Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
fabriek
kantoorgebouw
filminfrastructuur
kantoorgebouw
filminfrastructuur
Ontwerper(s)
INCONNU - ONBEKEND – 1923
Antoine COURTENS – architect – 1936
Henri (fils) JACOBS – architect – 1937
J. FINK – architect – 1954
James ALLARD – architect – 1954
Victor LEVY – architect
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Laat-eclecticisme
Integratiearchitectuur
Inventaris(sen)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Het monumentale erfgoed van België. Vorst (DPC-DCE - 2014-2020)
Onderzoek en redactie
2016-2019
id
Urban : 28946
Beschrijving
Voormalig
industrieel geheel in eclectischePeriode: ca. 1840-1914.
Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit
verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen
historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt
zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de
grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850
ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot
dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en
rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor
eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl,
ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en
daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de
industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om
flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke
voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich
zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen,
fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het
eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van
Brussel (de Brusselse voorsteden).
In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt
gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de
middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een
religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit
voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance
symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die
manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te
weerspiegelen.
In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en
herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen
met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer,
keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor
te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel,
erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken,
zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken.
De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en
tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis:
een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het
burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs
ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap,
vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en
soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas).
De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt:
een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie
bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één
brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt
in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend
met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een
driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of
bow-windows.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de
stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele
straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert
in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade
of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van
een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd
door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen
dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde
stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel.
De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische
stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de
polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in
uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk,
uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en
stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door
elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk,
soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters
in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art
nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale
motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten
elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz.
Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de
Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog
lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden
verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren
uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen
gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als
laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische
woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen
geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of
regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl, met «Laboratoire de cinéma L.J. Dassonville»,
gebouwd in 1923. Vergroot, verhoogd en verbouwd in 1928 (architect Henri
Sangers), 1936 (architect Antoine Courtens), 1937 (architect Henri Jacobs),
1945 (architect J. Fink), 1954 (architect James Allard), 1970 en 2014
(architect Pierre Goossens en Victor Lévy).
Geschiedenis
Het « Laboratoire de cinéma L.J. Dassonville » werd in 1919 opgestart door de broers Dassonville en was oorspronkelijk gevestigd aan de Waterloose Steenweg. Na een brand verhuisde de firma naar de Berthelotstraat waar ze een atelier van één bouwlaag onder puntdak liet bouwen op de achterliggende zone van een breed perceel van 22 meter. De firma groeide van dit klein atelier naar een groot complex industriële gebouwen waar de eerste stomme filmmontages werden geproduceerd en vanaf de jaren 1930 deze met geluid. Ook had de firma laboratoria waar filmrollen werden vervaardigd en ontwikkeld, een projectiezaal, depots en burelen. Omwille van de ontvlambare materialen die werden gebruikt bij de filmproductie werd een smalle koer gecreëerd tussen de ateliers en werd de structuur van de gebouwen aangepast: de muren en plafonds werden deels voorzien van een dikke laag beton en metalen structuren dienden als brandbarrières. Ook de trappen waren in metaal.
Eind jaren 1980 verliet de firma het gebouw waarna het complex werd omgevormd tot burelen en vanaf 2014 lofts.
Beschrijving
Geheel van drie langwerpige ateliers van één, twee of drie bouwlagen onder plat dak of zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. Gevels in rood-en bruingekleurde baksteen met elementen in similiBepleistering ter imitatie van natuursteen. en hardsteen. Grotendeels rechthoekige muuropeningen. Het centrale gebouw dateert van de eerste bouwperiode (1923). Het gebouw rechts dateert van 1928 en is in de borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. voorzien van het opschrift L.J. Dassonville, het werd in 1936 verhoogd. Het gebouw links dateert van 1945. De twee gebouwen aan de linkerzijde werden in 1954 voorzien van een extra bouwlaag. In 1970 werd een annex gebouwd aan de hoek van het eerste en tweede gebouw.
Langs de straatzijde bakstenen omheiningsmuur op hardstenen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. met poorttoegang aan de rechterzijde, 1928.
Geschiedenis
Het « Laboratoire de cinéma L.J. Dassonville » werd in 1919 opgestart door de broers Dassonville en was oorspronkelijk gevestigd aan de Waterloose Steenweg. Na een brand verhuisde de firma naar de Berthelotstraat waar ze een atelier van één bouwlaag onder puntdak liet bouwen op de achterliggende zone van een breed perceel van 22 meter. De firma groeide van dit klein atelier naar een groot complex industriële gebouwen waar de eerste stomme filmmontages werden geproduceerd en vanaf de jaren 1930 deze met geluid. Ook had de firma laboratoria waar filmrollen werden vervaardigd en ontwikkeld, een projectiezaal, depots en burelen. Omwille van de ontvlambare materialen die werden gebruikt bij de filmproductie werd een smalle koer gecreëerd tussen de ateliers en werd de structuur van de gebouwen aangepast: de muren en plafonds werden deels voorzien van een dikke laag beton en metalen structuren dienden als brandbarrières. Ook de trappen waren in metaal.
Eind jaren 1980 verliet de firma het gebouw waarna het complex werd omgevormd tot burelen en vanaf 2014 lofts.
Beschrijving
Geheel van drie langwerpige ateliers van één, twee of drie bouwlagen onder plat dak of zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. Gevels in rood-en bruingekleurde baksteen met elementen in similiBepleistering ter imitatie van natuursteen. en hardsteen. Grotendeels rechthoekige muuropeningen. Het centrale gebouw dateert van de eerste bouwperiode (1923). Het gebouw rechts dateert van 1928 en is in de borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. voorzien van het opschrift L.J. Dassonville, het werd in 1936 verhoogd. Het gebouw links dateert van 1945. De twee gebouwen aan de linkerzijde werden in 1954 voorzien van een extra bouwlaag. In 1970 werd een annex gebouwd aan de hoek van het eerste en tweede gebouw.
Langs de straatzijde bakstenen omheiningsmuur op hardstenen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. met poorttoegang aan de rechterzijde, 1928.
Bronnen
Archieven
GAV/DS 7729 (1923), 10025 (1928), 12966 (1936), 13391 (1937), 14549 (1945), 16335 (1954), 19515 (1970), 21217 , 24033 (2008), 24494 (2014).
GAV/DS 7729 (1923), 10025 (1928), 12966 (1936), 13391 (1937), 14549 (1945), 16335 (1954), 19515 (1970), 21217 , 24033 (2008), 24494 (2014).
Publicaties en studies
Inventaire visuel de l’architecture
industrielle à Bruxelles – Forest, AAM, Brussel, 1980-1982, fiche 49.LOZE, P., KNOPES, L., et al., Het nieuwe Brussel. Architectuur 1989-1995, Prisme éditions, Brussel, 1995, pp. 130-131.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid

















