Typologie(ën)

appartementsgebouw

Ontwerper(s)

Jean-Florian COLLINarchitect1936

ETRIMObouwpromotor / vastgoedontwikkelaar1936

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Modernisme

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2011-2013

id

Urban : 21517
lees meer

Beschrijving

Op de hoek met de Ernestinelaan en de Wedrenlaan, appartementsgebouw met modernistischHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. karakter n.o.v. architect en vastgoedpromotor Jean Florian Collin voor Etrimo, 1936.

Tien bouwlagen waarvan de laatste twee trapsgewijs terugwijkend. Geelgekleurde bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. verdiepingen (“simili-pierre raboté”, La Technique des Travaux) op hardstenen benedenverdieping met garages langs de twee lanen. Stalen raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. grotendeels bewaard (in 1988 op sommige plaatsen vervangen door raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. in wit pvc).

Aan het Sterreplein, hoek met een halfronde rotonde die bijna volledig wordt ingenomen door verticale beglaasde registersVensterstrook in een topgevel. (raamwerk met metalen roedeverdeling), geritmeerd door fijne steunberen met metalen topstuk. Op de benedenverdieping, portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. met twee hardstenen zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.; smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… deur. Hoekrotonde geflankeerd door afgeronde erkersRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. met vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters., zelf geflankeerd door een reeks van zes fijne steunberen met metalen topstuk.

De twee zijgevels zijn voorzien van lange vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. en een gestapelde erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. met gebogen hoek(en), de erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. aan de Ernestinelaan over de hele gevelbreedte.

Interieur
Hal en hoofdtrappenhuis: vloer in grijze steen, muren en zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. bekleed met zwart marmer; lichtarmaturen en brievenbussen bewaard. Hardstenden trap (pierre de Lunel) in met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… balustradeHekwerk van spijlen of balusters. met cirkel- en boogmotieven.
Op de verdiepingen, drie appartementen per bouwlaag: een appartement aan de Ernestinelaan (twee kamers en één personeelskamer), een groot appartement aan het Sterreplein (twee kamers, een personeelskamer en een bureau), een derde appartement aan de Wedrenlaan (twee kamers).

Bronnen

Archieven
GAE/DS 121-3.

Publicaties en studies
CULOT, M. (o.l.v.), L'immeuble et la parcelle. Les immeubles à appartements comme éléments constitutifs du tissu urbain. Le cas de Bruxelles 1870-1980, AAM, Brussel, 1982, pp. 92.
VAN DIJK, P., Appartementsgebouwen uit het interbellum, ministerie Van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Brussel, 2006 (Brussel, Stad van Kunst en Geschiedenis, 43), pp. 34-36.

Tijdschriften
HAESELEER, L., “Résidence ‘Ernestine' à Bruxelles”, La Technique des Travaux, 3, 1940, pp. 111-114.
HENNAUT, E., “L'essor de l'immeuble à appartements”, Bruxelles Art Déco 1920 – 1930, AAM, Brussel, 1996, pp. 80-81.