er is een vorm van aanleg met kronkelde pad te zien op de luchtfoto van 1944 (bruciel).