Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
woning
werkplaats (ambachtelijk)
werkplaats (ambachtelijk)
Ontwerper(s)
Charles GRYSON – architect – 1935
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Modernisme
Pakketbootstijl
Inventaris(sen)
- Inventaris van de Industriële Architectuur (AAM - 1980-1982)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Het monumentale erfgoed van België. Anderlecht-Kuregem (Archistory - 2017-2019)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Wetenschappelijk De wetenschappelijke waarde wordt vaak erkend in het geval van landschappen (parken, halfnatuurlijke gebieden). Binnen de context van een onroerend goed kan het gaan om de aanwezigheid van een (bouw)element (bijzonder materiaal, experimenteel materiaal, bouwprocédé of -component) of getuigenis van een ruimtelijk-structurele ruimte (stedenbouwkundig) waarvan het behoud moet worden overwogen met het oog op wetenschappelijk onderzoek. In het geval van archeologische vindplaatsen en overblijfselen wordt de wetenschappelijke waarde erkend in relatie tot het uitzonderlijke karakter van de resten op het gebied van ouderdom (bijvoorbeeld de Romeinse villa in Jette), de uitzonderlijke bewaringsomstandigheden (bijvoorbeeld de site van het vroegere dorp Oudergem) of de uniciteit van de elementen (bijvoorbeeld een volledig bewaard dakspant) en derhalve op dat vlak een uitzonderlijke en prominente wetenschappelijke bijdrage vormen tot de kennis van ons stedelijk en pre-stedelijk verleden.
- Sociaal Moeilijk te onderscheiden van de volkskundige waarde en over het algemeen onvoldoende om een selectie op zichzelf te rechtvaardigen. - herinneringsplaats van een gemeenschap of van van een sociale groep (bijvoorbeeld de bedevaartskapel op het Kerkplein in Sint-Agatha-Berchem, “de Oude Linde” in Boendael te Elsene); - een plaats met volkssymboliek (bijvoorbeeld het café het “Goudblommeke in papier” in de Cellebroersstraat); - een plaats waar een wijk samenkomt of gestructureerd is (bijvoorbeeld De gebouwen “Fer à Cheval”- in de Floréal tuinwijk); - een goed dat deel uitmaakt van of bestaat uit openbare voorzieningen (scholen, crèches, gemeenschaps- of parochiezalen, sporthallen, stadions, enz.); - goed of ensemble (al dan niet sociale huisvesting) ontworpen om sociale interactie, wederzijdse hulp en buurtcohesie te stimuleren (bijvoorbeeld de woonwijken die na de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd in Ganshoren of de wijken die speciaal voor ouderen werden ontworpen); - goed dat deel uitmaakt van een industrieel complex dat een aanzienlijke activiteit heeft gegenereerd in de gemeente waar het zich bevindt of in het Gewest.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016, 2019
id
Urban : 36306
Beschrijving
Op de hoek met de Kliniekstraat, modernistischeHet modernisme duidt
elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel
van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als
de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond,
eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat
dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële
materialen zoals gewapend beton, staal, glas).
Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken,
drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot
rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere
volumes en sterk gereduceerde decoratie.
Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden.
Modernisme van het interbellum
Periode: ca. 1920 – 1940
In Brussel is het modernisme van het interbellum
soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral
in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt
geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale
gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat
uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende
rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde
horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op
het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl.
Naoorlogs modernisme
Periode: ca. 1940 – 1960
Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende
karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek
(eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas
het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en
toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze
architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in
het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd
in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen
benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak
als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning
(met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op
het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie,
aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt.
Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd
Periode: ca. 1950 – 1965
Het ludiek modernisme of
de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke
woningen in die periode figureerden),
dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is
een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de
jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960.
De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het
functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren,
die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels,
boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige
motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert
graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste
structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de
kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen
zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot
succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950
worden ontwikkeld.
Laat modernisme
Periode: ca. 1970-1980
Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de
mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme
zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden
(rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie
van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de
structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes
verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen
met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar
inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties
staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken
(blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere
kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden
ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken
lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en
gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand
van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen
(rookglas).
Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien
als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast
op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode
waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich
tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan
het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak
wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie
van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse
klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980.
woning en dito atelier met invloed van de pakketbootstijl1930 – 1940.
De pakketbootstijl ontwikkelt zich op het einde van het interbellum als een
laatmodernistische architectuurstroming die voortbouwt op de art deco en
geleidelijk evolueert naar een meer functionele, gestroomlijnde vormentaal. De
stijl ontleent haar naam en vormentaal aan de trans-Atlantische oceaanliners,
die in dezelfde periode hun technologische en economische hoogtepunt bereiken.
Iconische rederijen zoals de Red Star Line in Antwerpen en prestigieuze
pakketboten als de Île-de-France en de Normandie belichamen deze moderniteit en
vooruitgangsgedachte.
De pakketbootstijl wordt gekenmerkt door een uitgesproken nadruk op
horizontaliteit en afgeronde volumes. Hoekpartijen worden vaak afgewerkt met
gebogen erkers of afgeronde balkons, wat de indruk van aerodynamiek en beweging
versterkt. De gevels zijn doorgaans uitgevoerd in baksteen met schaduwvoegen,
vaak gecombineerd met bepleisterde gevelvlakken om het lineaire karakter te
benadrukken. Typische elementen zijn: brede, doorlopende vensterregisters of
bandramen, patrijspoortvensters, sterk overkragende betonbanden en daklijsten, platte
daken, soms met dakterras, vlaggenmasten en metalen buisleuningen en afgeronde
hoekramen of -balkons.
Naast de formele gelijkenissen speelt ook het idee van modern comfort een rol:
centrale verwarming, liften, ingebouwde garages en functioneel ingerichte
plattegronden maken deel uit van het vooruitstrevende woonideaal dat de stijl
uitdraagt.
In Brussel vindt de pakketbootstijl vooral ingang in de eerste en tweede kroon,
waar tijdens het interbellum intensieve stadsuitbreiding plaatsvindt. De stijl
is bijzonder populair in de residentiële architectuur, zowel bij
eengezinswoningen als bij grotere appartementsgebouwen, waar hij een modern en
kosmopolitisch imago verleent.
Ook utilitaire gebouwen worden in deze vormentaal gerealiseerd. Een bekend
voorbeeld is het voormalige Nationaal Instituut voor Radio-Omroep (NIR) aan het
Eugène Flageyplein in Elsene ontworpen door Joseph Diongre, dat met zijn
afgeronde hoeken en horizontale geleding een uitgesproken nautische uitstraling
bezit., n.o.v. architect
Charles Gryson, 1935.
Achter eenzelfde doorlopende gevel, woning op de hoek en atelier aan de Jorezstraat, met één tot drie bouwlagen onder plat dak. Gevel in gewassen granitoBedekking met veelkleurige (marmer)stukjes, gebed in cementmortel, die na verharding glanzend wordt geschuurd., thans in het wit geschilderd. Hardstenen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.. Omlijsting van de muuropeningen in keramiek (ook beschilderd). Vensters op de benedenverdieping thans beschermd door traliewerk met postmodernistischePeriode: ca. 1975 – 2000 Het postmodernisme zet zich af tegen de modernistische en functionalistische soberheid. Het ornament wordt opnieuw in ere hersteld als drager van betekenis. Het postmodernisme tracht de abstracte functionele architectuur een menselijk gezicht en karakter te geven en wil een zekere vertrouwdheid tot stand brengen, soms dankzij een referentie naar historische architectuur. De formele elementen uit het verleden (classicisme, art deco, Wiener Secession enz.) worden op een hedendaagse manier geherinterpreteerd, vaak met een toets ironie of humor (bijvoorbeeld door overdrijving): frontons, bogen, kolommen, pilasters, torentjes,… Voor prestigearchitectuur wordt opnieuw naar natuurlijke materialen zoals steen en marmer gegrepen, die dan met glas (spiegelglas) en roestvrij staal worden gecombineerd. In projecten met een beperkter budget zijn de gebruikte materialen minder luxueus (betonblokken, gekleurd metaal). In Brussel is postmodernisme terug te vinden zowel in bedrijfsarchitectuur (flagship buildings) als in openbare gebouwen (scholen, crèches, overheidsgebouwen) of in winkelcentra … invloed. Toegangsdeuren onder paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting.. Kozijnen met horizontale roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd., thans vervangen, behalve de deur van het atelier en delen van het raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. achteraan.
Woning van één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de Kliniekstraat, gebogen hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw. en twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de Jorezstraat. Gevel aan deze zijde risaliterendRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden., behalve op de verdiepingen van de tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). In het rechter uiteinde van de hoek, toegangsdeur onder vlaggenmast. In de eerste twee bouwlagen op de eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de Jorezstraat, glaspartij die het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. verlicht. Garagepoort op de tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Tweede verdieping beperkt tot deze twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); de hoek wordt ingenomen door een terras-solarium, vroeger met beglaasde pergola, thans met buisreling. Een brede glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. met twee zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. geeft toegang tot het terras. Achtergevel van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), rechts met muuropeningen met twee monelenStenen vensterstijl., op de verdieping achter een balkon met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust..
Interieur. TrappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. dat uitgeeft op een grote, bijna vierkante hal in elke bouwlaag. Oorspronkelijk, eetkamer aan de Kliniekstraat, salon op de hoek, waarvan de kromming doorloopt in een boogvormig muurvlak tegen de ingang. Keuken achter de garage. Op de eerste verdieping, drie kamers aan straatzijde, badkamer en een “kastenkamer” (chambre d’armoires) achteraan. Tussen die kamer en de voorkamer aan de Jorezstraat, diensttrap die naar de tweede verdieping leidt. Op deze verdieping, drie vertrekken en een grote hal die breed opent naar het terras-solarium.

Het rechthoekige atelier bestaat uit een ondiep volume van twee bouwlagen aan straatzijde en een tweede volume, even hoog maar minder breed, achteraan. In het midden wordt de atelierruimte opgedeeld in drie delen onder daken met toenemende hoogte: één bouwlaag voor het linkerdeel en twee voor het rechterdeel; daar vormt de tweede bouwlaag een galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. die uitgeeft op het middendeel, met een hoogte onder plafond van anderhalve bouwlaag. Op de straatgevel, deur geflankeerd door twee venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.; het vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. rechts werd omgebouwd tot garagepoort maar nadien in zijn oorspronkelijke staat hersteld. Lang vensterregisterDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. op de verdieping. Het atelier wordt lateraal verlicht door een vensterregisterDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters.. Oorspronkelijk bevatte het lagere deel van het dak een daklicht.
Interieur. Oorspronkelijk, kantoor links, geflankeerd door de ingang en een trap. Op de verdieping, vertrekken voorbehouden voor het papier (papiers) links en het brocheren (brochage) rechts; de centrale hal geeft toegang tot de vide van het atelier. Achtervolume bestemd voor de zetmachines (linotypes) op de benedenverdieping en voor het magazijn op de verdieping.
Er loopt momenteel een project om het geheel te herbestemmen tot maatschappelijk en cultureel centrum. Aan de Kliniekstraat is in de achterliggende binnenplaats, die door een muurtje wordt afgesloten, tegen de gemene muur een hoog en smal gebouw met gebogen hoek gepland dat voor sociale studio’s is bestemd (SVM Architect).
Achter eenzelfde doorlopende gevel, woning op de hoek en atelier aan de Jorezstraat, met één tot drie bouwlagen onder plat dak. Gevel in gewassen granitoBedekking met veelkleurige (marmer)stukjes, gebed in cementmortel, die na verharding glanzend wordt geschuurd., thans in het wit geschilderd. Hardstenen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.. Omlijsting van de muuropeningen in keramiek (ook beschilderd). Vensters op de benedenverdieping thans beschermd door traliewerk met postmodernistischePeriode: ca. 1975 – 2000 Het postmodernisme zet zich af tegen de modernistische en functionalistische soberheid. Het ornament wordt opnieuw in ere hersteld als drager van betekenis. Het postmodernisme tracht de abstracte functionele architectuur een menselijk gezicht en karakter te geven en wil een zekere vertrouwdheid tot stand brengen, soms dankzij een referentie naar historische architectuur. De formele elementen uit het verleden (classicisme, art deco, Wiener Secession enz.) worden op een hedendaagse manier geherinterpreteerd, vaak met een toets ironie of humor (bijvoorbeeld door overdrijving): frontons, bogen, kolommen, pilasters, torentjes,… Voor prestigearchitectuur wordt opnieuw naar natuurlijke materialen zoals steen en marmer gegrepen, die dan met glas (spiegelglas) en roestvrij staal worden gecombineerd. In projecten met een beperkter budget zijn de gebruikte materialen minder luxueus (betonblokken, gekleurd metaal). In Brussel is postmodernisme terug te vinden zowel in bedrijfsarchitectuur (flagship buildings) als in openbare gebouwen (scholen, crèches, overheidsgebouwen) of in winkelcentra … invloed. Toegangsdeuren onder paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting.. Kozijnen met horizontale roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd., thans vervangen, behalve de deur van het atelier en delen van het raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. achteraan.
Woning van één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de Kliniekstraat, gebogen hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw. en twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de Jorezstraat. Gevel aan deze zijde risaliterendRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden., behalve op de verdiepingen van de tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). In het rechter uiteinde van de hoek, toegangsdeur onder vlaggenmast. In de eerste twee bouwlagen op de eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de Jorezstraat, glaspartij die het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. verlicht. Garagepoort op de tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Tweede verdieping beperkt tot deze twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); de hoek wordt ingenomen door een terras-solarium, vroeger met beglaasde pergola, thans met buisreling. Een brede glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. met twee zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. geeft toegang tot het terras. Achtergevel van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), rechts met muuropeningen met twee monelenStenen vensterstijl., op de verdieping achter een balkon met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust..
Interieur. TrappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. dat uitgeeft op een grote, bijna vierkante hal in elke bouwlaag. Oorspronkelijk, eetkamer aan de Kliniekstraat, salon op de hoek, waarvan de kromming doorloopt in een boogvormig muurvlak tegen de ingang. Keuken achter de garage. Op de eerste verdieping, drie kamers aan straatzijde, badkamer en een “kastenkamer” (chambre d’armoires) achteraan. Tussen die kamer en de voorkamer aan de Jorezstraat, diensttrap die naar de tweede verdieping leidt. Op deze verdieping, drie vertrekken en een grote hal die breed opent naar het terras-solarium.

Het rechthoekige atelier bestaat uit een ondiep volume van twee bouwlagen aan straatzijde en een tweede volume, even hoog maar minder breed, achteraan. In het midden wordt de atelierruimte opgedeeld in drie delen onder daken met toenemende hoogte: één bouwlaag voor het linkerdeel en twee voor het rechterdeel; daar vormt de tweede bouwlaag een galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. die uitgeeft op het middendeel, met een hoogte onder plafond van anderhalve bouwlaag. Op de straatgevel, deur geflankeerd door twee venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.; het vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. rechts werd omgebouwd tot garagepoort maar nadien in zijn oorspronkelijke staat hersteld. Lang vensterregisterDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. op de verdieping. Het atelier wordt lateraal verlicht door een vensterregisterDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters.. Oorspronkelijk bevatte het lagere deel van het dak een daklicht.
Interieur. Oorspronkelijk, kantoor links, geflankeerd door de ingang en een trap. Op de verdieping, vertrekken voorbehouden voor het papier (papiers) links en het brocheren (brochage) rechts; de centrale hal geeft toegang tot de vide van het atelier. Achtervolume bestemd voor de zetmachines (linotypes) op de benedenverdieping en voor het magazijn op de verdieping.
Er loopt momenteel een project om het geheel te herbestemmen tot maatschappelijk en cultureel centrum. Aan de Kliniekstraat is in de achterliggende binnenplaats, die door een muurtje wordt afgesloten, tegen de gemene muur een hoog en smal gebouw met gebogen hoek gepland dat voor sociale studio’s is bestemd (SVM Architect).
Bronnen
Archieven
GAA/DS 27490 (08.10.1935).
Publicaties en studies
CULOT, M. [red.], Anderlecht 1. Inventaire visuel de l’architecture industrielle à Bruxelles, AAM, Brussel, 1980, fiche 37.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid











