Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
rustoord/tehuis
klooster/abdij
klooster/abdij
Ontwerper(s)
INCONNU - ONBEKEND – 1946
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Neoromaans
Modernisme
Inventaris(sen)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Het monumentale erfgoed van België. Laken (Archistory - 2016-2019)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2018
id
Urban : 38471
Beschrijving
Voormalig Klooster van Maria
Eerherstel, thans rusthuis. Complex in neoromaanseDe
Neoromaanse stijl behoort tot de vroegste uitingen van het negentiende-eeuwse
historisme in België en kende zijn bloeiperiode tussen circa 1840 en 1900, met
een heropleving tijdens het interbellum (cfr. oeuvre van architect Chrétien
Veraart). Deze stijl grijpt terug op de architectuur van de romaanse periode
(11e–12e eeuw).
Hoewel de Neogotiek al snel de dominante religieuze stijl werd, bleef de
Neoromaanse richting in Brussel aanwezig in kerkelijke, educatieve en
institutionele gebouwen, vaak in combinatie met andere neostijlen binnen het
eclecticisme.
De Neoromaanse stijl onderscheidt zich door haar massieve, sobere en plastisch
gedefinieerde architectuur, waarin de constructie en de decoratie een
duidelijke eenheid vormen. Typische kenmerken zijn: gebruik van rondbogen voor
vensters, portalen en arcades; zware pijlers en zuilen met eenvoudige
kapitelen; symmetrische, gesloten gevelcomposities; cilindrische torens of
vierkante westtorens met schilddak; kleine vensteropeningen die een robuust
muurvlak behouden; gevels in natuursteen of baksteen, vaak in combinatie met
witte steenaccenten; decoratieve banden in baksteen of mozaïek, verwijzend naar
de Lombardische of Rijnlandse romaanse tradities.
De stijl evoceert een gevoel van stevigheid, rust en spirituele concentratie,
wat hem bijzonder geschikt maakte voor religieuze architectuur en instellingen
met een morele of educatieve functie.
De Neoromaanse stijl moet in Brussel worden begrepen binnen het bredere
ideologische kader van de katholieke herleving in de negentiende eeuw. In de
nasleep van de Belgische onafhankelijkheid (1830) ontstond een hernieuwde
belangstelling voor het christelijke erfgoed van de middeleeuwen, dat men
beschouwde als een bron van morele stabiliteit en nationale continuïteit.
De Neoromaanse stijl werd gezien als een oorspronkelijke en sobere
architectuur, die een authentieke spiritualiteit uitdrukte, in contrast met de
meer emotionele gotiek of de wereldse classicistische stijlen.
Daarnaast werd de stijl ook in eclectische contexten gebruikt, met name voor
scholen, kazernes, ziekenhuizen en kloosters. Daar bood hij een symboliek van
discipline, orde en eenvoud, die goed aansloot bij de waarden van de
negentiende-eeuwse burgerlijke maatschappij. en modernistischeHet modernisme duidt
elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel
van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als
de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond,
eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat
dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële
materialen zoals gewapend beton, staal, glas).
Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken,
drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot
rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere
volumes en sterk gereduceerde decoratie.
Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden.
Modernisme van het interbellum
Periode: ca. 1920 – 1940
In Brussel is het modernisme van het interbellum
soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral
in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt
geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale
gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat
uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende
rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde
horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op
het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl.
Naoorlogs modernisme
Periode: ca. 1940 – 1960
Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende
karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek
(eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas
het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en
toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze
architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in
het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd
in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen
benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak
als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning
(met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op
het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie,
aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt.
Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd
Periode: ca. 1950 – 1965
Het ludiek modernisme of
de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke
woningen in die periode figureerden),
dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is
een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de
jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960.
De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het
functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren,
die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels,
boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige
motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert
graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste
structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de
kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen
zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot
succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950
worden ontwikkeld.
Laat modernisme
Periode: ca. 1970-1980
Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de
mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme
zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden
(rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie
van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de
structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes
verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen
met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar
inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties
staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken
(blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere
kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden
ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken
lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en
gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand
van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen
(rookglas).
Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien
als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast
op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode
waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich
tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan
het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak
wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie
van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse
klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. stijl
ontworpen in 1946 voor rekening van Maison
Saint-Ignace en tijdens de tweede helft van de 20e eeuw geleidelijk
uitgebreid.
Geschiedenis
Het klooster, dat bestond uit twee volumes aan straatzijde gescheiden door een toegangsvolume verlengd door een kapel, omvatte een “home voor jonge meisjes” en “kamers voor dames”. In 1951 liet Maison Saint-Ignace een bijgebouw binnen het bouwblok optrekken. Wellicht gaat het om het onder schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. verlengde volume met Schijfstraat nr.34, waar zich thans de kleuterafdeling bevindt van het in de Magnoliastraat gelegen Regina Pacisinstituut. In 1958 verlengde het Institut de Marie Réparatrice het linkervolume met een dieper gebouw van twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), in dezelfde stijl, en in 1963 liet de instelling op het rechtervolume een inspringende verdieping bouwen. In 1993 werd het klooster heringericht als rusthuis, dat in 2004 werd gerenoveerd.
Beschrijving
Bakstenen gevels met similiBepleistering ter imitatie van natuursteen., witsteen en hardsteen. De meeste muuropeningen rechthoekig en met uitspringende omlijsting. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... vervangen.
Linker- en rechtervolume elk met vijf bouwlagen onder plat dak, de eerste bouwlaag lager, als onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. aan het rechteruiteinde. De laatste bouwlaag van de twee volumes is recent opnieuw bekleed; die links was oorspronkelijk opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met een rij kleine rondboogvensters. Linkervolume met negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), rechtervolume met veertien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op de verdiepingen, de eerste acht inspringend achter een volume van slechts twee bouwlagen.
Op de achtergevel van het rechtervolume, in de tweede bouwlaag, gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. rondboogvensters gevat in een rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. die een kloostergang verlicht. Aan het uiteinde ervan, klein terugwijkend volume van drie bouwlagen.
Toegangsvolume met twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan straatzijde, opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met rondboogopeningen. De linkertravee vormt een rechthoekig torentje, onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. en met een hoog, drieledig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. (thans gedicht). Bovenaan, twee gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. gevat in een rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. omlijsting. In deze bouwlaag, twee kleine gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de zijgevel. Rechts, aan de straat, brede toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. met geveltop van twee bouwlagen, voorzien van een imposant portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). met rondboogomlijsting; rechthoekige ingang onder een hoger impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. achter een beeld van Maria met Kind. Daarboven, vier gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. die een hoog kruis, tussen de letters “A ?”, flankeren. In de bovenste bouwlagen, inspringende puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met twee registersVensterstrook in een topgevel. van vier gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur..
Gebouwd op een volume van twee bouwlagen waarin zich diverse lokalen bevinden, hoge basiliekvormige kapel met halfronde koorafsluiting. BepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. muren. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur., arcadesEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. en nissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft.. Tongewelven met lunetten doorsneden door gordelbogen.
Geschiedenis
Het klooster, dat bestond uit twee volumes aan straatzijde gescheiden door een toegangsvolume verlengd door een kapel, omvatte een “home voor jonge meisjes” en “kamers voor dames”. In 1951 liet Maison Saint-Ignace een bijgebouw binnen het bouwblok optrekken. Wellicht gaat het om het onder schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. verlengde volume met Schijfstraat nr.34, waar zich thans de kleuterafdeling bevindt van het in de Magnoliastraat gelegen Regina Pacisinstituut. In 1958 verlengde het Institut de Marie Réparatrice het linkervolume met een dieper gebouw van twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), in dezelfde stijl, en in 1963 liet de instelling op het rechtervolume een inspringende verdieping bouwen. In 1993 werd het klooster heringericht als rusthuis, dat in 2004 werd gerenoveerd.
Beschrijving
Bakstenen gevels met similiBepleistering ter imitatie van natuursteen., witsteen en hardsteen. De meeste muuropeningen rechthoekig en met uitspringende omlijsting. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... vervangen.
Linker- en rechtervolume elk met vijf bouwlagen onder plat dak, de eerste bouwlaag lager, als onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. aan het rechteruiteinde. De laatste bouwlaag van de twee volumes is recent opnieuw bekleed; die links was oorspronkelijk opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met een rij kleine rondboogvensters. Linkervolume met negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), rechtervolume met veertien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op de verdiepingen, de eerste acht inspringend achter een volume van slechts twee bouwlagen.
Op de achtergevel van het rechtervolume, in de tweede bouwlaag, gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. rondboogvensters gevat in een rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. die een kloostergang verlicht. Aan het uiteinde ervan, klein terugwijkend volume van drie bouwlagen.
Toegangsvolume met twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan straatzijde, opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met rondboogopeningen. De linkertravee vormt een rechthoekig torentje, onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. en met een hoog, drieledig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. (thans gedicht). Bovenaan, twee gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. gevat in een rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. omlijsting. In deze bouwlaag, twee kleine gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de zijgevel. Rechts, aan de straat, brede toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. met geveltop van twee bouwlagen, voorzien van een imposant portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). met rondboogomlijsting; rechthoekige ingang onder een hoger impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. achter een beeld van Maria met Kind. Daarboven, vier gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. die een hoog kruis, tussen de letters “A ?”, flankeren. In de bovenste bouwlagen, inspringende puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met twee registersVensterstrook in een topgevel. van vier gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur..
Gebouwd op een volume van twee bouwlagen waarin zich diverse lokalen bevinden, hoge basiliekvormige kapel met halfronde koorafsluiting. BepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. muren. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur., arcadesEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. en nissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft.. Tongewelven met lunetten doorsneden door gordelbogen.
Bronnen
Archieven
SAB/OW 61272 (1946), 60846
(1951), 69342 (1958), 80766 (1963), 105754 (1993), 113131 (2004).
Publicaties en studies
VAN KRIEKINGE, D., Essai de
toponymie laekenoise, Laken, 1995, s.p.
Tijdschriften
Almanach
du Commerce et de l’Industrie, “Lima
(avenue de)”, 1953.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid














