Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
woning
architectenwoning
architectenwoning
Ontwerper(s)
Jean DE LIGNE – architect – 1912
Jean DE LIGNE – architect – 1921-1923
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Art deco
Traditionalistische architectuur
Eclectisme
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Sint-Pieters-Woluwe (DMS-DML - 2002-2009, 2014)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2005
id
Urban : 17550
Beschrijving
Geheel van verschillende huizen naar ontwerp van de architect Jean De Ligne.
De oudste woning dateert van 1912 (nr. 62) en is trouw aan de traditioneelPeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). bouwstijl. De andere woningen zijn ontworpen tussen 1921 en 1923. Zij vermengen de esthetiek van de art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”). met traditionalistischePeriode: vanaf 1920 Traditionalistische architectuur duidt een manier van bouwen aan die zich bewust laat inspireren door vormen, materialen en vakmanschap uit het verleden. Het gaat om een houding die inzet op continuïteit en niet op een breuk met het voorgaande. De traditionalistische architectuur probeert geen volledig nieuwe stijl uit te vinden, maar veeleer de bouwkundige tradities van een streek, een land of een tijdperk te respecteren, te behouden of te herinterpreteren. Die tendens komt onder meer tot uiting na de twee wereldoorlogen: traditionalisten willen de stad identiek heropbouwen om zo het beeld van de oude stad te behouden. Zij verzetten zich tegen de modernisten, die het verleden volledig willen uitwissen. Kenmerkend voor traditionalistische architectuur is het gebruik van lokale of traditionele materialen (steen, baksteen, leisteen, hout), soms gecombineerd met moderne technieken en klassieke vormen en proporties (symmetrie, hellende daken, regelmatige gevelopeningen). Traditionalistische architectuur behoort niet tot één welbepaalde periode: het is vooral een architecturale houding die op verschillende momenten opnieuw verschijnt, vaak als reactie op snelle veranderingen of op bewegingen die als te vernieuwend worden beschouwd. Het traditionalisme beleefde met name een heropleving tijdens de jaren 1980-2000, als reactie op architectuur die als anoniem werd ervaren (grote gehelen, commerciële zones) elementen. Ze zijn geïnspireerd op de Nederlandse interbellumarchitectuur, typerend zijn de verschillende metselverbandenWijze waarop bakstenen aan de buitenzijde van een muur zijn gerangschikt. en blokramen.
Rationele architectuur met bakstenen gevels en, mits kleine uitzonderingen, rechthoekige muuropeningen. De woningen hebben twee of drie bouwlagen op, al of niet gehamerde, hardstenen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.. Bewaard schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... met geometrisch glas-in-lood in ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. en/of (vaste) bovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden..
Nr. 30-32. Hoekgebouw met handelszaak, toegeschreven aan arch. J. De Ligne, 1922. Drie bouwlagen en zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); drie in Sint-Huibrechtsstraat, hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw. en twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in M. Liétardstraat; verspringende ingangstravee. Benedenverdieping heden wit geschilderd. Blokramen met kleine roedenDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. tussen uitspringende muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag.. Uitstekende kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement)..
Interieur van tweede bouwlaag verbouwd tot eetzaal n.o.v. arch. J.P. Blondel (1980).

Nr. 34. Woning van 1923 met op benedenverdieping drieledig kruiskozijn met luiken; centraal in sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. ingewerkte brievenbus. RondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. en half opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. houten deur. Tweede bouwlaag met trapezoïdale erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. met schuiframen, dito raamVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. in toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht.. Pseudo-mansarde tussen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met twee dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap..
Nr 44. Woning van 1922 met op benedenverdieping driedelig kruiskozijn met luiken en half opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. houten deur. Brede vensterpartij in tweede bouwlaag met centraal licht uitstekend blokraam met glas-in-lood. Brede vensterpartij in derde bouwlaag met centrale witstenen muurdamParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. met arabeskenOrnament met slingerende grondlijn, bekleed met bladeren, bloemen, vruchten, gedeelten van mensen- of dierenbeelden in grillige vormen, maar op sierlijke wijze geschikt en aaneengestrengeld.. Houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop..

Nr 52. Enkelhuis opgetrokken vlg. bouwvergunning van 1921. Bakstenen gevel met twee bouwlagen op arduinen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. met brede dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Op benedenverdieping rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. met half opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. houten deur en in schuine wand smal vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. boven ingewerkte brievenbus, vloer met cementtegelsTegel op basis van cement, vaak polychroom versierd en gebruikt voor vloeren, friezen en borstweringen.; rechts breed blokraam. Tweede bouwlaag met bakstenen erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. op hardstenen consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. onder kort lessenaardak tussen licht verhoogde muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag.; driedelig blokraam, borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met spiegels1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. in contrasterend metselwerk. MuizentandStenen tandlijst bestaande uit om de andere uitstekende steenkoppen onder een overstekende strekse laag. op elke bouwlaag en kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement)..

Nr 56-58. Architectenwoning van 1921. Voordien werkte de arch. in huis nr 62 (zie verder). Atelier en bureau op benedenverdieping en toegankelijk via rechterdeur, linkerdeur gaf toegang tot verdiepingen. Heden binneninrichting gewijzigd (n.o.v. arch. Patrick Jacqmot, 2001). Op benedenverdieping centraal T-vormig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met luiken en geflankeerd door houten deuren, links half opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen.; muizentandStenen tandlijst bestaande uit om de andere uitstekende steenkoppen onder een overstekende strekse laag. en belijnd door in- en uitspringend contrasterend metselwerk. Tweede bouwlaag met brede vensterpartij en omlijst door U-vormig spaarveld; muizentandStenen tandlijst bestaande uit om de andere uitstekende steenkoppen onder een overstekende strekse laag. en bekroond door tandlijst. Laatste bouwlaag met twee venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.; muizentandStenen tandlijst bestaande uit om de andere uitstekende steenkoppen onder een overstekende strekse laag. en friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). van gegroefd verticaal metselwerk. Houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Brede centrale dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap..
Nr 62. Architectenwoning van 1912 (bureau en atelier van de arch. tot 1921 zie nr 56-58). Witstenen elementen (sokkel, kordonsUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels., lateienBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. en consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. erker). Muuropeningen met ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. Benedenverdieping met half opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. deur en twee getraliede schuiframen, oorspronkelijk met houten luiken. In tweede bouwlaag centrale erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. onder klein schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. geflankeerd door spaarvelden; links met witstenen bas-reliëf waarin uil met passer en datum “1912”, en rechts met klein vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. onder rechthoekige nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld.. Sierankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief.. Houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op modillonsRechthoekig kraagstuk, ter versiering van een kroonlijst.. Centrale dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap..
Nr 64. Woning i.o.v. en toegeschreven aan arch. J. De Ligne, 1923. Gehamerde hardstenen elementen (plint en dorpels). Benedenverdieping met houten deur en klein getralied blokraam geflankeerd door groot kruisvormig en getralied blokraam. Op verdiepingen drie smalle venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. vlg. afnemende grootte ingeschreven in één spaarveld; doorlopende muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. en spiegels1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. in borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. derde bouwlaag, tweede bouwlaag metalen vensterleuningenLage, versierde leuning boven een onderdorpel, meestal in metaal.. Houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Centrale drieledige dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap..
De oudste woning dateert van 1912 (nr. 62) en is trouw aan de traditioneelPeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). bouwstijl. De andere woningen zijn ontworpen tussen 1921 en 1923. Zij vermengen de esthetiek van de art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”). met traditionalistischePeriode: vanaf 1920 Traditionalistische architectuur duidt een manier van bouwen aan die zich bewust laat inspireren door vormen, materialen en vakmanschap uit het verleden. Het gaat om een houding die inzet op continuïteit en niet op een breuk met het voorgaande. De traditionalistische architectuur probeert geen volledig nieuwe stijl uit te vinden, maar veeleer de bouwkundige tradities van een streek, een land of een tijdperk te respecteren, te behouden of te herinterpreteren. Die tendens komt onder meer tot uiting na de twee wereldoorlogen: traditionalisten willen de stad identiek heropbouwen om zo het beeld van de oude stad te behouden. Zij verzetten zich tegen de modernisten, die het verleden volledig willen uitwissen. Kenmerkend voor traditionalistische architectuur is het gebruik van lokale of traditionele materialen (steen, baksteen, leisteen, hout), soms gecombineerd met moderne technieken en klassieke vormen en proporties (symmetrie, hellende daken, regelmatige gevelopeningen). Traditionalistische architectuur behoort niet tot één welbepaalde periode: het is vooral een architecturale houding die op verschillende momenten opnieuw verschijnt, vaak als reactie op snelle veranderingen of op bewegingen die als te vernieuwend worden beschouwd. Het traditionalisme beleefde met name een heropleving tijdens de jaren 1980-2000, als reactie op architectuur die als anoniem werd ervaren (grote gehelen, commerciële zones) elementen. Ze zijn geïnspireerd op de Nederlandse interbellumarchitectuur, typerend zijn de verschillende metselverbandenWijze waarop bakstenen aan de buitenzijde van een muur zijn gerangschikt. en blokramen.
Rationele architectuur met bakstenen gevels en, mits kleine uitzonderingen, rechthoekige muuropeningen. De woningen hebben twee of drie bouwlagen op, al of niet gehamerde, hardstenen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.. Bewaard schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... met geometrisch glas-in-lood in ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. en/of (vaste) bovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden..
Nr. 30-32. Hoekgebouw met handelszaak, toegeschreven aan arch. J. De Ligne, 1922. Drie bouwlagen en zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); drie in Sint-Huibrechtsstraat, hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw. en twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in M. Liétardstraat; verspringende ingangstravee. Benedenverdieping heden wit geschilderd. Blokramen met kleine roedenDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. tussen uitspringende muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag.. Uitstekende kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement)..
Interieur van tweede bouwlaag verbouwd tot eetzaal n.o.v. arch. J.P. Blondel (1980).

Nr. 34. Woning van 1923 met op benedenverdieping drieledig kruiskozijn met luiken; centraal in sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. ingewerkte brievenbus. RondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. en half opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. houten deur. Tweede bouwlaag met trapezoïdale erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. met schuiframen, dito raamVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. in toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht.. Pseudo-mansarde tussen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met twee dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap..
Nr 44. Woning van 1922 met op benedenverdieping driedelig kruiskozijn met luiken en half opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. houten deur. Brede vensterpartij in tweede bouwlaag met centraal licht uitstekend blokraam met glas-in-lood. Brede vensterpartij in derde bouwlaag met centrale witstenen muurdamParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. met arabeskenOrnament met slingerende grondlijn, bekleed met bladeren, bloemen, vruchten, gedeelten van mensen- of dierenbeelden in grillige vormen, maar op sierlijke wijze geschikt en aaneengestrengeld.. Houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop..

Nr 52. Enkelhuis opgetrokken vlg. bouwvergunning van 1921. Bakstenen gevel met twee bouwlagen op arduinen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. met brede dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Op benedenverdieping rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. met half opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. houten deur en in schuine wand smal vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. boven ingewerkte brievenbus, vloer met cementtegelsTegel op basis van cement, vaak polychroom versierd en gebruikt voor vloeren, friezen en borstweringen.; rechts breed blokraam. Tweede bouwlaag met bakstenen erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. op hardstenen consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. onder kort lessenaardak tussen licht verhoogde muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag.; driedelig blokraam, borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met spiegels1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. in contrasterend metselwerk. MuizentandStenen tandlijst bestaande uit om de andere uitstekende steenkoppen onder een overstekende strekse laag. op elke bouwlaag en kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement)..

Nr 56-58. Architectenwoning van 1921. Voordien werkte de arch. in huis nr 62 (zie verder). Atelier en bureau op benedenverdieping en toegankelijk via rechterdeur, linkerdeur gaf toegang tot verdiepingen. Heden binneninrichting gewijzigd (n.o.v. arch. Patrick Jacqmot, 2001). Op benedenverdieping centraal T-vormig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met luiken en geflankeerd door houten deuren, links half opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen.; muizentandStenen tandlijst bestaande uit om de andere uitstekende steenkoppen onder een overstekende strekse laag. en belijnd door in- en uitspringend contrasterend metselwerk. Tweede bouwlaag met brede vensterpartij en omlijst door U-vormig spaarveld; muizentandStenen tandlijst bestaande uit om de andere uitstekende steenkoppen onder een overstekende strekse laag. en bekroond door tandlijst. Laatste bouwlaag met twee venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.; muizentandStenen tandlijst bestaande uit om de andere uitstekende steenkoppen onder een overstekende strekse laag. en friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). van gegroefd verticaal metselwerk. Houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Brede centrale dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap..
Nr 62. Architectenwoning van 1912 (bureau en atelier van de arch. tot 1921 zie nr 56-58). Witstenen elementen (sokkel, kordonsUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels., lateienBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. en consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. erker). Muuropeningen met ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. Benedenverdieping met half opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. deur en twee getraliede schuiframen, oorspronkelijk met houten luiken. In tweede bouwlaag centrale erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. onder klein schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. geflankeerd door spaarvelden; links met witstenen bas-reliëf waarin uil met passer en datum “1912”, en rechts met klein vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. onder rechthoekige nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld.. Sierankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief.. Houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op modillonsRechthoekig kraagstuk, ter versiering van een kroonlijst.. Centrale dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap..
Nr 64. Woning i.o.v. en toegeschreven aan arch. J. De Ligne, 1923. Gehamerde hardstenen elementen (plint en dorpels). Benedenverdieping met houten deur en klein getralied blokraam geflankeerd door groot kruisvormig en getralied blokraam. Op verdiepingen drie smalle venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. vlg. afnemende grootte ingeschreven in één spaarveld; doorlopende muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. en spiegels1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. in borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. derde bouwlaag, tweede bouwlaag metalen vensterleuningenLage, versierde leuning boven een onderdorpel, meestal in metaal.. Houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Centrale drieledige dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap..
Bronnen
Archieven
GASPW/DS 30: 222 (1922), 155 (1980); 34: 614 (1923); 44: 369 (1922), 100 (1927); 52: 149 (1921); 56-58: 104 (1921), 168 (2001); 62: 26 (1912), 169 (2001); 64: 578 (1923).
Fonds Jean De Ligne, AAM.
Publicaties en studies
BURNIAT, P., PUTTEMANS, P., VANDENBREEDEN, J., Moderne architectuur in Brussel. Gids, Éditions de l'Octogone, Brussel, 2000, p. 127.
Jean de Ligne. Architecte. Membre de l'Académie Royale de Belgique. Paroles d'éloges prononcées par l'architecte Albert Bontridder, s.l., s.d.
MARTINY, V.-G., Une école d'architecture, des tendances, 1766-1991, Brussel, 1992, pp. 140-141.
Tijdschriften
44: “Maison rue Maurice Liétard, 30 à Woluwe-Saint-Pierre, arch. Jean De Ligne”, L'Émulation, 10, 1924, pl. 41.
56-58: “Maison rue Maurice Liétard, 42 à Woluwe-Saint-Pierre, arch. J. De Ligne”, L'Émulation, 11, 1924, p. 167, fig. 43.
GASPW/DS 30: 222 (1922), 155 (1980); 34: 614 (1923); 44: 369 (1922), 100 (1927); 52: 149 (1921); 56-58: 104 (1921), 168 (2001); 62: 26 (1912), 169 (2001); 64: 578 (1923).
Fonds Jean De Ligne, AAM.
Publicaties en studies
BURNIAT, P., PUTTEMANS, P., VANDENBREEDEN, J., Moderne architectuur in Brussel. Gids, Éditions de l'Octogone, Brussel, 2000, p. 127.
Jean de Ligne. Architecte. Membre de l'Académie Royale de Belgique. Paroles d'éloges prononcées par l'architecte Albert Bontridder, s.l., s.d.
MARTINY, V.-G., Une école d'architecture, des tendances, 1766-1991, Brussel, 1992, pp. 140-141.
Tijdschriften
44: “Maison rue Maurice Liétard, 30 à Woluwe-Saint-Pierre, arch. Jean De Ligne”, L'Émulation, 10, 1924, pl. 41.
56-58: “Maison rue Maurice Liétard, 42 à Woluwe-Saint-Pierre, arch. J. De Ligne”, L'Émulation, 11, 1924, p. 167, fig. 43.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid



















