Typologie(ën)

drukkerij

Ontwerper(s)

Jan JACOBSarchitect1929

P. VAN MEREarchitect1926

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Eclectisme
Modernisme

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

1997-2004

id

Urban : 1057
lees meer

Beschrijving

Groot verdelingscentrum op doorlopend  perceel tot Belgradostraat en over hele lengte van Drukkerijstraat. Twee bouwfasen: eerste fase dateert van 1926 (arch. P. Van Mere) en stemt overeen met gebouw in laat-eclectische stijl aan Fonsnylaan. Tweede fase van 1929 (arch. Jan Jacobs) heeft betrekking op modernistischeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. uitbreiding van gebouw in Drukkerijstraat en Belgradostraat nr. 100-104.

Bakstenen gevels met twee bouwlagen en bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. elementen.

Gebouw van 1926 onder schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde.. Zeven traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in Fonsnylaan, sommige tussen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., één hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw. en één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in Drukkerijstraat. Op tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. met deur tussen zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. met waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.. Getraliede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder strekseDe lange zijde van een baksteen heet strek, de korte kop. boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. op benedenverdieping. GetoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op verdiepingen.

Gebouw van 1929 onder plat dak, met acht traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in Belgradostraat. In Drukkerijstraat acht traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met rechthoekige muuropeningen, gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. op benedenverdieping en met gedeeltelijk bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. omlijsting.

Bronnen

Archieven
GASG/DS 60 (1926), 290 (1929).

Publicaties en studies
Inventaire visuel de l'architecture industrielle à Bruxelles, Etterbeek, Archives d'Architecture Moderne, Brussel, 1980-1982, fiche 44.