Typologie(ën)

woning of opbrengsthuis (onbepaald)

Ontwerper(s)

Dominique FASTRÉarchitect1889

Juridisch statuut

Afgebroken en/of verbouwd

Stijlen

Eclectisme

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

1993-1995

id

Urban : 10425
lees meer

Beschrijving

Pand n.o.v. arch. Dominique FASTRÉ (1889) met geknikte gevellijn.

Vier bouwlagen en drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in verspringende ordonnantie. Baksteenconstructie op arduinen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met neorenaissancistischDe Neo-Vlaamse renaissancestijl is een regionale variant van de neorenaissance die zich in Brussel ontwikkelde tussen circa 1860 en 1914. Zij grijpt terug op de zestiende-eeuwse bouwtraditie van de Zuidelijke Nederlanden, met name op Vlaamse stadhuizen, gildehuizen en patriciërswoningen uit de tijd van de Habsburgse Nederlanden. In tegenstelling tot de meer Italiaans georiënteerde neorenaissance legt de neo-Vlaamse richting de nadruk op nationale worteling, ambachtelijke expressie en stedelijke identiteit. De stijl ontstond in een context van groeiend nationaal en stedelijk bewustzijn: in de tweede helft van de 19e eeuw trachtten Belgische architecten en beleidsmakers een eigen architecturale vormentaal te definiëren, los van Franse of Engelse modellen. De terugkeer naar de Vlaamse renaissance bood een historisch verankerd maar hedendaags hanteerbaar idioom, dat verwees naar traditie, vakmanschap en burgerlijke trots. De zestiende eeuw gold daarbij als een gouden tijdperk van kunst, handel en stedelijke autonomie — waarden die men binnen de jonge Belgische natie opnieuw wilde oproepen. In Brussel, als hoofdstad van het koninkrijk, kreeg deze stijl een uitgesproken representatieve functie. Zij symboliseerde zowel continuïteit met het historische stadsbeeld als de identiteit van een zelfbewuste burgerij. Architecten combineerden de historiserende vormentaal vaak met moderne bouwtechnieken — zoals gietijzer, staal en nieuwe baksteenformaten — binnen een bredere eclectische stedelijke architectuur. De stijl werd bijzonder populair voor openbare gebouwen, scholen, gemeentehuizen, postgebouwen en burgerhuizen, en kreeg zo ook een educatieve en administratieve dimensie: zij moest burgerlijke orde, stedelijke trots en nationale identiteit zichtbaar maken. In de periode van Leopold II werd zij een wezenlijk onderdeel van het visuele profiel van de hoofdstad. De neo-Vlaamse renaissancestijl is herkenbaar aan een uitgesproken verticale en plastische gevelcompositie, met een levendig spel van materialen, kleuren en ornamenten. Typische kenmerken zijn het gebruik van rode baksteen gecombineerd met witte of blauwe natuursteen (soms in speklagen), trapgevels, kruisvensters en geprofileerde kozijnen, cartouches, medaillons, frontons en wimpelvormige dakkapellen, evenals beeldhouwwerk met figuren, wapenschilden of allegorische motieven. Horizontale cordonbanden en verticale lisenen ritmeren de gevel, soms aangevuld met smeedijzeren balkons of loggia’s in natuursteen of hout. De stijl combineert constructieve rationaliteit met decoratieve exuberantie — een evenwicht dat haar bijzonder geschikt maakte voor stedelijke representatie. geïnspireerde elementen: speklagen in natuursteen, hoekblokkenAfwisselende opeenvolging van lange en korte zijden van natuurstenen hoekblokken of neggen (geprofileerd) in een bakstenen gevel. en sleutelsSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. met diamantkopversiering, vensterstijlen met kandelaberelementen, timpanenMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. met cartouchesOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd., overhoekse baksteenfries onder lekdrempels. HoofdtraveeBredere en rijker uitgewerkte travee, meestal van een huis met asymmetrische compositie; vaak in risaliet en onder bekronende topgevel. met later toegevoegde garagepoort waarboven korfbogig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur., op verdiepingen rechthoekige verdiepte deurvensters met arduinen tussenstijlen onder korfbogige ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast., voorafgegaan door resp. balkon en Frans balkonBorstwering tussen de dagkanten van een naar binnen openslaand venster dat tot de vloer doorloopt.. Ingangstravee met rechthoekige muuropeningen waarboven ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. Centrale ingangstravee met smal, langwerpig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. ter hoogte van derde bouwlaag, laatste verdieping met oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster.. Baksteenfries, arduinen kordonlijstUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels. en steigergatenGat aan de bovenzijde van een gevel waarin de horizontale dwarsbalken van een steiger werden bevestigd; vaak afgedekt door smeedijzeren (sier)deksel.. Houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief..

Bronnen

Archieven
GASJ/DS/OW 3767 (1889).