Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
orgel
Ontwerper(s)
Marc DESSAUVAGE – architect – 1964
Jean-Pierre DRAPS – orgelbouwer – 1964
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Inventaris van het Hedendaags Erfgoed (Urbat - 1994)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed 1939-1999 (ULB)
- Inventaris van de orgels in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (DMS-DML - 2000)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Wetenschappelijk De wetenschappelijke waarde wordt vaak erkend in het geval van landschappen (parken, halfnatuurlijke gebieden). Binnen de context van een onroerend goed kan het gaan om de aanwezigheid van een (bouw)element (bijzonder materiaal, experimenteel materiaal, bouwprocédé of -component) of getuigenis van een ruimtelijk-structurele ruimte (stedenbouwkundig) waarvan het behoud moet worden overwogen met het oog op wetenschappelijk onderzoek. In het geval van archeologische vindplaatsen en overblijfselen wordt de wetenschappelijke waarde erkend in relatie tot het uitzonderlijke karakter van de resten op het gebied van ouderdom (bijvoorbeeld de Romeinse villa in Jette), de uitzonderlijke bewaringsomstandigheden (bijvoorbeeld de site van het vroegere dorp Oudergem) of de uniciteit van de elementen (bijvoorbeeld een volledig bewaard dakspant) en derhalve op dat vlak een uitzonderlijke en prominente wetenschappelijke bijdrage vormen tot de kennis van ons stedelijk en pre-stedelijk verleden.
- Sociaal Moeilijk te onderscheiden van de volkskundige waarde en over het algemeen onvoldoende om een selectie op zichzelf te rechtvaardigen. - herinneringsplaats van een gemeenschap of van van een sociale groep (bijvoorbeeld de bedevaartskapel op het Kerkplein in Sint-Agatha-Berchem, “de Oude Linde” in Boendael te Elsene); - een plaats met volkssymboliek (bijvoorbeeld het café het “Goudblommeke in papier” in de Cellebroersstraat); - een plaats waar een wijk samenkomt of gestructureerd is (bijvoorbeeld De gebouwen “Fer à Cheval”- in de Floréal tuinwijk); - een goed dat deel uitmaakt van of bestaat uit openbare voorzieningen (scholen, crèches, gemeenschaps- of parochiezalen, sporthallen, stadions, enz.); - goed of ensemble (al dan niet sociale huisvesting) ontworpen om sociale interactie, wederzijdse hulp en buurtcohesie te stimuleren (bijvoorbeeld de woonwijken die na de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd in Ganshoren of de wijken die speciaal voor ouderen werden ontworpen); - goed dat deel uitmaakt van een industrieel complex dat een aanzienlijke activiteit heeft gegenereerd in de gemeente waar het zich bevindt of in het Gewest.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Vrijstaand
kerkgebouw in brutalistischePeriode: ca. 1950 – 1980.
Het brutalisme is een stroming die voortkomt uit het modernisme en ontstaat na
de Tweede Wereldoorlog. In België ontwikkelt de stroming zich vanaf ca. 1960. Het
brutalisme laat zich inspireren door de late werken van Le Corbusier, gekenmerkt
door expressieve en rauwe vormen. De stijl benadrukt de eerlijkheid van de
architectuur door bouwmaterialen zichtbaar en onafgewerkt te tonen. Kenmerkend
zijn zichtbaar metselwerk en ruw beton, waarin vaak de afdruk van de bekisting behouden
blijft. De gebouwen hebben doorgaans een massieve en monumentale uitstraling,
met repetitieve geometrische vormen en een sober, soms streng karakter. De
architectuur is functioneel opgevat en gericht op eenvoud en structurele
leesbaarheid.
In Brussel wordt de stijl vooral toegepast op kantoor- en appartementsgebouwen,
vaak opgevat als grootschalige gehelen, maar ook in kerken - onder meer in de
context van het Tweede Vaticaans Concilie - en openbare gebouwen. Het
brutalisme kadert in de naoorlogse stedelijke expansie van de tweede kroon van
het Gewest, die gepaard ging met een sterke vraag naar moderne en functionele
infrastructuur. Hoewel het brutalisme minder vaak voorkomt in individuele
woningen en kleinschalige gebouwen, heeft de stijl een belangrijk bijdrage geleverd
aan het Brusselse architectuurlandschap van de tweede helft van de 20e eeuw. stijl gebouwd in opdracht van de kerkfabriek
Sint-Jozef en naar ontwerp van de architect Marc Dessauvage, 1964-1966.
Historiek
De
Sint-Jozefkerk in de Dieleghemwijk werd in 1964-1966 gebouwd op de locatie van
de voormalige abdij van Dieleghem. Na de afschaffing van de abdij van Dieleghem
in 1796, werden de gebouwen verkocht met de verplichting voor de koper om de
religieuze bouwwerken te slopen: de abdijkerk en het kloosterpand werden de
twee daaropvolgende jaren met de grond gelijk gemaakt. Enkel de abtswoning werd
bewaard en omgeven door een weelderig park met talrijke bomen, die verkocht
werd als buitenhuis. Na een opeenvolging van verschillende eigenaars werd het
landgoed in 1898 verkocht aan de dokter Alphonse Capart die er enkele jaren
woonde met zijn familie en het domein vanaf 1929 liet verkavelen.
Met het oog op de nieuwe wijk en de bijhorende bevolkingstoename werd reeds
snel besloten tot de creatie van een nieuwe parochie. In januari 1929 erkent
het aartsbisdom van Mechelen de kapelanij die afhangt van de
Sint-Pietersparochie van Jette, en in december 1930 wordt de nieuwe
Sint-Jozefparochie erkend als succursale kerk. De abtswoning van Dieleghem
dient daarbij als voorlopige kapel en een Norbertijn van de abdij van
Grimbergen, de kanunnik Deleux, wordt aangesteld als eerste pastoor van de
parochie.
De verstedelijking van de Dieleghemwijk gaat echter moeizaam van start en het
is pas vanaf het begin van de jaren 1950 dat de eerste straten worden aangelegd
en voorzien van ééngezinswoningen en kleine appartementsgebouwen. In 1964 dient
de raad van de kerkfabriek een vraag tot bouwvergunning in voor de creatie van
het nieuw parochiaal centrum met kerkgebouw. Het gebouw is een ontwerp van de
befaamde architect Marc Dessauvage (1931, Moorslede – 1984, Brugge) en situeert
zich op een voorplein aan de hoek van de Remy Soetensstraat, de Jaak Pieter
Ballingslaan en de Joseph Schuermansstraat.

Het gebouw getuigt van de nieuwe kerkelijke architectuur typisch voor de
periode net na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) waarbij de kerk als
‘huis voor de gemeenschap’ diende en ze zowel architecturaal als
organisatorisch gemoderniseerd werd om een nauwer contact met de gelovigen
mogelijk te maken. In de jaren 1960 ontwerpt Marc Dessauvage een twintigtal
parochiekerken in Brussel en Vlaanderen die hij zelf omschreef als
‘woonkerken’. Deze typeren zich als sobere, geometrische volumes in baksteen,
beton en hout met gesloten gevels in combinatie met grote glaspartijen. Ook
wordt bijzondere aandacht besteed aan de organisatie van het interieur waarbij
de gebedsruimte een eenvoudig grondplan heeft en het altaar vaak omgeven wordt
door zitplaatsen in U-vorm die het zicht voor alle gelovigen optimaal maakt.
Volgens dit eerste project is het grondplan van de Sint-Jozefkerk rechthoekig
onder plat dak met een aanpalend, lager volume voor de weekkapel en de berging
en twee kleine volumes met luifelsAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak. die de hoofd- en zij ingangen van het gebouw
markeren. Het gebouw wordt opgetrokken in donkerrode, bezande baksteen
(Paepesteen) met bovenaan de gevels brede betonranden. Horizontale
vensterpartijen met stalen schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... bevinden zich tussen beide zones. De
hoeken van de gevels worden voorzien van ruime vensterpartijen met een
verticale geleding. De omgeving rondom het kerkgebouw wordt tevens in het
bouwontwerp voorzien en bestaat uit twee grote trappartijen die leiden naar
beide ingangen. De hoofdingang naar de Remy Soetensstraat omvat een voorplein
en aan de hoek van beide ingangen worden een zestal bomen voorzien.
In 1965 dient de nieuwe pastoor van de Sint-Jozefparochie, de heer Frans
Tobback, een vraag tot wijziging van de bouwvergunning in: het ontwerp van het
cultusgebouw wordt aangepast en het programma uitgebreid. De betonnen
gevelelementen verdwijnen en worden vervangen door een afgeschuindSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. dakvolume in
kopervlakken met opstaande ribben. Verschillende horizontale raampartijen
worden weggelaten en vervangen door verticale exemplaren.
Wat betreft de interieurvolumes wordt het niveau van de gebedsruimte verhoogd
om een nieuwe kelderverdieping mogelijk te maken waarin zich twee grote
conferentiezalen, twee sacristieën, sanitair, berg- en technische ruimtes
bevinden. Het grondniveau van de gevel langs de zuidzijde wordt ingegraven
zodoende meer licht te geven aan deze kelderruimtes.
Ook de omgeving rondom de kerk, en in het bijzonder de trappartij langs de Remy
Soetensstraat, wordt aangepast aan de nieuwe bouwplannen: de trappartij volgt
geen strak rechthoekig volume meer maar is groter en breder waardoor ze een
monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. effect krijgt dat integraal deel uitmaakt van het kerkgebouw.
De evolutie van het ontwerp van de Sint-Jozefkerk is reeds te zien op een
eerste voorproject dat werd uitgegeven in het hedendaags tijdschrift Art
d’Eglise in 1964. Hierbij heeft het cultusgebouw een nog veel
uitgesprokener brutalistischPeriode: ca. 1950 – 1980.
Het brutalisme is een stroming die voortkomt uit het modernisme en ontstaat na
de Tweede Wereldoorlog. In België ontwikkelt de stroming zich vanaf ca. 1960. Het
brutalisme laat zich inspireren door de late werken van Le Corbusier, gekenmerkt
door expressieve en rauwe vormen. De stijl benadrukt de eerlijkheid van de
architectuur door bouwmaterialen zichtbaar en onafgewerkt te tonen. Kenmerkend
zijn zichtbaar metselwerk en ruw beton, waarin vaak de afdruk van de bekisting behouden
blijft. De gebouwen hebben doorgaans een massieve en monumentale uitstraling,
met repetitieve geometrische vormen en een sober, soms streng karakter. De
architectuur is functioneel opgevat en gericht op eenvoud en structurele
leesbaarheid.
In Brussel wordt de stijl vooral toegepast op kantoor- en appartementsgebouwen,
vaak opgevat als grootschalige gehelen, maar ook in kerken - onder meer in de
context van het Tweede Vaticaans Concilie - en openbare gebouwen. Het
brutalisme kadert in de naoorlogse stedelijke expansie van de tweede kroon van
het Gewest, die gepaard ging met een sterke vraag naar moderne en functionele
infrastructuur. Hoewel het brutalisme minder vaak voorkomt in individuele
woningen en kleinschalige gebouwen, heeft de stijl een belangrijk bijdrage geleverd
aan het Brusselse architectuurlandschap van de tweede helft van de 20e eeuw. karakter, dat zich kenmerkt door een strakke,
kubistische vorm met een schuine muur aan de hoek van de J.P. Ballingslaan en
de J. Schuermansstraat en een vlak
plafond dat deels lijkt te zweven boven de gevelmuur. De wijziging van de
plannen is wellicht te wijten aan een combinatie van financiële redenen, de
smaak van de kerkfabriek en de eisen voor het programma van het kerkgebouw.
De eerste steenlegging van de Sint-Jozefkerk vindt plaats in 1966 en drie jaar
later, in april 1969 wordt het cultusgebouw ingewijd.
De Sint-Jozefkerk wordt sinds ca. 2015 verhuurd aan de Oekraïense Apostolische
pinksterkerk van Mont de Sion die het gebouw recent aankocht en het gebruikt om zijn liturgische
vieringen te celebreren.
Beschrijving
Exterieur
Rechthoekig
grondplan met aanpalend rechthoekig volume, geheel onder plat dak. Spel van
geometrische volumes door de hoge bakstenen muur met afgeschuindSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. volume in
kopervlakken met opstaande ribben en verticale vensterpartijen van
verschillende afmetingen in zowel de gevelvlakken als het afgeschuindSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. volume.
Twee kleine, lagere volumes langs de noord- en oostelijke gevels met betonnen
bovenrand en brede houten deuren waarin zich de ingangsportalen bevinden naar
de grote gebedsruimte en de weekkapel.
Langs de westgevel reikt het afgeschuindSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel., koperen volume verder naar beneden
toe. De zuidgevel wordt ingegraven en reikt tot aan de kelderverdieping die verlicht wordt door grote raampartijen.
Het stalen schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... met geometrische verdelingen is behouden.
Het kerkgebouw wordt langs drie zijdes omgeven door grasbermen en -plantsoenen.
Langs de J.P. Ballingslaan bevindt zich een kleine bordestrap met betonnen
traptredes. Langs de R. Soetensstraat dito bordestrap met dubbele trappartij
voorzien van een centrale esplanade die dienst doet als voorplein. Het geheel
wordt langs de straatzijde afgesloten door een bakstenen muur (die recent
verbreed werd).
Interieur
De
gebedsruimte getuigt van een sobere en functionele stijl waarbij de bakstenen
muren zichtbaar werden gelaten. De rechtstreekse verlichting van de
muuropeningen en het afgeschuindSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. dakvolume geven de ruimte overvloedig veel
licht. De ingang langs de J.P. Ballingslaan wordt voorzien van een bakstenen
muurtje om de toegang discreter te maken.
Het altaar bevindt zich op een licht verheven podium en wordt omgeven door
doorlopende , houten banken, opgesteld in U- op een trappartij in dezelfde
U-vorm. Geometrische glas-in-loodramen in de grote vensterpartijen van de
gebedsruimte en de traphal, wellicht van een latere periode.
Thans werden de liturgische elementen (een Christusbeeld aan het kruis en een
beeld van de Maagd Maria met kind afkomstig van de voormalige abdij van
Dieleghem) zowel als het orgel (vervaardigd door Jean-Pierre Drap, 1964)
verwijderd om zich aan te passen aan de nieuwe functie van de ruimte. De
doorlopende banken die zich kenmerken door hun moderne en strakke stijl werden
behouden. De weekkapel en de ruimtes in de kelderverdieping werden grondig
gerenoveerd
Motivering erfgoedwaarden
Artistieke waarde
Het cultusgebouw is representatief voor het
modernismeHet modernisme duidt
elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel
van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als
de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond,
eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat
dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële
materialen zoals gewapend beton, staal, glas).
Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken,
drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot
rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere
volumes en sterk gereduceerde decoratie.
Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden.
Modernisme van het interbellum
Periode: ca. 1920 – 1940
In Brussel is het modernisme van het interbellum
soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral
in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt
geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale
gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat
uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende
rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde
horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op
het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl.
Naoorlogs modernisme
Periode: ca. 1940 – 1960
Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende
karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek
(eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas
het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en
toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze
architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in
het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd
in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen
benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak
als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning
(met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op
het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie,
aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt.
Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd
Periode: ca. 1950 – 1965
Het ludiek modernisme of
de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke
woningen in die periode figureerden),
dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is
een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de
jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960.
De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het
functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren,
die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels,
boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige
motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert
graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste
structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de
kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen
zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot
succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950
worden ontwikkeld.
Laat modernisme
Periode: ca. 1970-1980
Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de
mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme
zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden
(rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie
van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de
structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes
verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen
met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar
inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties
staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken
(blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere
kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden
ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken
lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en
gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand
van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen
(rookglas).
Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien
als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast
op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode
waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich
tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan
het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak
wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie
van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse
klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. en meer bepaald de brutalistischePeriode: ca. 1950 – 1980.
Het brutalisme is een stroming die voortkomt uit het modernisme en ontstaat na
de Tweede Wereldoorlog. In België ontwikkelt de stroming zich vanaf ca. 1960. Het
brutalisme laat zich inspireren door de late werken van Le Corbusier, gekenmerkt
door expressieve en rauwe vormen. De stijl benadrukt de eerlijkheid van de
architectuur door bouwmaterialen zichtbaar en onafgewerkt te tonen. Kenmerkend
zijn zichtbaar metselwerk en ruw beton, waarin vaak de afdruk van de bekisting behouden
blijft. De gebouwen hebben doorgaans een massieve en monumentale uitstraling,
met repetitieve geometrische vormen en een sober, soms streng karakter. De
architectuur is functioneel opgevat en gericht op eenvoud en structurele
leesbaarheid.
In Brussel wordt de stijl vooral toegepast op kantoor- en appartementsgebouwen,
vaak opgevat als grootschalige gehelen, maar ook in kerken - onder meer in de
context van het Tweede Vaticaans Concilie - en openbare gebouwen. Het
brutalisme kadert in de naoorlogse stedelijke expansie van de tweede kroon van
het Gewest, die gepaard ging met een sterke vraag naar moderne en functionele
infrastructuur. Hoewel het brutalisme minder vaak voorkomt in individuele
woningen en kleinschalige gebouwen, heeft de stijl een belangrijk bijdrage geleverd
aan het Brusselse architectuurlandschap van de tweede helft van de 20e eeuw. stijl: te herkennen aan de
expressieve en rauwe vormen bestaande uit een sobere, geometrische vormentaal
en het gebruik van zichtbare bouwmaterialen (baksteen en beton). Ook het
interieur getuigt van dezelfde stijl waarbij het functionalismePeriode: ca. 1920 – 1980
Het functionalisme is een architectuurstroming die vanaf de jaren 1920 opkomt.
De stroming berust op een eenvoudig principe: de vorm van een gebouw moet
rechtstreeks voortvloeien uit zijn functie. Dat basisprincipe wordt in het
interbellum binnen de modernistische architectuur toegepast.
In België ontwikkelt de zuiver functionalistische architectuur zich na de
Tweede Wereldoorlog, voornamelijk in het kader van grootschalige stadsprojecten
met belangrijke bouwkundige en maatschappelijke impact, doordat het economische
karakter van het functionalisme en zijn vermogen om efficiënt in te spelen op
de behoeften van de wederopbouw bijzonder goed aansluiten bij de realisaties
die dan worden opgestart. De stroming wordt gekenmerkt door een monofunctioneel
ontwerp, waarbij de vorm uitsluitend de uitdrukking is van het gebruik of de
functie. Ook typisch voor het functionalisme zijn hoge en sobere bouwwerken die
streven naar maximale ruimtelijke en materiële efficiëntie. Er wordt volledig
gebroken met historische stijlen en/of overbodige ornamenten worden geweerd.
Die ingrepen hebben het fenomeen van de verbrusseling mee vormgegeven:
ze hebben immers geleid tot grootschalige stadsvernieuwing met torens en brede
boulevards.
Het
gebruik van beton is evenzeer een kenmerk van het functionalisme, aangezien het
een materiaal is dat een grotere weerstand, duurzaamheid en
onderhoudsvriendelijkheid biedt dan traditionele materialen. Beton maakt
bovendien lichtere en meer economische structuren mogelijk, onder meer doordat
bouwonderdelen kunnen worden geprefabriceerd en gestandaardiseerd.
Functionalisme komt onder andere voor in bedrijfsarchitectuur, in residentiële
complexen met woontorens en in openbare gebouwen (scholen, commissariaten).
Vanaf het einde van de jaren 1970 ontwikkelt het
postmodernisme zich als reactie op het functionalisme en herintroduceert het
traditionele materialen zoals marmer en natuursteen. Ook decoratieve accenten
worden opnieuw toegevoegd. primeert. De
gebedsruimte valt op door zijn ruimtelijkheid en rijke, natuurlijke verlichting
en heeft een strakke en sobere inrichting met modern, houten meubilair
(doorlopende banken). Het cultusgebouw heeft zijn integriteit en authenticiteit
behouden.
Het cultusgebouw is representatie voor het
werk van de befaamde Vlaamse architect Marc Dessauvage die tijdens de jaren
1960 een groot aantal ‘woonkerken’ ontwierp in Brussel en Vlaanderen. Zijn
kerken baseren zich op de ontwerpprincipes van Ludwig Mies van der Rohe en Le
Corbusier en getuigen van een radicale, moderne kerkelijke architectuur.
Historische waarde
Het
cultusgebouw is representatief voor de typologie van parochiekerken en
illustreert de ontwikkeling van de Sint-Jozefparochie in samenhang met de
verstedelijking van de Dieleghemwijk. De parochie werd in 1929 opgericht, in
dezelfde periode waarin Antoine Capart de verstedelijking van de wijk
initieerde door zijn gronden rond de voormalige abtswoning van Dieleghem te
verkavelen en te verkopen. Bijna 40 jaar later – of tijdens de meest intense
bouwwoede van de wijk – werd de definitieve kerk gerealiseerd (1966).
De kerk is eveneens representatief voor de cultusgebouwen die na het
Tweede Vaticaans Concilie werden gebouwd. Dit concilie bracht ingrijpende
veranderingen teweeg in de wijze waarop katholieke kerken werden ontworpen en
ingericht. Nieuwe kerkgebouwen worden gekenmerkt door een functionele en
moderne architectuur. De traditionelePeriode: 17e-18e eeuw
In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze
tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat.
Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met
kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint,
kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een
assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken
onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel
(rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede
planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met
centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde
dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder,
gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf,
dat haaks op de straat is georiënteerd.
Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk
voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de
smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een
diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende
delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide
volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een
zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met
hoge dichtheid of langs invalswegen.
De gevel blijft trouw aan de
middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw
opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze,
zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop
van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale
varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen,
voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant
toegepast vanaf de jaren 1730–1740. kruiskerk met toren maakt plaats voor een
meer bescheiden zaalkerk, waarbij de toren vaak achterwege wordt gelaten. De
cultusgebouwen onderscheiden zich door hun eenvoud, het gebruik van hedendaagse
bouwmaterialen en lichtrijke ruimtes. Het interieur wordt aangepast aan de
nieuwe liturgische voorschriften, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke
organisatie en de actieve deelname van de gelovigen. Het altaar bevindt zich op
een laag podium en wordt omringd door zitplaatsen.
Sociale waarde
De
Sint-Jozefkerk is representatief voor moderne zaalkerken op menselijke
maat. De gebouwen kenmerken zich door hun ruimtelijkheid en soberheid met een
minimum aan meubilair en cultusobjecten en waarbij de participatie van de
parochianen wordt vergemakkelijkt en bevorderd.
Stedenbouwkundige waarde
Het cultusgebouw heeft contextuele waarde omdat het
een herkenningspunt vormt in het stedelijk landschap: het gebouw is vrijstaand
en wordt omgeven door een voorplein langs de Remy Soetensstraat en een vegetale
zone met bomen.
Bronnen
Archieven
GAJ/DS J3789 (1964); J4013 (1965).
Publicaties en studies
BEKAERT, G., L. Verpoest, Marc Dessauvage, 1931 / 1984, Antwerpen.
CAPELLE, P, Kerken te Brussel, Mechelen, 1995: p. 110.
COEKELBERGHS, D., Province de Brabant, Canton de Jette, Brussel, 1977: pp.15.
DEBUYST, F., ‘Architecture moderne et célébration chrétienne’, Art d’église, nr. 133, 1964, pp. 145-157.
VANDEN BOSCH, Gerrit. Parochie Sint-Jozef, Jette (Dielegem) / Paroisse Saint-Joseph, Jette (Dieleghem) (1930-). In:ODIS.Record last modified date: . Available from World Wide Web: http://www.odis.be/lnk/OR_18844
PAULUS, G., De abdij van Dielegem, Brussel, Stad van kunst en geschiedenis, nr. 41, Brussel, 2005: pp. 26-32.
VERPOEST, L., ‘Marc Dessauvage’, uitg. door A. Van Loo, Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwerpen, 2003: pp. 264-265.
Websites
Orgels in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Modern orgel op de grond (Draps, 1964) - Sint-Jozefkerk (Dielegem) - Orgels in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Dessauvage, Marc | Inventaris Onroerend Erfgoed
Opmerkelijke bomen in de nabijheid










