Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Versailleslaan 121, 123, 125, 127, 129, 131, 133-135, 138, 140-142, 144, 146, 148-150
Beizegemstraat 117, 119-121, 123, 125, 127, 129, 131
Japanse Torenstraat 1, 9-11, 13
Laskouter 1, 3-5, 7-9
Typologie(ën)
appartementsgebouw
Ontwerper(s)
M. VAN RAEMDONCK – architect – 1968-1981
A. DE HAES – architect – 1968-1981
Robert COURTOIS – architect – 1968-1981
ARCHITECTES ET URBANISTES ASSOCIÉS – architectenbureau – 1968-1981
Jean WYNEN – architect – 1968-1981
Jean-Pierre BLONDEL – architect – 1968-1981
M. KUBLA – architect – 1968-1981
Odette FILIPPONE – architect – 1966-1981
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Inventaris(sen)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Landschappelijk Een landschap is een gebied, zoals waargenomen door de mens, waarvan het karakter het resultaat is van ondernomen actie en interactie van natuurlijke en/of menselijke factoren. Het is een schaalbegrip bestaande uit verschillende (erfgoed)componenten, die elk, al of niet hun intrinsieke waarde hebben, maar alles samen tot een groter meerwaardegeheel verheffen én dat dit ook zo word gepercipieerd vanop een bepaalde afstand. Wijde stadspanorama’s zijn het landschap bij uitstek, denk bijvoorbeeld aan het zicht over de benedenstad van Brussel vanop het Koningsplein, maar ook op kleinere schaal kunnen dergelijke landschappen die uit verschillende componenten zijn samengesteld voorkomen.
- Sociaal Moeilijk te onderscheiden van de volkskundige waarde en over het algemeen onvoldoende om een selectie op zichzelf te rechtvaardigen. - herinneringsplaats van een gemeenschap of van van een sociale groep (bijvoorbeeld de bedevaartskapel op het Kerkplein in Sint-Agatha-Berchem, “de Oude Linde” in Boendael te Elsene); - een plaats met volkssymboliek (bijvoorbeeld het café het “Goudblommeke in papier” in de Cellebroersstraat); - een plaats waar een wijk samenkomt of gestructureerd is (bijvoorbeeld De gebouwen “Fer à Cheval”- in de Floréal tuinwijk); - een goed dat deel uitmaakt van of bestaat uit openbare voorzieningen (scholen, crèches, gemeenschaps- of parochiezalen, sporthallen, stadions, enz.); - goed of ensemble (al dan niet sociale huisvesting) ontworpen om sociale interactie, wederzijdse hulp en buurtcohesie te stimuleren (bijvoorbeeld de woonwijken die na de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd in Ganshoren of de wijken die speciaal voor ouderen werden ontworpen); - goed dat deel uitmaakt van een industrieel complex dat een aanzienlijke activiteit heeft gegenereerd in de gemeente waar het zich bevindt of in het Gewest.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Het Versaillesproject – gerealiseerd in vier fasen - maakte aanvankelijk deel uit van een omvattend ontwikkelingsplan voor Neder-Over-Heembeek waarbij een snelwegverbinding tussen de Van Praetbrug en de ring zou komen met een tunnel onder de Versailleslaan. Deze verbinding werd echter niet gerealiseerd. Fase 4 werd vereenvoudigd en op de plaats van de snelwegverbinding kwam een open groene ruimte voor sport en ontspanning.
De sociale appartementen, bestaande uit ongeveer 800 wooneenheden, werden opgetrokken op een heuvelachtige site langs de Versailleslaan. Kwaliteitsvolle inplanting met aandacht voor groenaanleg, onderbroken door wegeltjes en trappartijen in beton. De architectuur van de woningblokken wordt gekenmerkt door een variatie van kubistische volumes, talrijke terrassen en de combinatie van bakstenen gevels op betonnen, vaak zichtbare structuren.
Fase 1 uit 1968 (Versailleslaan 127, 129, 131, Beizegemstraat 123, 125, 127, 129) bestaande uit zeven appartementsblokken van ieder vier tot vijf verdiepingen. Gelegen op een hellend vlak en rond terrassen vormen ze twee groepen van drie en vier onderling verbonden blokken.
Gevels in roodbruine baksteen met glad betonnen horizontale banden en prefab betonnen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Oorspronkelijke meranti schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... vervangen in 2005-2006.
Fase 2 uit 1969-1972 (Versailleslaan 121, 123, 125, Japanse Torenstraat 1, Beizegemstraat 131) als aanvulling op fase 1, en bestaande uit vijf appartementsblokken, waarvan twee bredere met terrassen aan de zuidkant, overige gelijkaardig als deze van fase 1. Aangelegd rond terrassen.
Gevels in roodbruine baksteen met gladde betonnen banden en dito prefab borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. onder de ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn.. Oorspronkelijk houten ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. in 2008 vervangen door pvc-ramen.
Fase 3 uit 1973-1975 (Versailleslaan 133-135, 144, 146, 148-150, Laskouter 1, Beizegemstraat 117, 119-121) bestaande uit acht appartementsblokken, deels onderling verbonden, van drie tot vier verdiepingen. Twee appartementsblokken van respectievelijk dertien en vijftien verdiepingen en een technische verdieping. Aangelegd rond terrassen op variërende hoogten. Oorspronkelijk allemaal voorzien van hetzelfde roodbruine baksteenparement, maar niet zo uitgevoerd
Momenteel nog het vermoedelijke originele aluminium schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... ; inkomdeur vervangen in 2013.
De twee hoge appartementsblokken gerealiseerd met parementGevel- of muurbekleding. van prefab uitgewassen grindbeton en de lagere woonblokken oorspronkelijk met een lichtbeige baksteenparement. In 1994 kregen deze lagere blokken een nieuwe gevelbekleding met isolatie en imitatie sierbetonpanelen in het lichtbeige, eveneens naar ontwerp van AUA.
Fase 4 uit 1977-1981 (Versailleslaan 138, 140-142, Laskouter 3-5, 7-9, Japanse Torenstraat 9-11, 13) bestaande uit tien appartementsblokken van vier tot zes verdiepingen (+ technische verdieping), sommigen onderling verbonden.
Gevels in lichtrode baksteen, balkons in prefab glad beton en metalen ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn..
Motivering erfgoedwaarden
Artistieke waarde
De sociale woonblokken zijn representatief voor het naoorlogs modernismeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. met een brutalistischePeriode: ca. 1950 – 1980. Het brutalisme is een stroming die voortkomt uit het modernisme en ontstaat na de Tweede Wereldoorlog. In België ontwikkelt de stroming zich vanaf ca. 1960. Het brutalisme laat zich inspireren door de late werken van Le Corbusier, gekenmerkt door expressieve en rauwe vormen. De stijl benadrukt de eerlijkheid van de architectuur door bouwmaterialen zichtbaar en onafgewerkt te tonen. Kenmerkend zijn zichtbaar metselwerk en ruw beton, waarin vaak de afdruk van de bekisting behouden blijft. De gebouwen hebben doorgaans een massieve en monumentale uitstraling, met repetitieve geometrische vormen en een sober, soms streng karakter. De architectuur is functioneel opgevat en gericht op eenvoud en structurele leesbaarheid. In Brussel wordt de stijl vooral toegepast op kantoor- en appartementsgebouwen, vaak opgevat als grootschalige gehelen, maar ook in kerken - onder meer in de context van het Tweede Vaticaans Concilie - en openbare gebouwen. Het brutalisme kadert in de naoorlogse stedelijke expansie van de tweede kroon van het Gewest, die gepaard ging met een sterke vraag naar moderne en functionele infrastructuur. Hoewel het brutalisme minder vaak voorkomt in individuele woningen en kleinschalige gebouwen, heeft de stijl een belangrijk bijdrage geleverd aan het Brusselse architectuurlandschap van de tweede helft van de 20e eeuw. tendens en hebben hun integriteit en authenticiteit grotendeels behouden.
De woonblokken zijn representatief voor het werk van AUA. Opgericht om dergelijke opdrachten te kunnen realiseren bestond de Architectes et Urbanistes Associés uit architecten die zich toelegden op de stedenbouwkundige aspecten en andere op de architecturale. Sommige elementen keren terug in andere projecten van de afzonderlijke architecten, zoals de terrasbouw in het werk van Blondel en Filippone.
Esthetische waarde
De blokken met verschillende hoogten en met verbindende elementen zoals betonnen wegeltjes en terrassen hebben een contextuele waarde omwille van de bijdrage aan het visuele effect in de omgeving (stedenbouwkundig en architecturale coherentie).
Historische waarde
De sociale woningen hebben een contextuele waarde binnen het historisch kader van de ontwikkeling van de stad.
Landschappelijke waarde
De woonblokken zijn ingepland op een heuvelend landschap, ze hebben verschillende bouwhoogten, verbindende elementen als wegeltjes en terrassen die het reliëf volgen en een grote groenzone vrijwaren en vormen op deze manier een panorama dat het geheel een contextuele waarde en ensemblewaarde geeft.
Sociale waarde
De sociale woonblokken hebben een contextuele waarde omdat ze deel uitmaken van een sociale woonwijk van de Stad Brussel.
Stedenbouwkundige waarde
De woonblokken vormen een groep coherente gebouwen die allemaal binnen een bepaalde tijdspanne, door dezelfde architecten en voor dezelfde opdrachtgever zijn ontworpen (architectonisch ensemble) en hebben daarmee ook een ensemblewaarde.
Bronnen
Archieven
SAB/OW
75385 (1965), 85965 (1966-‘69), 84600 (1970), 84558 (1971), 84561 (1971), 86305
(1975), 86161 (1976), 91928 (1979), 93153 (1979), 106382 (1994)
Publicaties en studies
BURNIAT, P.; PUTTEMANS, P.; VANDENBREEDEN, J. Moderne architectuur in Brussel (gids), Les Editions de l'Octogone,
Brussel - Louvain-La-Neuve, 2000
SAUSSEZ, L. Robert Courtois 1922-2011
(mémoire, Faculté d’Architecture ULB-La Cambre-Horta), Brussel, 2020
Opmerkelijke bomen in de nabijheid








