Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
Ontwerper(s)
Léon GUIANNOTTE – architect – 1932-1935
André WATTEYNE – architect – 1932-1935
Stijlen
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Inventaris van engineering erfgoed (2011)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Kerkkappen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1830-1940 (Urban - 2019)
- Het monumentale erfgoed van België. Vorst (DPC-DCE - 2014-2020)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Wetenschappelijk De wetenschappelijke waarde wordt vaak erkend in het geval van landschappen (parken, halfnatuurlijke gebieden). Binnen de context van een onroerend goed kan het gaan om de aanwezigheid van een (bouw)element (bijzonder materiaal, experimenteel materiaal, bouwprocédé of -component) of getuigenis van een ruimtelijk-structurele ruimte (stedenbouwkundig) waarvan het behoud moet worden overwogen met het oog op wetenschappelijk onderzoek. In het geval van archeologische vindplaatsen en overblijfselen wordt de wetenschappelijke waarde erkend in relatie tot het uitzonderlijke karakter van de resten op het gebied van ouderdom (bijvoorbeeld de Romeinse villa in Jette), de uitzonderlijke bewaringsomstandigheden (bijvoorbeeld de site van het vroegere dorp Oudergem) of de uniciteit van de elementen (bijvoorbeeld een volledig bewaard dakspant) en derhalve op dat vlak een uitzonderlijke en prominente wetenschappelijke bijdrage vormen tot de kennis van ons stedelijk en pre-stedelijk verleden.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Opmerkelijk betonkerk in art decostijl naar
een ontwerp van de architecten Léon Guiannotte en André Watteyne, uit 1932-1935.
Naast de kerk werden ook de glas-in-loodramen en een groot deel van het
kerkinterieur ontworpen in dezelfde stijl en door dezelfde architecten. Het symmetrische
gebouw met centrale toren bevindt zich op het middelpunt van het cirkelvormig Hoogte
Honderdplein waardoor het zichtbaar is vanuit de acht lanen die naar dit plein
reiken. Door zijn geografische locatie op het hoogste punt van Brussel domineert
de kerktoren tevens het zicht op de nabije omgeving.
Geschiedenis
De bouw van de Sint-Augustinuskerk is onlosmakelijk verbonden met zijn stedenbouwkundige omgeving. Het cirkelvormig plein en de acht lanen die hierop uitkomen werden in 1899 getekend in opdracht van de Société Anonyme des Villas de Forest. De gemeente Vorst keurde het plan in 1901 goed en de definitieve stratentracés werden bekrachtig bij KB van 04.05.1901. Dit plan voorzag de ontwikkeling van een nieuwe wijk aan de rand van het park van Vorst, de Alsembergse steenweg en de sterk verstedelijkte gemeente Sint-Gillis. Door de sterke bevolkingstoename was nood aan een nieuwe parochiekerk die zou worden gebouwd op het Hoogte Honderdplein.
![[i] Projet d’aménagement du quartier des parcs et du quartier Saint-Augustin[/i], K.B. 08.02.1912, GAV, OW 45, K.B. 08.02.1912.](/medias/500/buildings/11900009/11900009_A0001_Z02.jpg)
In afwachting van het definitief gebouw
werd in 1900 een tijdelijke kerk opgetrokken op een achterliggend perceel in de
Sint-Augustinuslaan (ter hoogte van huidig nr. 14-16-18). Alexandre Bertrand,
een overtuigd katholiek en spilfiguur in de Société
Anonyme des Villas, schonk hiervoor een deel van zijn grond. Architect
Edouard Ramaekers (1864-1941) richtte het neogotischDe
Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige
neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de
geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na
1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes
en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een
religieuze, ideologische als nationale dimensie.
De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme
en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden
uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de
stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de
overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware
christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa.
Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl
naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen,
kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen.
De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de
oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en
materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek;
spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen,
soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen
en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met
religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en
het expressieve karakter van de constructie.
Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in
neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste
Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden.
De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch
geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als
restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis,
Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl
(vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven
worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster
en de Sint-Magdalenakerk, Jette).
De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische
revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad
mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de
religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair,
smeedwerk). gebouw op zowel als een
kleine school en de pastorij (zie Sint-Augustinuslaan nr. 12). Guillaume
Busselot werd de nieuwe pastoor van de parochie die werd toegewijd aan
Sint-Augustinus. De naam verwees naar de voormalige Augustijnenkerk, langs het
huidige Brouckèreplein, die enkele jaren voordien, in 1893 werd afgebroken. De
grenzen van de nieuwe parochie werden vastgelegd volgens het KB van 23.09.1901.
De 300 zitplaatsen in de noodkerk werden
reeds snel te klein bevonden voor de snel groeiende parochie, waardoor de bouw
van een definitieve en grotere kerk noodzakelijk werd. In 1912 schonk de Société Anonyme des Villas de Forest het
centrale gedeelte van het Hoogte Honderdplein aan de kerkfabriek om er de
nieuwe parochiekerk te bouwen. De schenking was verbonden aan enkele
voorwaarden. Het religieus gebouw moest een centrale koepelBolvormig gewelf op cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige basis. of toren bevatten,
minstens 950 m² groot zijn en een privétuin rondom het gebouw omvatten. De
Kerkfabriek zou voor een klein gedeelte bijdragen in de kosten van de
bouwwerken van de nieuwe kerk, het overig bedrag werd gefinancierd door de Société des Villas die hiermee hoopt de
wijk verder op te waarderen.
Verschillende ontwerpen in neostijlen werden
aan de kerkfabriek voorgelegd, getekend door de architecten Edmond Serneels,
Pieter Langerock, Charles Petein, Joseph Pauwels, Hubert Marcq en Albert Rosenboom.
Na lang twijfelen werd op 23 juni 1914 het neoromaansDe
Neoromaanse stijl behoort tot de vroegste uitingen van het negentiende-eeuwse
historisme in België en kende zijn bloeiperiode tussen circa 1840 en 1900, met
een heropleving tijdens het interbellum (cfr. oeuvre van architect Chrétien
Veraart). Deze stijl grijpt terug op de architectuur van de romaanse periode
(11e–12e eeuw).
Hoewel de Neogotiek al snel de dominante religieuze stijl werd, bleef de
Neoromaanse richting in Brussel aanwezig in kerkelijke, educatieve en
institutionele gebouwen, vaak in combinatie met andere neostijlen binnen het
eclecticisme.
De Neoromaanse stijl onderscheidt zich door haar massieve, sobere en plastisch
gedefinieerde architectuur, waarin de constructie en de decoratie een
duidelijke eenheid vormen. Typische kenmerken zijn: gebruik van rondbogen voor
vensters, portalen en arcades; zware pijlers en zuilen met eenvoudige
kapitelen; symmetrische, gesloten gevelcomposities; cilindrische torens of
vierkante westtorens met schilddak; kleine vensteropeningen die een robuust
muurvlak behouden; gevels in natuursteen of baksteen, vaak in combinatie met
witte steenaccenten; decoratieve banden in baksteen of mozaïek, verwijzend naar
de Lombardische of Rijnlandse romaanse tradities.
De stijl evoceert een gevoel van stevigheid, rust en spirituele concentratie,
wat hem bijzonder geschikt maakte voor religieuze architectuur en instellingen
met een morele of educatieve functie.
De Neoromaanse stijl moet in Brussel worden begrepen binnen het bredere
ideologische kader van de katholieke herleving in de negentiende eeuw. In de
nasleep van de Belgische onafhankelijkheid (1830) ontstond een hernieuwde
belangstelling voor het christelijke erfgoed van de middeleeuwen, dat men
beschouwde als een bron van morele stabiliteit en nationale continuïteit.
De Neoromaanse stijl werd gezien als een oorspronkelijke en sobere
architectuur, die een authentieke spiritualiteit uitdrukte, in contrast met de
meer emotionele gotiek of de wereldse classicistische stijlen.
Daarnaast werd de stijl ook in eclectische contexten gebruikt, met name voor
scholen, kazernes, ziekenhuizen en kloosters. Daar bood hij een symboliek van
discipline, orde en eenvoud, die goed aansloot bij de waarden van de
negentiende-eeuwse burgerlijke maatschappij. ontwerp van Edmond
Serneels gekozen omwille van zijn goedkoopste prijs. De bouwwerken werden haast
onmiddellijk opgestart. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog stegen de
prijzen van de bouwmaterialen zo sterk dat de kerkfabriek genoodzaakt was de werken
- toen nog in de eerste fase van
funderingen - stop te zetten. Na de
oorlog kon de kerkfabriek het nodig budget niet vrijmaken. In 1928 herzag Serneels
de bouwplannen en drukte de prijzen, maar de werken konden nog steeds niet
hervat worden. Daarom werd overgestapt tot de radicale beslissing een volledig
nieuw en goedkoper kerkgebouw op te richten in beton. De nieuwe voorzitter van
de kerkfabriek Victor Defays, hoogleraar burgerlijke bouwkunde aan de
universiteit van Leuven en grote voorstander van de betonarchitectuur, was
trekker van deze beslissing. Hij stelde de architecten Léon Guinannotte
(1891-1976) en de uit Vorst afkomstige André Watteyne aan om plannen te tekenen
voor een nieuwe kerk. Guiannotte was reeds befaamd als promotor van betonnen
gebouwen en Watteyne deed stage bij Defays en genoot zo een persoonlijke
voorkeur. De ingenieur M. E. Rossbach werd aangesteld als technisch
betonadviseur.
Het gebruik van gewapend beton voor religieuze architectuur stond nog in zijn kinderschoenen. Het zou zowel vormelijk als bouwtechnisch een grote invloed hebben op het kerkgebouw dat radicaal afstapte van de traditie. Als precedent voor dergelijke kerken baseerden Guiannotte en Watteyne zich op de Notre-Dame de Raincy nabij Parijs (Auguste en Gustave Perret, 1923-1924) en, dichter bij huis, de twee betonkerken in Brussel, de Sint-Suzanna te Schaarbeek (Jean Combaz, 1925-1928) en de net opgeleverde Sint-Jan-De-Doper in Molenbeek (Joseph Diongre, 1931-1933).
Het ontwerp van 1928 bestond uit een
grondplan in Grieks kruis met vier cirkelkwadranten in de hoeken. Centraal is
een monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. toren. Het ontwerp werd goedgekeurd door de kerkfabriek, de
diocesane commissie, de gemeente Vorst en de K.C.M.L. mits enkele aanpassingen:
het koor moest worden vergroot en cirkelvormig zijn om een monumentaler uitzicht
te geven en een tribune met hoge vensteropeningen zou worden voorzien ter
verlichting van het interieur. Over de kritiek dat het exterieur te sober is en
voorzien van te weinig venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. werd geen gevolg gegeven.
De eerstesteenlegging vindt plaats in
april 1933. S.A. Franco-Belge des Travaux
à Bruxelles, die de laagste prijsofferte had ingediend, voert de werken uit.
Deze aannemer geniet een goede reputatie gezien hij de bouw van de Sint-Jan-de-Doper
in Molenbeek verzkerde. Vijf maanden later was de ruwbouw van de
skeletstructuur in gewapend beton en de uitvoering van het metselwerk reeds voltooid.
Op Paasmaandag 1935 werd de nieuwe kerk ingehuldigd door een plechtige stoet en
misviering. De nieuwe kerk voorzag 1.000 zitplaatsen. Het zou echter nog een
tijd duren vooraleer het kerkinterieur volledig afgewerkt was. Aanvankelijk
werden het meubilair en de beelden van de noodkerk gebruikt. Ook de similiBepleistering ter imitatie van natuursteen.
bepleistering van de buitenmuren werd gradueel uitgevoerd en pas definitief
afgewerkt in 1946.
De tijdelijke kerk in de Sint-Augustinuslaan werd omgevormd tot verenigingslokaal
en in 1959 afgebroken om plaats te maken voor de huidige school. De pastorij
daarentegen werd bewaard (zie Augustinuslaan nr. 12).

In de periode 1941-1944 voerden Guiannotte
en Watteyne twee wijzigingen uit aan het ontwerpplan van het kerkgebouw: de
koorpartij werd vergroot door de bouw van een nieuwe sacristie en 28 hoge
vensterramen werden toegevoegd in de kwartronde partijen. Alhoewel voorzien
door Guiannotte, werden de glas-in-loodramen voor de nieuwe ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. pas op het
einde van de jaren 1990 verwezenlijkt volgens een hedendaags ontwerp.
Vanaf de jaren 1960 vertoonde de
betonstructuur ernstige tekenen van verval: door waterinfiltratie vertoonde de
bepleistering scheurvorming en brokkelde af, de wapening was onderhevig aan
corrosie en de glasramen waren sterk beschadigd.
Op 8 augustus 1988 werd de
Sint-Augustinuskerk beschermd als monument. Dit beëindigde de discussies
omtrent de mogelijke afbraak van het kerkgebouw en de vervanging door een hoge
werk- en woontoren of een metrostation. Een grondige restauratie werd
uitgevoerd in 1996-1998 door de architecten Francis Marlière en Roland Cousin
(Atelier du Sablon s.c.). Het is ook in deze fase dat de glas-in-loodramen in
de vier kwartronde zones van de kerk zowel als in het koor werden
verwezenlijkt.
Beschrijving
Plattegrond
De kerk is ingeplant op het centrum van het
Hoogte Honderdplein en vormt het convergentiepunt van de acht radiale lanen die
naar het plein reiken. Het religieus gebouw heeft een symmetrische opbouw rond
de 54 m hoge toren. Het origineel plattegrond bestaat uit een Grieks kruis
waarin de hoofdbeuk en de transept, verlengd in het zuiden door het portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). en
in het noorden door het koor en de sacristie in een halve cirkel, het geheel
met vier cirkelkwadranten in de hoeken. Het centrum van de beuken, omvat vier
pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. die de toren dragen. Deze toren heeft vier geledingen: de eerste komt
overeen met het plat dak, de tweede omvat ruime glasramen, de derde bevat de
klokkenstoel en de hoogste is opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. naar buiten toe.
Deze kruisvorm is een repetitief element in het gebouw: naast de plattegrond wordt ze tevens teruggevonden in de opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. van het kerkgebouw, bovenaan de torenspits en in het vloerpatroon van de kerk.
De kerk wordt betreden via een breed
portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). onder tribune (zuidkant). Het koor is gericht naar het noorden en wordt
voorzien van een sacristie en twee aanpalende vertrekken. Langs de twee
transepten bevinden zich de zijingangen, een magasin en het baptistère.
De toren is deels opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. en vormt zo een belangrijke lichtbron in de kerk.
Zoals beschreven in de correspondentie
besteedden de architecten veel aandacht aan de verhoudingen en symboliek van de
Sint-Augustinuskerk. Plattegrond en opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. worden bepaald door een wiskundig
spel van maten waarin vierkanten, driehoeken en cirkels samen een harmonisch
resultaat vormen. Dit netwerk van berekeningen zou geïnspireerd zijn op de
Heilige el van de Egyptenaren. Maar boven alles staat het kerkgebouw symbool
voor de christelijke mystiek. Zo verwijzen de vier kwartronden van het
plattegrond samen naar de aureool rondom het hoofd van Jezus Christus die de
wereld verlicht. De verschillende verdiepingen van de toren staan in voor het
aardse en de materie die evolueren naar het bovennatuurlijke en spirituele.

Buitenzijde
De structuur van de kerk werd uitgevoerd
in gewapend beton: met name de afwerking van de funderingen reeds opgestart bij
het eerste, opgegeven kerkontwerp van Serneels in 1914 maar vooral de balken,
lateienBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt., plafonds, balkons en trappen. Merkwaardig is dat ook de volledige wandopbouw
van de toren in gewapend beton werd vervaardigd. De muren werden voorzien van
een dikke cementbepleistering en niet van de volgens het bestek voorziene
bekleding in kunststeen met het uitzicht van Euville Marbrière. DekstenenNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen., vensterdorpels en de trappartij aan
de ingang werden vervaardigd in blauwe hardsteen (petit granit). PlintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. in breuksteenMetselwerk bestaande uit brokken onregelmatige natuursteen..
De buitenzijde van het kerkgebouw wordt
bepaald door rechte en gebogen lijnen in een trapsgewijze opbouw die samen een
sober en rationeel uitzicht geven. Met uitzondering van de abstracte en
gestileerde Art decoPeriode: 1920-1940
De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan
bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan
de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes,
die in 1925 in Parijs plaatsvond.
De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en
volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde
voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar
geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische
of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische
kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met
Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale
periode op de Brusselse architectuur.
De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele
bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan
kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend
beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk
maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe
grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en
spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of
in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote
glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken
(soms voorzien van een gestileerde koepel).
Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar
onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het
midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het
contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd
(badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals
marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd.
In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de
eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn
gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken,
waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich
laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een
elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot
een courante bouwstijl.
In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door
elementen van het modernisme te integreren en met name van de
scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie
“pakketbootstijl”). motieven bevinden zich geen decoratieve elementen aan de
buitenzijde van de kerk. Het religieus gebouw wordt voorzien van platte daken,
waarbij deze van de vier beuken hoger is dan de vier kwartronden in de hoeken.
De hoofdingang wordt bereikt via een rechthoekige luifelAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak. met hardstenen dekstenenNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen.
en het opschrift Domus mea domus
orationis (Mijn huis is een huis van gebed). Grote, verticale glasramen
bevinden zich in de twee zijbeuken, de hoofdingang, het koor en de toren. De
glasramen in de kwartronden zijn opmerkelijk kleiner. De centrale rechthoekige
toren verjongd in de hoogte en wordt bekroond door een kruis en vier pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…)
die naar de vier evangelisten en de calvarie verwijzen.
Het kerkinterieur is bijzonder waardevol door zijn totaalkunst dat perfect past in de artdeco stijl van het kerkgebouw. Zo werden de glas-in-loodramen, het hoofdaltaar, de kruisweg en verschillende beeldhouwwerken ontworpen door de architecten Guiannotte en Watteyne. Vandaag bewaart de kerk nog grotendeels zijn oorspronkelijke interieurafwerking, inclusief het meubilair en de religieuze beelden (de communiebank en de zijaltaren werden verwijderd).[1]
De dragende structuur wordt gevormd door
12 kolommenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. in gewapend beton, geplaatst op de hoekpunten van het Griekse
kruis, de vier massieve centrale pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) stutten de blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. gaanderij die overloopt
in de toren. Tribunes bevinden zich zowel boven de sacristie als boven de
hoofdingang. De afgeronde lijnen geven het kerkinterieur een sacraal en
volumineus effect. De vloeren bestaan uit roodbruine, zwarte en helderblauwe
cementtegelsTegel op basis van cement, vaak polychroom versierd en gebruikt voor vloeren, friezen en borstweringen. van 20 op 20 cm die samen een geometrisch kruispatroon vormen. De
muren, balken, pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. en plafonds werden bekleed met dezelfde ruwe
cementbepleistering als deze aan de buitenzijde van het gebouw.
Meubilair
Het art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”). hoofdaltaar met tabernakel en calvariekruis werden ontworpen door André Watteyne in 1935. Het is uitgevoerd in witsteen met een gepolijste hardstenen dekplaatNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen. en treden. Het hoofdaltaar wordt langs de achterzijde omgeven door een boogvormige tribune.
De vier eikenhouten biechtstoelen passen
perfect in de gestileerde en sobere stijl van het kerkinterieur en dateren
tevens van ca. 1935.
Beeldhouwwerken
Kruisweg
De Kruisweg is één der meest merkwaardige
elementen in het kerkgebouw. Ze bestaat uit een brede wandgeleding in
natuursteen (pierre de Brauvillers) die de vier kwartronden van de kerk doorloopt. Dit
monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. kunstwerk bevindt zich op 2.40 m boven de vloer en is 1.40 m hoog. De
14 bas-reliëfs zijn in een sobere stijl uitgewerkt. Ze zouden geïnspireerd zijn
op het boek La vie de Notre Seigneur
Jésus Christ van de Franse schilder James Tissot (1836-1902) en werden ontworpen
door André Watteyne in 1944. Het daaropvolgend jaar beeldhouwden Oscar De Clercq
en G. Van Goolen negen van de veertien reliëfs. In 1963 werd de tiende kruisweg uitgevoerd en de vier laatste lreliëfs langs de
hoofdingang werden pas in 1997 afgewerkt en uitgevoerd door beeldhouwer René Rosseel
(staties 6 tot 9).
De beeldhouwwerken Maagd Maria met kind, het Heilig Hart en Sint-Theresia, aan
weerszijden van het koor en in de oostelijke zijbeuk, werden getekend door
architect Léon Guiannotte en vervaardigd door beeldhouwer J. Boedts in 1938-1943.
Ze bestaan uit natuurstenen beelden op marmeren sokkelsHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en houten achtergronden.
Het laagreliëf Sint-Augustinus en zijn moeder Sint-Monica in de westelijke zijbeuk
werd getekend door architect Léon Guiannotte en vervaardigd door beeldhouwer J.
Boedts in 1942. Het natuurstenen beeld is ingewerkt in een kader van geel en
zwart marmer.
Glas-in-loodramen
De glas-in-loodramen in de twee zijbeuken, langs de hoofdingang en in de toren dateren van het oorspronkelijk ontwerp. Ze werden getekend door Guiannotte en vervaardigd door de glasmaker Paul Steyaert in 1935. De glasramen in de kerk kenmerken zich door een verticale structuur waarin figuratieve taferelen van de bijbel worden afgebeeld in neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl. De decoratieve elementen op de achtergrond verwijzen dan weer naar de art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”). stijl. Het invallend licht van de glasramen geeft het kerkinterieur een symbolisch karakter: de basis van de ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. hebben een koude, paarse kleurtint terwijl ze naar de hoogte toe veranderen in een warmere, roodoranje en gele kleur. De glasramen in de toren zijn volledig decoratief en hebben een dominante gele kleurtint.
De voorziene glas-in-loodramen in de vier
kwartronden en langs het koor werden nooit verwezenlijkt en vervangen door
nogal storende doorschijnende glasramen. Het is pas tijdens de grootschalige
restauratiewerken van 1996-1998 dat hier glas-in-loodramen werden geplaatst. Ze
werden verwezenlijkt door de Antwerpse glasmakers Patrick De Jaeger en Félicien
Penders. De glas-in-loodramen in de kwartronden werden gemaakt volgens de
oorspronkelijke ontwerptekeningen van Guiannotte. Het glas-in-loodraam in het
koor is een moderne interpretatie van de bestaande glasramen in de kerk. Ze
stellen allen decoratieve afbeeldingen voor.
Orgel
Het galerijorgel is vervaardigd door
orgelbouwer Salomon Van Bever in 1906. Het orgel bevindt zich in een hoek van
de galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. boven de hoofdingang. Het bestaat uit een eikenhouten toestel
waarvan de orgelpijpen niet zichtbaar zijn.
Beschermd als monument op 08.08.1988.
Bronnen
Archieven
AAM, fonds Léon Guiannotte, Sint-Augustinuskerk.
GAV, 11362 (1931), 14184 (1941), 14189 (1941), 14432 (1943), 19519 (1969).
KIKIRPA, clichénummers E1875, E36795, M59250, M59251, M59252, M59253, M59254, M59255, M59256, M59257, M59258, M59259, M59262, M59263.
Parochiearchief Sint-Augustinus, Inventaris van de plannen, Sint-Augustinuskerk te Vorst, Hoogte Honderdplein, André Watteyne en Léon Guiannotte, 1929
Parochiearchief Sint-Augustinus, Copie des plans conservés chez Mr Watteyne, fils, rue Joseph Bens 137, Les architects Watteine et Guiannotte, le 18-08-1932.
Parochiearchief Sint-Augustinus, Album classeur Saint-Augustin, vol. 1-3.
Publicaties en studies
COEKELBERGHS, D., Répertoire photographique du mobilier des sanctuaires de Belgique. Province de Brabant. Canton d’Uccle, KIKIRPA, 1977, pp. 19-20.
CORDEIRO, P., L’église Saint-Augustin – proposition de restauration ,licentiaatverhandeling RLICC, KUL, november 1992.
CULOT, M., HENNAUT, E., LIESENS, L., Archives d’architecture moderne, Coll., Brussel, AAM, dl 2, 1999, pp. 334-335.
LAMBRICHS, A., “Religieuze Art Deco”, Art Deco architectuur. Brussel 1920-1930, tent. cat. 25 juni – 1 december 1996, AAM, Brussel, 1996, p. 61.
MOREL, A.-F., De architecturale representatie van het katholicisme: interbellumkerken in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, onuitgegeven licentiaatsverhandeling in de kunstwetenschappen, Universiteit Gent, 2005.
PIRLOT, A.-M., De Hoogte Honderdwijk, Brussel, stad van kunst en geschiedenis, MBHG, Brussel, 2014, pp. 24-35.
REUNIS, R., Inventaire des archives de la paroisse Saint-Augustin à Forest, Paroisse Saint-Augustin, 2006.
VAN DE VOORDE, S., Bouwen in beton in België (1890-1975). Samenspel van kennis, experiment en innovatie, doctoraat aan de Universiteit Gent, 2010-2011, pp. 307-317.
VERNIERS, L., Histoire de Forest les Bruxelles, Brussel, A. De Boeck, 1949, p. 164.
Tijdschriften
CORDEIRO, P., “Sacraal beton. De Sint-Augustinuskerk te Vorst“, M&L, 13, 3, 1994, pp. 41-56.
MOREL, A;-F., VAN DE VOORDE, S., “Rethinking the Twentieth-Century Catholic Church in Belgium: the Inter-Relationship Between Liturgy and Architecture”, Architectural History, 55, 2012, pp. 269-297.
NICAISE, L., “Va t’on démolir l’église Saint-Augustin?”, Le Soir, donderdag 5 december 1974.
VAN LIL, A., ‘La Paroisse de Saint Augustin à Forest’, Le Folklore Brabançon’, nr. 218, 1978, p. 127.
QUEILLE, G., “Eglises en béton. Eglise Saint-Augustin, place de l’Altitude 100 à Forest, Architectes L. Guiannotte et Watteyne“, Bâtir, 40, 1936, pp. 592-593.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid























