Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
school
Ontwerper(s)
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Modernisme
Inventaris(sen)
- Het monumentale erfgoed van België. Brussel Uitbreiding Oost (Apeb - 2006-2009)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
Onderzoek en redactie
2006-2008
id
Urban : 18137
Beschrijving
De gemeentelijke basisschool (op nr. 46) en kleuterschool (op nr. 50) werden gebouwd op een groot deel van het terrein tussen de Eburonenstraat, de Grevelingenstraat en de John Waterloo Wilsonstraat; ze werden ontworpen door architect J.M. Morant wiens plannen in 1958 werden goedgekeurd door de Gemeenteraad. Ze vervangen een ouder complex in neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840.
Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar
Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en
verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk
de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de
Eerste Wereldoorlog opduiken.
In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het
18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het
neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na
de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de
samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een
aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel.
Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie
bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met
drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden
bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een
nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de
proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel,
los van de achterliggende structuur.
Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde
belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de
opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand
Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud,
rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo.
De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele
herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en
praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme
gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven
uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel
lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde
pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte”
stad.
Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht
gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt
symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms
steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een
toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en
bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons
en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek
geïnspireerde hoofdgestel.
Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal:
pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen.
Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In
prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren
borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer.
In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige
stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen
en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie
en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn
het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de
Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt
(1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot
Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving
van de vroegere stadspoorten.
Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor
monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze
instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien
talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt
vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende
dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of
vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen
vormentaal. stijl.
Geschiedenis
Dit complex bestond voordien uit de kleuterschool nr. 6 op nr. 48 en de gemeentelijke basisschool nr. 9 op nr. 50 – het omgekeerde dus van de huidige situatie. Beide scholen waren van elkaar gescheiden door een muur. Het complex werd in 1864 ontworpen door architect J. Segers. De basisschool opende haar deuren op 4 november 1867. Het terrein, aangekocht door de Stad Brussel van de Administration des Hospices et Secours, lag toen tussen de velden en grensde aan wat toen nog de Keistraat heette. Vooraleer de school de kinderen van de burgerij van de toekomstige Noord-Oostwijk zou ontvangen, bestonden de leerlingen uit arbeiderskinderen van de Granvellewijk, die voordien een lange weg moesten afleggen om naar scholen te gaan in het centrum, in de Terarkenstraat of in Schaarbeek.

De basisschool was rechthoekig en werd voorafgegaan door een met een hek afgesloten binnenplaats, die het grote hoogteverschil tussen het perceel en de straat corrigeerde. De later toegevoegde kleuterschool was eveneens rechthoekig en omgeven door een voortuin.

Het scholencomplex werd tussen 1895 en 1908 meerdere keren vergroot en gewijzigd. Het huis met nr. 46 werd in 1895 geannexeerd. Er werden in 1902 bijkomende klassen gebouwd op de hoek van de Grevelingenstraat en de John Waterloo Wilsonstraat, naar ontwerp van architect Charles Apel, en een tweede keer in 1904. Al in het midden van de jaren 1890 werd het idee geopperd om een nieuwe school te bouwen om de eerste te ontlasten. Ze opende haar deuren in 1907 (zie Veronesestraat nr. 21).
De nieuwe school in de Eburonenstraat werd al gepland in 1954, maar de bouw begon pas in 1961 en eindigde in maart 1964. Deze gebeurde in twee fasen. De eerste fase was net op tijd voltooid om de school in 1962 voor het begin van het nieuwe schooljaar opnieuw te openen.
Beschrijving
Het complex bestaat uit twee verschillende vleugels die, al naargelang het hoogteverschil van het terrein één tot vier bouwlagen tellen.

Op nr. 46 van de Eburonenstraat bestaat de basisschool uit een kubusvormig volume (A) met vier bouwlagen waarin de inkom is ondergebracht. Dan volgt een lange vleugel (B) van slechts één bouwlaag. Het toegangsvolume loopt achteraan over in een vleugel (C) van twee bouwlagen onder dakterras. Deze vleugel is op zijn beurt, via een rotonde, verbonden met een andere vleugel van vier bouwlagen op de hoek van de Grevelingenstraat (D). Tussen deze verschillende volumes ligt een grote binnenplaats.
De kleuterschool op nr. 50 bestaat uit twee vleugels die met een stompe hoek met elkaar verbonden zijn. De kortste (E) met de inkom heeft twee bouwlagen, is rechthoekig en lichtjes inspringend ten opzichte van de Eburonenstraat. De langste (F) heeft twee tot drie bouwlagen en ligt aan de John Waterloo Wilsonstraat, waar zich twee bijkomende ingangen bevinden. Deze vleugel is met blok D van de basisschool verbonden. Op de hoek van de twee vleugels bevindt zich een rotonde van één bouwlaag onder terras. De binnenplaats van de kleuterschool wordt begrensd door een driehoekige overdekte speelplaats (G) in de vorm van een open galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. met metalen pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…). Zijn muur aan straatzijde is rijkelijk voorzien van venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met bedrukt glas, terwijl de muur uitgevend op de speelplaats van de basisschool uit glastegels bestaat. Om het hoogteverschil te overbruggen rust het overdekte gedeelte op pilotis die een lager gelegen overdekte ruimte vormen.

De gevels van het complex zouden oorspronkelijk bekleed worden met geprefabriceerde geëmailleerde platen, volgens een toen nieuwe techniek. In 1961 bleek echter uit recente voorbeelden dat deze methode niet voldeed op esthetisch vlak, en de architect koos dus voor traditionelePeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. witte brikettenBaksteenvormige tegel die op het reeds bestaande gevelvlak wordt aangebracht ter imitatie van een bakstenen gevel.. De sokkelsHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. zijn bekleed met rustieke roze steen. Smalle verticale venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. of vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. met metalen omlijstingen met dunne onderverdelingen en in het vlak van de muur geplaatst. Er werd rijkelijk gebruik gemaakt van glastegels waarmee grote muurvlakken werden gevuld. De rotonde tussen de vleugels B en C is bijna volledig beglaasd, net als de muur langs het terras boven vleugel C. Boven de toegangsdeuren bevinden zich brede gewelfde luifelsAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak. in gebouchardeerdBewerking van natuursteen waardoor een oppervlak ontstaat met regelmatig verspreide puntjes. beton.

Vleugel D in de John Waterloo Wilsonstraat is versierd met een indrukwekkende decoratieve compositie in grès grand feu, uitgevoerd door de firma Guérin de Bouffioulx, naar een tekening van ontwerpster Weber, goedgekeurd in 1963. Het werk verbeeldt ‘een slingerdans van kinderen die in de richting van de zon gaan, en die de weg naar het leven of naar het licht symboliseert'.
Geschiedenis
Dit complex bestond voordien uit de kleuterschool nr. 6 op nr. 48 en de gemeentelijke basisschool nr. 9 op nr. 50 – het omgekeerde dus van de huidige situatie. Beide scholen waren van elkaar gescheiden door een muur. Het complex werd in 1864 ontworpen door architect J. Segers. De basisschool opende haar deuren op 4 november 1867. Het terrein, aangekocht door de Stad Brussel van de Administration des Hospices et Secours, lag toen tussen de velden en grensde aan wat toen nog de Keistraat heette. Vooraleer de school de kinderen van de burgerij van de toekomstige Noord-Oostwijk zou ontvangen, bestonden de leerlingen uit arbeiderskinderen van de Granvellewijk, die voordien een lange weg moesten afleggen om naar scholen te gaan in het centrum, in de Terarkenstraat of in Schaarbeek.

De basisschool was rechthoekig en werd voorafgegaan door een met een hek afgesloten binnenplaats, die het grote hoogteverschil tussen het perceel en de straat corrigeerde. De later toegevoegde kleuterschool was eveneens rechthoekig en omgeven door een voortuin.

Het scholencomplex werd tussen 1895 en 1908 meerdere keren vergroot en gewijzigd. Het huis met nr. 46 werd in 1895 geannexeerd. Er werden in 1902 bijkomende klassen gebouwd op de hoek van de Grevelingenstraat en de John Waterloo Wilsonstraat, naar ontwerp van architect Charles Apel, en een tweede keer in 1904. Al in het midden van de jaren 1890 werd het idee geopperd om een nieuwe school te bouwen om de eerste te ontlasten. Ze opende haar deuren in 1907 (zie Veronesestraat nr. 21).
De nieuwe school in de Eburonenstraat werd al gepland in 1954, maar de bouw begon pas in 1961 en eindigde in maart 1964. Deze gebeurde in twee fasen. De eerste fase was net op tijd voltooid om de school in 1962 voor het begin van het nieuwe schooljaar opnieuw te openen.
Beschrijving
Het complex bestaat uit twee verschillende vleugels die, al naargelang het hoogteverschil van het terrein één tot vier bouwlagen tellen.

Op nr. 46 van de Eburonenstraat bestaat de basisschool uit een kubusvormig volume (A) met vier bouwlagen waarin de inkom is ondergebracht. Dan volgt een lange vleugel (B) van slechts één bouwlaag. Het toegangsvolume loopt achteraan over in een vleugel (C) van twee bouwlagen onder dakterras. Deze vleugel is op zijn beurt, via een rotonde, verbonden met een andere vleugel van vier bouwlagen op de hoek van de Grevelingenstraat (D). Tussen deze verschillende volumes ligt een grote binnenplaats.
De kleuterschool op nr. 50 bestaat uit twee vleugels die met een stompe hoek met elkaar verbonden zijn. De kortste (E) met de inkom heeft twee bouwlagen, is rechthoekig en lichtjes inspringend ten opzichte van de Eburonenstraat. De langste (F) heeft twee tot drie bouwlagen en ligt aan de John Waterloo Wilsonstraat, waar zich twee bijkomende ingangen bevinden. Deze vleugel is met blok D van de basisschool verbonden. Op de hoek van de twee vleugels bevindt zich een rotonde van één bouwlaag onder terras. De binnenplaats van de kleuterschool wordt begrensd door een driehoekige overdekte speelplaats (G) in de vorm van een open galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. met metalen pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…). Zijn muur aan straatzijde is rijkelijk voorzien van venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met bedrukt glas, terwijl de muur uitgevend op de speelplaats van de basisschool uit glastegels bestaat. Om het hoogteverschil te overbruggen rust het overdekte gedeelte op pilotis die een lager gelegen overdekte ruimte vormen.

De gevels van het complex zouden oorspronkelijk bekleed worden met geprefabriceerde geëmailleerde platen, volgens een toen nieuwe techniek. In 1961 bleek echter uit recente voorbeelden dat deze methode niet voldeed op esthetisch vlak, en de architect koos dus voor traditionelePeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. witte brikettenBaksteenvormige tegel die op het reeds bestaande gevelvlak wordt aangebracht ter imitatie van een bakstenen gevel.. De sokkelsHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. zijn bekleed met rustieke roze steen. Smalle verticale venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. of vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. met metalen omlijstingen met dunne onderverdelingen en in het vlak van de muur geplaatst. Er werd rijkelijk gebruik gemaakt van glastegels waarmee grote muurvlakken werden gevuld. De rotonde tussen de vleugels B en C is bijna volledig beglaasd, net als de muur langs het terras boven vleugel C. Boven de toegangsdeuren bevinden zich brede gewelfde luifelsAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak. in gebouchardeerdBewerking van natuursteen waardoor een oppervlak ontstaat met regelmatig verspreide puntjes. beton.

Vleugel D in de John Waterloo Wilsonstraat is versierd met een indrukwekkende decoratieve compositie in grès grand feu, uitgevoerd door de firma Guérin de Bouffioulx, naar een tekening van ontwerpster Weber, goedgekeurd in 1963. Het werk verbeeldt ‘een slingerdans van kinderen die in de richting van de zon gaan, en die de weg naar het leven of naar het licht symboliseert'.
Bronnen
Archieven
SAB/OW 33091-33096 (1866-1884), 33114 (1895), 5871-5877 (1902), 5303 (1904), 391 (1904-1906), 392 (1906-1907), 3961 (1908), 77745 (1957-1963).
SAB/Bulletin communal de Bruxelles, 1864, t. I, p. 295, pp. 442-443, pp. 469-475; 1867, t. II, p. 298; 1900, t. II, p. 874; 1902, t. II, p. 298.
Publicaties en studies
BERCKMANS, C., BERNARD, P., Bruxelles '50 '60. Architecture moderne au temps de l'Expo 58, Aparté, Brussel, 2007, p. 163.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid





















