Moorse stijl
Stijlen
Het woord vertalen in het Frans
De
Moorse stijl, ook vaak aangeduid als Maureske stijl of Arabiserende stijl, is
een 19e -eeuwse stroming die teruggrijpt op de architectuur van het
middeleeuwse islamitische Westen — in het bijzonder het Al-Andalus van de 8e
tot 15e eeuw (Cordoba, Granada, Sevilla), maar ook op Noord-Afrikaanse en soms
Ottomaanse voorbeelden.
In Brussel ontwikkelde deze stijl zich tussen circa 1850 en 1914, grotendeels binnen het kader van het eclecticisme en de toenemende Europese fascinatie voor het Oosten. De neiging om exotische stijlen te imiteren werd gestimuleerd door: de romantische literatuur en reisverhalen, de Wereldtentoonstellingen, waar Oriëntaalse paviljoenen zeer populair waren, het sociaal-cultureel prestige van arabeske ornamentiek, de groei van een burgerlijke cultuur die op zoek was naar nieuwe, luxueuze fantasiewerelden.
De Moorse stijl werd in Brussel niet zo massaal toegepast als andere neostijlen, maar kreeg wel een duidelijke aanwezigheid in specifieke gebouwtypes: theaters, feestzalen, synagogen, badhuizen, wintertuinen en privé-interieurs.
De stijl valt op door zijn decoratieve overdaad, zijn gebruik van geometrische ritmes en zijn voorkeur voor kleur en lichtcontrasten. Het gaat zelden om een structurele toepassing van Moorse bouwprincipes; meestal betreft het een ornamentaliserende schil die wordt gelegd over een westers bouwschema.
Typische kenmerken zijn: vormelijke en ruimtelijke elementen zoals hoefijzerbogen, polylobbenbogen en arcades; stalactietgewelven, vaak in stucwerk; koepel- of pseudo-koepelstructuren; gebruik van binnenhoven en galerijen in grotere complexen. Inzake decoratie en materiaalgebruik: arabesken, florale motieven, geometrische patronen; kleurrijke polychromie in tegels, glas-in-lood, schilderwerk; rijk stucwerk en pleisterornamenten; mashrabiya; inscripties of pseudo-Arabische calligrafie als ornament. Ook opvallend zijn de overdaad aan kleuren en het creëren van sfeer, zodoende: vibrante kleurcontrasten (rood, oker, blauw, turkoois, goud); spel van schaduw en licht in geperforeerde ornamentiek en luxueuze, theatrale sfeer.
In Brussel ontwikkelde deze stijl zich tussen circa 1850 en 1914, grotendeels binnen het kader van het eclecticisme en de toenemende Europese fascinatie voor het Oosten. De neiging om exotische stijlen te imiteren werd gestimuleerd door: de romantische literatuur en reisverhalen, de Wereldtentoonstellingen, waar Oriëntaalse paviljoenen zeer populair waren, het sociaal-cultureel prestige van arabeske ornamentiek, de groei van een burgerlijke cultuur die op zoek was naar nieuwe, luxueuze fantasiewerelden.
De Moorse stijl werd in Brussel niet zo massaal toegepast als andere neostijlen, maar kreeg wel een duidelijke aanwezigheid in specifieke gebouwtypes: theaters, feestzalen, synagogen, badhuizen, wintertuinen en privé-interieurs.
De stijl valt op door zijn decoratieve overdaad, zijn gebruik van geometrische ritmes en zijn voorkeur voor kleur en lichtcontrasten. Het gaat zelden om een structurele toepassing van Moorse bouwprincipes; meestal betreft het een ornamentaliserende schil die wordt gelegd over een westers bouwschema.
Typische kenmerken zijn: vormelijke en ruimtelijke elementen zoals hoefijzerbogen, polylobbenbogen en arcades; stalactietgewelven, vaak in stucwerk; koepel- of pseudo-koepelstructuren; gebruik van binnenhoven en galerijen in grotere complexen. Inzake decoratie en materiaalgebruik: arabesken, florale motieven, geometrische patronen; kleurrijke polychromie in tegels, glas-in-lood, schilderwerk; rijk stucwerk en pleisterornamenten; mashrabiya; inscripties of pseudo-Arabische calligrafie als ornament. Ook opvallend zijn de overdaad aan kleuren en het creëren van sfeer, zodoende: vibrante kleurcontrasten (rood, oker, blauw, turkoois, goud); spel van schaduw en licht in geperforeerde ornamentiek en luxueuze, theatrale sfeer.




























