Typologie(ën)
universiteit
Ontwerper(s)
Henri MONTOIS – architect – 1969
Michel BOELENS – architect – 1969
Stijlen
Brutalisme
Inventaris(sen)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2026
id
Urban : 41873
Beschrijving
Brutalistisch
universiteitsgebouw voor de medische faculteit, naar een ontwerp van Henri
Montois als leidend architect en Michel Boelens als uitvoerend architect, uit
1969, in opdracht van de ULB. Het Bureau d’Études Setesco SA en Marcq
et Roba SCPRL traden respectievelijk op als bouwkundig ingenieur en
technisch ingenieur (uitrustingen). De werken werden afgerond in november 1973.
Gebouw D werd als eerste en tevens als hoogste ontworpen binnen een driefasig project van analoge gebouwen (gebouwen E en F), die samen de campus van de medische faculteit nabij het Sint-Pietershospitaal en het Bordetinstituut zouden vormen op het onregelmatige bouwblok begrensd door de Eversstraat, Waterloolaan, Wolstraat en Dumonceaustraat.
Gebouw D is een toren van acht bouwlagen, waarvan de bovenste als technische verdieping fungeert, op een vierkant grondplan. Het gebouw is volledig opgetrokken in ter plaatse gestort beton en bekleed met vierkante architectonische betonnen panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. die als zonnewering fungeren. Deze panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. verbergen tevens de noodcirculatie rondom het gebouw, die leidt naar een noodtrap aan de zuidzijde.
De eigenlijke circulatie en de sanitaire voorzieningen worden bediend door een quasi volledig gesloten koker met drie liften en een trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht., die tegen de westzijde van het gebouw is aangebracht. Twee smalle venstertraveeën verlichten enerzijds het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. en anderzijds de hal.
In het gebouw werd een studentenrestaurant op de benedenverdieping voorzien, een auditorium met 200 zitplaatsen op de eerste verdieping, en kantoren en multidisciplinaire laboratoria op de overige verdiepingen.
Motivering erfgoedwaarden
Historische waarde
Gebouw D is representatief voor universiteitsarchitectuur uit de periode van het einde van de jaren 1960 en het begin van de jaren 1970, waarin stedelijke universiteitscampussen sterk uitbreiden — onder meer naar aanleiding van de splitsing van de KUL/UCL en de ontwikkeling van de Nederlandstalige campus van de VUB — en worden gemoderniseerd om tegemoet te komen aan de noden van het hoger onderwijs, in het bijzonder binnen de exacte en medische wetenschappen.
Daarnaast bezit gebouw D een belangrijke contextuele waarde, aangezien het deel uitmaakt van een cluster van universiteitsgebouwen en medische onderzoekscentra die gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. zijn aan een ziekenhuis of gespecialiseerde zorginstelling, zoals het Bordetinstituut, dat eveneens binnen de ULB operationeel is.
Artistieke waarde
Het gebouw is representatief voor het oeuvre van het architectenbureau Montois, dat in de jaren 1960 zowel de universiteitsgebouwen voor de medische faculteit van de UCL in Sint-Lambrechts-Woluwe realiseerde als de gebouwen voor de wetenschapsfaculteit op de campus La Plaine van de ULB. Deze projecten worden gekenmerkt door gelijkaardige expressievormen, bereikt door het doordachte gebruik van architectonisch beton in de buitenschil.
Esthetische waarde
Gebouw D is representatief voor het brutalisme, een architectuurstroming uit de jaren 1960 en 1970 die vaak werd toegepast bij universiteitsgebouwen uit die periode. Het gebouw heeft zijn architecturale authenticiteit en integriteit grotendeels weten te behouden.
Stedenbouwkundige waarde
Het gebouw vormt een herkenningspunt in het stedelijk landschap en markeert het nadrukkelijk zijn onmiddellijke omgeving tussen de overige zorginstellingen (contextuele waarde). Als alleenstaand gebouw is de toren een getuige van een stedenbouwkundig concept dat niet verder gerealiseerd kon worden: met doorgangen in het bouwblok tussen de verschillende gebouwen.
Gebouw D werd als eerste en tevens als hoogste ontworpen binnen een driefasig project van analoge gebouwen (gebouwen E en F), die samen de campus van de medische faculteit nabij het Sint-Pietershospitaal en het Bordetinstituut zouden vormen op het onregelmatige bouwblok begrensd door de Eversstraat, Waterloolaan, Wolstraat en Dumonceaustraat.
Gebouw D is een toren van acht bouwlagen, waarvan de bovenste als technische verdieping fungeert, op een vierkant grondplan. Het gebouw is volledig opgetrokken in ter plaatse gestort beton en bekleed met vierkante architectonische betonnen panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. die als zonnewering fungeren. Deze panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. verbergen tevens de noodcirculatie rondom het gebouw, die leidt naar een noodtrap aan de zuidzijde.
De eigenlijke circulatie en de sanitaire voorzieningen worden bediend door een quasi volledig gesloten koker met drie liften en een trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht., die tegen de westzijde van het gebouw is aangebracht. Twee smalle venstertraveeën verlichten enerzijds het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. en anderzijds de hal.
In het gebouw werd een studentenrestaurant op de benedenverdieping voorzien, een auditorium met 200 zitplaatsen op de eerste verdieping, en kantoren en multidisciplinaire laboratoria op de overige verdiepingen.
Motivering erfgoedwaarden
Historische waarde
Gebouw D is representatief voor universiteitsarchitectuur uit de periode van het einde van de jaren 1960 en het begin van de jaren 1970, waarin stedelijke universiteitscampussen sterk uitbreiden — onder meer naar aanleiding van de splitsing van de KUL/UCL en de ontwikkeling van de Nederlandstalige campus van de VUB — en worden gemoderniseerd om tegemoet te komen aan de noden van het hoger onderwijs, in het bijzonder binnen de exacte en medische wetenschappen.
Daarnaast bezit gebouw D een belangrijke contextuele waarde, aangezien het deel uitmaakt van een cluster van universiteitsgebouwen en medische onderzoekscentra die gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. zijn aan een ziekenhuis of gespecialiseerde zorginstelling, zoals het Bordetinstituut, dat eveneens binnen de ULB operationeel is.
Artistieke waarde
Het gebouw is representatief voor het oeuvre van het architectenbureau Montois, dat in de jaren 1960 zowel de universiteitsgebouwen voor de medische faculteit van de UCL in Sint-Lambrechts-Woluwe realiseerde als de gebouwen voor de wetenschapsfaculteit op de campus La Plaine van de ULB. Deze projecten worden gekenmerkt door gelijkaardige expressievormen, bereikt door het doordachte gebruik van architectonisch beton in de buitenschil.
Esthetische waarde
Gebouw D is representatief voor het brutalisme, een architectuurstroming uit de jaren 1960 en 1970 die vaak werd toegepast bij universiteitsgebouwen uit die periode. Het gebouw heeft zijn architecturale authenticiteit en integriteit grotendeels weten te behouden.
Stedenbouwkundige waarde
Het gebouw vormt een herkenningspunt in het stedelijk landschap en markeert het nadrukkelijk zijn onmiddellijke omgeving tussen de overige zorginstellingen (contextuele waarde). Als alleenstaand gebouw is de toren een getuige van een stedenbouwkundig concept dat niet verder gerealiseerd kon worden: met doorgangen in het bouwblok tussen de verschillende gebouwen.
Bronnen
Archieven
SAB/OW
84559 (1969).
Publicaties
BINDER, G., Montois Partners. Selected and Current Works, Images
Publishing, Mulgrave, 2001, pp. 110-111 (The Master Architect Series IV).












