Typologie(ën)

burgerwoning
dokterscabinet - polykliniek

Ontwerper(s)

J. GERINarchitect1933

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Modernisme
Pakketbootstijl

Inventaris(sen)

  • Het monumentale erfgoed van België. Schaarbeek (Apeb - 2010-2015)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2012-2013

id

Urban : 21733
lees meer

Beschrijving

Op de hoek met de Ernest Laudestraat, modernistischHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. burgerhuis met invloed van de pakketbootstijl1930 – 1940. De pakketbootstijl ontwikkelt zich op het einde van het interbellum als een laatmodernistische architectuurstroming die voortbouwt op de art deco en geleidelijk evolueert naar een meer functionele, gestroomlijnde vormentaal. De stijl ontleent haar naam en vormentaal aan de trans-Atlantische oceaanliners, die in dezelfde periode hun technologische en economische hoogtepunt bereiken. Iconische rederijen zoals de Red Star Line in Antwerpen en prestigieuze pakketboten als de Île-de-France en de Normandie belichamen deze moderniteit en vooruitgangsgedachte. De pakketbootstijl wordt gekenmerkt door een uitgesproken nadruk op horizontaliteit en afgeronde volumes. Hoekpartijen worden vaak afgewerkt met gebogen erkers of afgeronde balkons, wat de indruk van aerodynamiek en beweging versterkt. De gevels zijn doorgaans uitgevoerd in baksteen met schaduwvoegen, vaak gecombineerd met bepleisterde gevelvlakken om het lineaire karakter te benadrukken. Typische elementen zijn: brede, doorlopende vensterregisters of bandramen, patrijspoortvensters, sterk overkragende betonbanden en daklijsten, platte daken, soms met dakterras, vlaggenmasten en metalen buisleuningen en afgeronde hoekramen of -balkons. Naast de formele gelijkenissen speelt ook het idee van modern comfort een rol: centrale verwarming, liften, ingebouwde garages en functioneel ingerichte plattegronden maken deel uit van het vooruitstrevende woonideaal dat de stijl uitdraagt. In Brussel vindt de pakketbootstijl vooral ingang in de eerste en tweede kroon, waar tijdens het interbellum intensieve stadsuitbreiding plaatsvindt. De stijl is bijzonder populair in de residentiële architectuur, zowel bij eengezinswoningen als bij grotere appartementsgebouwen, waar hij een modern en kosmopolitisch imago verleent. Ook utilitaire gebouwen worden in deze vormentaal gerealiseerd. Een bekend voorbeeld is het voormalige Nationaal Instituut voor Radio-Omroep (NIR) aan het Eugène Flageyplein in Elsene ontworpen door Joseph Diongre, dat met zijn afgeronde hoeken en horizontale geleding een uitgesproken nautische uitstraling bezit., gesigneerd rechts van de deur “(J.) GERIN / ARCH”, 1933. Bevatte oorspronkelijk een dokterskabinet op de eerste verdieping. In datzelfde jaar ontwierp deze architect ook het aanpalende huis (zie nr. 137).

Opstand van vier bouwlagen, de laatste – L-vormig plan met pergolastructuur op de hoek – in 1999 op het oorspronkelijke dakterras geplaatst. Twee ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) verbonden door een traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in cirkelboogvorm, met de toegang. Benedenverdieping van marmeren platen, thans beschilderd. Verdiepingen in geelgekleurde baksteen met witstenen elementen. Op de benedenverdieping, in de Ernest Laudestraat, vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. gewijzigd in een deur en garagepoort gewijzigd in een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. Toegangsdeur geflankeerd door dubbele halfzuilenZuil die met het muurwerk verbonden is, maar slechts over de halve dikte uitspringt. in witsteen en hardsteen, onder een luifelAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak. met uitsprong. Zware onderdorpels met bloembakken die per verdieping van vorm verschillen. De beglaasde metalen deur en het raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn., op de hoek met fijne zuiltjes, zijn bewaard.

Bronnen

Archieven
GAS/DS 283-135.