Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
pastorie
Ontwerper(s)
INCONNU - ONBEKEND – 1724
Stijlen
Neoclassicisme
Inventaris(sen)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Sint-Pieters-Woluwe (DMS-DML - 2002-2009, 2014)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2002
id
Urban : 17291
Beschrijving
Pastorie van Sint-Pieterskerk. Op hoek van Jean Deraeckstraat, haaks op Kleine Kerkstraat. Voormalige pastorie van kleine landelijkePeriode:
18e – 19e – begin 20e eeuw
De landelijke architectuur verwijst naar een kenmerkende bouwwijze die
voornamelijk bestaat uit boerderijen en landelijke woningen, opgetrokken tussen
de 18e eeuw en het begin van de 20e eeuw. Tot het midden van de 19e eeuw was
dit type bebouwing wijdverspreid in de Brusselse voorsteden, die toen nog een
overwegend landelijk landschap kenden. De bebouwing concentreerde zich vooral
rond parochiekerken, in gehuchten, en langs de belangrijkste verkeersassen.
Deze bouwwijze, die binnen de vernaculaire architectuur valt, vertoont
specifieke architecturale en materiële kenmerken die getuigen van lokale
grondstoffen en traditionele vakkennis.
De boerderijen komen doorgaans overeen met kleinschalige landbouwbedrijven. Ze
bestaan uit een rechthoekige woning, laag en zonder verdieping, die parallel of
loodrecht op de weg is geplaatst. De ruimte tussen de weg en de boerderij
fungeert als erf. Tot het einde van de 19e eeuw was de stal rechtstreeks
verbonden met de woning en vormde zo één geheel. Bijgebouwen (schuur, berging,
werkplaats, hooizolder) konden dit geheel aanvullen, afhankelijk van de
middelen van de eigenaar.
De vierkanthoeve is een variant van dit type, georganiseerd als een gesloten
vierhoek of U-vorm rond een centrale binnenplaats. Deze binnenplaats bevatte
vaak een mestput, een waterput, een drinkbak of een duiventil. Soms werd de
straatzijde van de vleugel monumentaler vormgegeven met een poortgebouw.
De constructietechniek maakt voornamelijk gebruik van lokale materialen:
baksteen, kalkmortel, pleister en natuursteen (vooral voor sokkels en
omlijstingen van openingen). De daken, rustend op een houten gebinte, zijn
bedekt met riet, pannen of soms leien. De openingen zijn, indien later niet
aangepast, zelden uitgelijnd en vaak van verschillende afmetingen. Sommige
behouden hun oorspronkelijke houten latei. Ook zijn ijzeren muurankers
zichtbaar in hoefijzer-, I- of X-vorm in de gevels en/of zijgevels.
De landelijke woningen (vaak verbonden met tuinbouw) volgen een herkenbare
typologie: een eenvoudig, compact bakstenen volume, een gepleisterde of
geschilderde gevel, een indeling in traveeën over één niveau met attiek, en een
poortdeur die toegang geeft tot een achterliggende berging. parochie. Best bewaarde gebouw van oude dorpskern van Sint-Pieters-Woluwe. Tweeledig huis in neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840.
Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar
Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en
verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk
de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de
Eerste Wereldoorlog opduiken.
In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het
18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het
neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na
de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de
samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een
aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel.
Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie
bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met
drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden
bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een
nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de
proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel,
los van de achterliggende structuur.
Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde
belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de
opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand
Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud,
rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo.
De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele
herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en
praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme
gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven
uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel
lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde
pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte”
stad.
Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht
gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt
symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms
steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een
toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en
bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons
en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek
geïnspireerde hoofdgestel.
Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal:
pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen.
Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In
prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren
borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer.
In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige
stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen
en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie
en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn
het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de
Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt
(1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot
Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving
van de vroegere stadspoorten.
Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor
monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze
instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien
talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt
vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende
dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of
vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen
vormentaal. stijl. Twee bouwlagen en vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder wolfdakZadeldak waarvan de nok niet tot de geveleinden doorloopt, maar met korte driehoekige eindschilden (wolfeinden) wordt afgewolfd.. Voortuin met lage bakstenen ommuring, geflankeerd door klein bijgebouw van één bouwlaag met drie muuropeningen. Op benedenverdieping aaneensluitende kamers aan weerszijden van centrale gang. TraveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) rechts van toegangsdeur verlicht trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht..
De eerste pastorie van Sint-Pieters-Woluwe, waarvan bouwjaar onbekend, brandde ca 1570, ten tijde van de godsdienstoorlogen, volledig uit. De pastoor overleed kort daarop en werd niet vervangen. Van 1580 tot 1722 was de pastoor van Sint-Lambrechts-Woluwe verantwoordelijk voor beide parochies. Pas in 1721 werd in Sint-Pieters-Woluwe nieuwe pastoor benoemd en in 1724 werd pastorie heropgetrokken. Laatstgenoemde in 1784 verbouwd en vergroot of misschien heropgebouwd.
In Gemeente-atlas van 1808 bestaat pastorie uit drie vleugels rond U-vormig binnenhof. Vleugel tegenover huidig gebouw en een derde van linkervleugel ca 1907 gesloopt voor aanleg van Jean Deraeckstraat.

In 1921 kleine toegangsportiek toegevoegd aan laatste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) rechts van hoofdgevel; in 1962 weer gesloopt.
In 1932 gerestaureerd door gemeente Sint-Pieters-Woluwe, thans nog steeds eigenaar van het gebouw: vroeger bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. aan Kleine Kerkstraat gedecapeerd en opvoegen van muren; vervanging van daken van bijgebouwen door betonnen platform; plaatsing van smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… muurankers; vernieuwing van leistenen dak; in interieur nivellering en gedeeltelijke vervanging van houten vloeren, beitsen van trap, herstellen en vervangen van oude deuren, plaatsing van gerecupereerde marmeren schouwen uit landgoed Dumon te Stokkel.
In 1938 werd vrij hoge omheiningsmuur van binnenhof herbouwd.
In 1962 opnieuw gesloopt en vervangen door lagere muur. In hetzelfde jaar leistenen dak vervangen door Eternit.

Bakstenen gevels. Lage sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. in breuksteenMetselwerk bestaande uit brokken onregelmatige natuursteen. van witte zandsteen. Hoeken van gebouw en vensterstijlen geritmeerd door witte zandstenen elementen. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met hardstenen lateienBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. onder ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast..
Hoofdgebouw met analoge voor- en achtergevel. Centrale toegangsdeur met witte zandstenen omlijsting; pilastervormige stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. met kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen.; hanenkamVlakke samengestelde latei, waarvan de stenen als boogstenen functioneren; in ruime zin slaat de term ook op een boog met een getrapte (pseudo-) boogrug. bekroond met kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).; waarschijnlijk oorspronkelijke zware houten deur op spilscharnieren en bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met waaiervormige roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd.. HoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met steigergatenGat aan de bovenzijde van een gevel waarin de horizontale dwarsbalken van een steiger werden bevestigd; vaak afgedekt door smeedijzeren (sier)deksel. met witstenen omlijsting en moderne sierdeksels. Houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). met stenen modillonsRechthoekig kraagstuk, ter versiering van een kroonlijst.. Centrale dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde..
In hoofdgevel aan weerszijden van deur smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… ankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. van ca 1932 in vorm van initialen S en P. Lager twee funderingsstenen met inscriptie van diegenen die ze legden en datum van heropbouw: links “J.C.R.D.F. / ME POSUIT / 26 JULII 1784”, rechts “J.D.C.P. / ME POSUIT / 26 JULII 1784”. Deur bekroond met gesculpteerd blazoen van abdis van Vorst, die in 18de eeuw een patronaatsrecht over deze parochie uitoefende.

In puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. aan Kleine Kerkstraat tweemaal de vermelding jaartal “1784”. Het ene, moeilijk leesbaar bovenaan in puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is., in zwarte baksteen is oorspronkelijk. Het andere, gevormd door smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… ankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. toegevoegd in 1932.
In achtergevel moderne gecementeerdeMet portlandcement bestrijken. banden. Overblijfselen van rode ‘ossenbloed' bepleistering. Op de tuin uitgevende trap van betontegels van ca 1932.
In interieur lijken diverse 18de eeuwse elementen bewaard: binnendeuren met eenvoudig lijstwerk, grote vertrekken voorzien van plafonds met sober lijstwerk en onderverdeeld door twee balken. Links, onder slechts twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) overwelfde kelder. Eiken dakgebint met dakstoelMeestal driehoekig samenstel van dragende onderdelen van een kap, in één vlak, haaks op het dakvlak en veelal opgebouwd uit één of meerdere elementen op elkaar (kapgebinten). en pannen over vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Eiken trap met rechte trapdelen, waarschijnlijk daterend van heropbouw van 1784; opmerkelijke trappaalHoofdbaluster aan de eerste trede van een trap. met gesculpteerde neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. elementen (met stafwerkOrnament, bestaande uit een pijp-, riet- of koordvormige vulling van cannelures tot op een derde van hun hoogte. versierde canneluresParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster., laurierbladeren, rozettenRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. en pijnappels); elegant geprofileerde wellen, leuning en gedraaide balustersVaasvormige spijl van een borstwering..
Beschermd sinds 04.03.2004.
De eerste pastorie van Sint-Pieters-Woluwe, waarvan bouwjaar onbekend, brandde ca 1570, ten tijde van de godsdienstoorlogen, volledig uit. De pastoor overleed kort daarop en werd niet vervangen. Van 1580 tot 1722 was de pastoor van Sint-Lambrechts-Woluwe verantwoordelijk voor beide parochies. Pas in 1721 werd in Sint-Pieters-Woluwe nieuwe pastoor benoemd en in 1724 werd pastorie heropgetrokken. Laatstgenoemde in 1784 verbouwd en vergroot of misschien heropgebouwd.
In Gemeente-atlas van 1808 bestaat pastorie uit drie vleugels rond U-vormig binnenhof. Vleugel tegenover huidig gebouw en een derde van linkervleugel ca 1907 gesloopt voor aanleg van Jean Deraeckstraat.

In 1921 kleine toegangsportiek toegevoegd aan laatste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) rechts van hoofdgevel; in 1962 weer gesloopt.
In 1932 gerestaureerd door gemeente Sint-Pieters-Woluwe, thans nog steeds eigenaar van het gebouw: vroeger bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. aan Kleine Kerkstraat gedecapeerd en opvoegen van muren; vervanging van daken van bijgebouwen door betonnen platform; plaatsing van smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… muurankers; vernieuwing van leistenen dak; in interieur nivellering en gedeeltelijke vervanging van houten vloeren, beitsen van trap, herstellen en vervangen van oude deuren, plaatsing van gerecupereerde marmeren schouwen uit landgoed Dumon te Stokkel.
In 1938 werd vrij hoge omheiningsmuur van binnenhof herbouwd.
In 1962 opnieuw gesloopt en vervangen door lagere muur. In hetzelfde jaar leistenen dak vervangen door Eternit.

Bakstenen gevels. Lage sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. in breuksteenMetselwerk bestaande uit brokken onregelmatige natuursteen. van witte zandsteen. Hoeken van gebouw en vensterstijlen geritmeerd door witte zandstenen elementen. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met hardstenen lateienBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. onder ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast..
Hoofdgebouw met analoge voor- en achtergevel. Centrale toegangsdeur met witte zandstenen omlijsting; pilastervormige stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. met kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen.; hanenkamVlakke samengestelde latei, waarvan de stenen als boogstenen functioneren; in ruime zin slaat de term ook op een boog met een getrapte (pseudo-) boogrug. bekroond met kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).; waarschijnlijk oorspronkelijke zware houten deur op spilscharnieren en bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met waaiervormige roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd.. HoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met steigergatenGat aan de bovenzijde van een gevel waarin de horizontale dwarsbalken van een steiger werden bevestigd; vaak afgedekt door smeedijzeren (sier)deksel. met witstenen omlijsting en moderne sierdeksels. Houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). met stenen modillonsRechthoekig kraagstuk, ter versiering van een kroonlijst.. Centrale dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde..
In hoofdgevel aan weerszijden van deur smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… ankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. van ca 1932 in vorm van initialen S en P. Lager twee funderingsstenen met inscriptie van diegenen die ze legden en datum van heropbouw: links “J.C.R.D.F. / ME POSUIT / 26 JULII 1784”, rechts “J.D.C.P. / ME POSUIT / 26 JULII 1784”. Deur bekroond met gesculpteerd blazoen van abdis van Vorst, die in 18de eeuw een patronaatsrecht over deze parochie uitoefende.

In puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. aan Kleine Kerkstraat tweemaal de vermelding jaartal “1784”. Het ene, moeilijk leesbaar bovenaan in puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is., in zwarte baksteen is oorspronkelijk. Het andere, gevormd door smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… ankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. toegevoegd in 1932.
In achtergevel moderne gecementeerdeMet portlandcement bestrijken. banden. Overblijfselen van rode ‘ossenbloed' bepleistering. Op de tuin uitgevende trap van betontegels van ca 1932.
In interieur lijken diverse 18de eeuwse elementen bewaard: binnendeuren met eenvoudig lijstwerk, grote vertrekken voorzien van plafonds met sober lijstwerk en onderverdeeld door twee balken. Links, onder slechts twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) overwelfde kelder. Eiken dakgebint met dakstoelMeestal driehoekig samenstel van dragende onderdelen van een kap, in één vlak, haaks op het dakvlak en veelal opgebouwd uit één of meerdere elementen op elkaar (kapgebinten). en pannen over vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Eiken trap met rechte trapdelen, waarschijnlijk daterend van heropbouw van 1784; opmerkelijke trappaalHoofdbaluster aan de eerste trede van een trap. met gesculpteerde neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. elementen (met stafwerkOrnament, bestaande uit een pijp-, riet- of koordvormige vulling van cannelures tot op een derde van hun hoogte. versierde canneluresParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster., laurierbladeren, rozettenRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. en pijnappels); elegant geprofileerde wellen, leuning en gedraaide balustersVaasvormige spijl van een borstwering..
Beschermd sinds 04.03.2004.
Bronnen
Archieven
GASPW/OW 7907, 7914, 7917.
GASPW/DS 180 (1921), rooilijnen 7 (1906-1907).
Publicaties en studies
FALKENBACK, P., Historique de Woluwe-Saint-Pierre, Gemeente Sint-Pieters-Woluwe, 1992, pp. 57-59.
DEMETER, S. (o.l.v.), Atlas van de archeologische ondergrond van het Gewest Brussel, t. 14, Sint-Pieters-Woluwe, Brussel, 2004, pp. 51-52.
GASPW/OW 7907, 7914, 7917.
GASPW/DS 180 (1921), rooilijnen 7 (1906-1907).
Publicaties en studies
FALKENBACK, P., Historique de Woluwe-Saint-Pierre, Gemeente Sint-Pieters-Woluwe, 1992, pp. 57-59.
DEMETER, S. (o.l.v.), Atlas van de archeologische ondergrond van het Gewest Brussel, t. 14, Sint-Pieters-Woluwe, Brussel, 2004, pp. 51-52.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid











