Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
woning met kunstenaarsatelier
Ontwerper(s)
Louis Herman DE KONINCK – architect – 1935
Victor MARRES – architect – 1948
Victor BOURGEOIS – architect – 1924
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Modernisme
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016
id
Urban : 27867
Beschrijving
Voormalige
woning met kunstenaarsatelier van de beeldhouwer Henri Puvrez (1893-1971) in
modernistischeHet modernisme duidt
elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel
van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als
de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond,
eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat
dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële
materialen zoals gewapend beton, staal, glas).
Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken,
drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot
rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere
volumes en sterk gereduceerde decoratie.
Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden.
Modernisme van het interbellum
Periode: ca. 1920 – 1940
In Brussel is het modernisme van het interbellum
soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral
in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt
geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale
gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat
uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende
rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde
horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op
het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl.
Naoorlogs modernisme
Periode: ca. 1940 – 1960
Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende
karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek
(eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas
het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en
toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze
architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in
het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd
in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen
benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak
als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning
(met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op
het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie,
aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt.
Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd
Periode: ca. 1950 – 1965
Het ludiek modernisme of
de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke
woningen in die periode figureerden),
dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is
een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de
jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960.
De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het
functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren,
die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels,
boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige
motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert
graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste
structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de
kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen
zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot
succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950
worden ontwikkeld.
Laat modernisme
Periode: ca. 1970-1980
Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de
mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme
zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden
(rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie
van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de
structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes
verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen
met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar
inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties
staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken
(blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere
kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden
ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken
lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en
gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand
van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen
(rookglas).
Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien
als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast
op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode
waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich
tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan
het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak
wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie
van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse
klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. stijl. Resultaat van opeenvolgende verbouwingen van een
bescheiden kunstenaarswoning toegeschreven aan de architect Victor Bourgeois
uit 1924: vergroot naar een ontwerp van architect Louis Herman De Koninck in
1935, vervolgens in 1945 naar een ontwerp van architect Victor Marrès.
De beeldhouwer Henri Puvrez (Sint-Jans-Molenbeek, 1893 – Antwerpen, 1971) is een autodidact en propageert o.a. samen met Oscar Jespers een expressionistischePeriode: 1920-1930 De Amsterdamse School is een modernistische beweging, doordrongen van een socialistisch ideaal, die zich in Nederland ontwikkelt in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en haar volle bloei kent in het begin van de jaren 1920. De architectuur wordt gekenmerkt door de expressiviteit van ambachtelijke materialen waarbij met diverse vormen en kleuren wordt gewerkt. De stijl valt op door een grote plasticiteit van de vormen (golvende, gezwollen, gebogen gevels en complexe dakvormen), onder meer dankzij een originele toepassing van baksteen (gebruik van verschillende metselverbanden zoals bakstenen in staand verband, bakstenen in halfsteensverband, bakstenen in uitspringend verband enz.). De subtiele effecten van de metselverbanden, de verspringingen en de complexe aansluitingen zorgen voor levendige gevels met organische rondingen. Het is een architectuur waarin louter decoratieve elementen een belangrijke rol spelen in het ontwerp: de architecten integreren onder meer pinakels, figuratieve sculpturen en muuropeningen met “laddervensters” (vensters met horizontale roeden, zoals de sporten van een ladder). In Brussel is de invloed van de Amsterdamse School op de architecten van het interbellum voornamelijk esthetisch. De stijl wordt vooral toegepast in de woonarchitectuur via de compositie van elementaire volumes en door expressieve gevels die tot stand komen door de verwerking van baksteen (die soms verwant is aan de geometrische art deco). Het expressionisme is er echter minder spectaculair dan in de Amsterdamse architectuur, waar de bakstenen wanden werkelijk een organisch karakter lijken te hebben. beeldhouwkunst via de zgn. ‘taille directe’. In Brussel kent hij zijn beste periode tussen 1920 en 1940. Vanaf de Tweede Wereldoorlog evolueert hij naar het classicismeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal.. Hij verlaat Brussel rond 1948 voor Antwerpen en geeft er les aan de Academie voor Schone Kunsten. De bouw en verbouwing van zijn woning met atelier is in overeenstemming met het begin, gevolgd door het hoogtepunt van zijn meest creatieve periode.
Een eerste ontwerp toegeschreven aan architect Victor Bourgeois uit 1924 toont een bescheiden kunstenaarswoning op vierkante plattegrond, met klein atelier op de benedenverdieping en een studio op de verdieping, gelegen op de as van een vliegervormig perceel waarvan de lange zijden een hoek vormen waarlangs twee lanen zouden samenkomen: aan de noordkant de huidige Prins van Oranjelaan en aan de zuidkant de niet volledig gerealiseerde Maretaklaan. In 1927 ontwerpt de broer van de beeldhouwer, architect Louis Puvrez een ondergrondse garage. Het geheel wordt aanzienlijk uitgebreid in 1935 door architect Louis Herman De Koninck waarbij aan de achterkant tot op de perceelsgrens een gebogen volume over twee bouwlagen wordt toegevoegd voor de huisvesting van een groter atelier met vide (dubbele hoogte). Op de benedenverdieping worden aan de noord- en zuidzijde twee loggia’s voorzien, verlicht door venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. voorzien met kleine roede-indelingen, en een afzonderlijke toegang. Het grote vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. aan de noordzijde op de eerste verdieping verlicht de vide, typerend voor een kunstenaarsatelier. Het woongedeelte blijft bescheiden aanwezig in de oorspronkelijke bouw van 1924. Tenslotte wordt in 1948 het ateliergedeelte opgeschort, en wordt het geheel heringericht en uitgebreid als woning naar een ontwerp van architect Victor Marrès, voor een nieuwe eigenaar. Het grote ateliervenster en de dubbelhoge vide bleven (deels) behouden.
Kubistisch volume van twee bouwlagen met bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. muren onder plat dak. Hardstenen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en dorpelsOnderdorpel van een deur. van venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. Laatstgenoemde rechthoekig, enkele liggend. Verschillende aanbouwen met uit- of insprongen, één ondersteund door kolomCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.. Hoofdingang uit 1948 aan noordzijde met opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. deur in hardstenen omlijsting onder twee grote hardstenen reliëfs van de beeldhouwer Henri Puvrez: links de beeldhouwkunst, rechts de architectuur en beide deel uitmakend van de gevel van 1924. Vermoedelijk oorspronkelijk ook aan zuidzijde twee reliëfs – heden verdwenen – om symmetrie van de woning tussen de twee voorziene lanen te behouden. Secundaire inkom aan zuidzijde. Sommige ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. op benedenverdieping getralied. Alle raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. vervangen, smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… deuren vermoedelijk uit 1948 bewaard.
Interieur met een conservatieve inrichting uit 1948 (verbouwing van het atelier tot woning). Achteraan heringericht en opgedeeld atelier nog herkenbaar door vide met groot noordervenster op de verdieping die een gaanderij verlicht toegankelijk via een betonnen spiltrapWenteltrap waarvan de treden aan de binnenzijde vastzitten in een verticale as..
De beeldhouwer Henri Puvrez (Sint-Jans-Molenbeek, 1893 – Antwerpen, 1971) is een autodidact en propageert o.a. samen met Oscar Jespers een expressionistischePeriode: 1920-1930 De Amsterdamse School is een modernistische beweging, doordrongen van een socialistisch ideaal, die zich in Nederland ontwikkelt in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en haar volle bloei kent in het begin van de jaren 1920. De architectuur wordt gekenmerkt door de expressiviteit van ambachtelijke materialen waarbij met diverse vormen en kleuren wordt gewerkt. De stijl valt op door een grote plasticiteit van de vormen (golvende, gezwollen, gebogen gevels en complexe dakvormen), onder meer dankzij een originele toepassing van baksteen (gebruik van verschillende metselverbanden zoals bakstenen in staand verband, bakstenen in halfsteensverband, bakstenen in uitspringend verband enz.). De subtiele effecten van de metselverbanden, de verspringingen en de complexe aansluitingen zorgen voor levendige gevels met organische rondingen. Het is een architectuur waarin louter decoratieve elementen een belangrijke rol spelen in het ontwerp: de architecten integreren onder meer pinakels, figuratieve sculpturen en muuropeningen met “laddervensters” (vensters met horizontale roeden, zoals de sporten van een ladder). In Brussel is de invloed van de Amsterdamse School op de architecten van het interbellum voornamelijk esthetisch. De stijl wordt vooral toegepast in de woonarchitectuur via de compositie van elementaire volumes en door expressieve gevels die tot stand komen door de verwerking van baksteen (die soms verwant is aan de geometrische art deco). Het expressionisme is er echter minder spectaculair dan in de Amsterdamse architectuur, waar de bakstenen wanden werkelijk een organisch karakter lijken te hebben. beeldhouwkunst via de zgn. ‘taille directe’. In Brussel kent hij zijn beste periode tussen 1920 en 1940. Vanaf de Tweede Wereldoorlog evolueert hij naar het classicismeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal.. Hij verlaat Brussel rond 1948 voor Antwerpen en geeft er les aan de Academie voor Schone Kunsten. De bouw en verbouwing van zijn woning met atelier is in overeenstemming met het begin, gevolgd door het hoogtepunt van zijn meest creatieve periode.
Een eerste ontwerp toegeschreven aan architect Victor Bourgeois uit 1924 toont een bescheiden kunstenaarswoning op vierkante plattegrond, met klein atelier op de benedenverdieping en een studio op de verdieping, gelegen op de as van een vliegervormig perceel waarvan de lange zijden een hoek vormen waarlangs twee lanen zouden samenkomen: aan de noordkant de huidige Prins van Oranjelaan en aan de zuidkant de niet volledig gerealiseerde Maretaklaan. In 1927 ontwerpt de broer van de beeldhouwer, architect Louis Puvrez een ondergrondse garage. Het geheel wordt aanzienlijk uitgebreid in 1935 door architect Louis Herman De Koninck waarbij aan de achterkant tot op de perceelsgrens een gebogen volume over twee bouwlagen wordt toegevoegd voor de huisvesting van een groter atelier met vide (dubbele hoogte). Op de benedenverdieping worden aan de noord- en zuidzijde twee loggia’s voorzien, verlicht door venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. voorzien met kleine roede-indelingen, en een afzonderlijke toegang. Het grote vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. aan de noordzijde op de eerste verdieping verlicht de vide, typerend voor een kunstenaarsatelier. Het woongedeelte blijft bescheiden aanwezig in de oorspronkelijke bouw van 1924. Tenslotte wordt in 1948 het ateliergedeelte opgeschort, en wordt het geheel heringericht en uitgebreid als woning naar een ontwerp van architect Victor Marrès, voor een nieuwe eigenaar. Het grote ateliervenster en de dubbelhoge vide bleven (deels) behouden.
Kubistisch volume van twee bouwlagen met bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. muren onder plat dak. Hardstenen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en dorpelsOnderdorpel van een deur. van venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. Laatstgenoemde rechthoekig, enkele liggend. Verschillende aanbouwen met uit- of insprongen, één ondersteund door kolomCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.. Hoofdingang uit 1948 aan noordzijde met opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. deur in hardstenen omlijsting onder twee grote hardstenen reliëfs van de beeldhouwer Henri Puvrez: links de beeldhouwkunst, rechts de architectuur en beide deel uitmakend van de gevel van 1924. Vermoedelijk oorspronkelijk ook aan zuidzijde twee reliëfs – heden verdwenen – om symmetrie van de woning tussen de twee voorziene lanen te behouden. Secundaire inkom aan zuidzijde. Sommige ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. op benedenverdieping getralied. Alle raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. vervangen, smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… deuren vermoedelijk uit 1948 bewaard.
Interieur met een conservatieve inrichting uit 1948 (verbouwing van het atelier tot woning). Achteraan heringericht en opgedeeld atelier nog herkenbaar door vide met groot noordervenster op de verdieping die een gaanderij verlicht toegankelijk via een betonnen spiltrapWenteltrap waarvan de treden aan de binnenzijde vastzitten in een verticale as..
Bronnen
Archieven
GAU/DS 1371 (1924), 2930 (1927), 9345 (1935), 13857 (1948).
Publicaties en studies
AVERMAETE,
R., Henri Puvrez, 1950 (Monografieën
over Belgische Kunst).
CULOT, M., DELEVOY, R.-L., GIERST, M., L.H. De Koninck architecte, Brussel,
AAM, 1980, p. 285.
Tijdschriften
FLOUQUET,
P.-L.., Auguste Puvrez. Tailleur de
pierre in Bâtir, 12, 1933, pp.
448-449.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid





















Avenue du Prince d'Orange, 49-51' class='thumb'>
Avenue du Prince d'Orange, 49-51' class='thumb'>