Typologie(ën)
sportcomplex
Ontwerper(s)
Odette FILIPPONE – architect – 1969-1972
BUREAU AUA – architectenbureau – 1969-1972
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Inventaris(sen)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Landschappelijk Een landschap is een gebied, zoals waargenomen door de mens, waarvan het karakter het resultaat is van ondernomen actie en interactie van natuurlijke en/of menselijke factoren. Het is een schaalbegrip bestaande uit verschillende (erfgoed)componenten, die elk, al of niet hun intrinsieke waarde hebben, maar alles samen tot een groter meerwaardegeheel verheffen én dat dit ook zo word gepercipieerd vanop een bepaalde afstand. Wijde stadspanorama’s zijn het landschap bij uitstek, denk bijvoorbeeld aan het zicht over de benedenstad van Brussel vanop het Koningsplein, maar ook op kleinere schaal kunnen dergelijke landschappen die uit verschillende componenten zijn samengesteld voorkomen.
- Sociaal Moeilijk te onderscheiden van de volkskundige waarde en over het algemeen onvoldoende om een selectie op zichzelf te rechtvaardigen. - herinneringsplaats van een gemeenschap of van van een sociale groep (bijvoorbeeld de bedevaartskapel op het Kerkplein in Sint-Agatha-Berchem, “de Oude Linde” in Boendael te Elsene); - een plaats met volkssymboliek (bijvoorbeeld het café het “Goudblommeke in papier” in de Cellebroersstraat); - een plaats waar een wijk samenkomt of gestructureerd is (bijvoorbeeld De gebouwen “Fer à Cheval”- in de Floréal tuinwijk); - een goed dat deel uitmaakt van of bestaat uit openbare voorzieningen (scholen, crèches, gemeenschaps- of parochiezalen, sporthallen, stadions, enz.); - goed of ensemble (al dan niet sociale huisvesting) ontworpen om sociale interactie, wederzijdse hulp en buurtcohesie te stimuleren (bijvoorbeeld de woonwijken die na de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd in Ganshoren of de wijken die speciaal voor ouderen werden ontworpen); - goed dat deel uitmaakt van een industrieel complex dat een aanzienlijke activiteit heeft gegenereerd in de gemeente waar het zich bevindt of in het Gewest.
Onderzoek en redactie
2022
id
Urban : 40985
Beschrijving
Kleedgebouw
van het sportcentrum naar de plannen van AUA - architecte Odette Filippone in
het bijzonder - uit 1969 en gerealiseerd in 1972 in opdracht van de Stad
Brussel.
De AUA of Architectes et Urbanistes Associés was een collectief van architecten en stedenbouwkundigen, toen bestaande uit Robert Courtois, Jean Wynen, Jean-Pierre Blondel en Odette Filippone. Voor dit project was het Filippone die de plannen uitwerkte.
De plannen omvatten sportterreinen en een vestiairegebouw met conciërgeruimte, een kleine sanitaire constructie en schuilplaatsen langs de terreinen voor spelers. De vergunning dateert van 24.04.1970. Het vestiairegebouw wordt in 1972 gebouwd.
Begin jaren 1980 wordt de vergaderzaal van het vestiairegebouw uitgebreid en vermoedelijk omgevormd tot cafetaria. In 1988 wordt er een tegen de noordgevel geïntegreerd volume toegevoegd met bijkomende afzonderlijke kleedruimten met een kleine keuken en refter voor het personeel zonder een doorgang naar het bestaande gebouw. De plannen hiervan zijn eveneens van Odette Filippone. Omstreeks 1990 wordt er een volume langs het cafetaria (zuidzijde) toegevoegd als squashruimte waarvan de architect onbekend is. Vermoedelijk werd tussen 2004 en 2009 de dakbedekking vernieuwd.
Beschrijving
Gelegen langs de Tweebeek volgt het gebouw van één bouwlaag het vanaf de Korte Groenweg licht dalend terrein.
Functioneel gebouw in een sobere en blokvormige architectuur. Georganiseerd langs een lange centrale hal, versmallend en dalend via enkele treden naar het einde toe, met een hoofdingang aan de kant van de Korte Groenweg en een hoofdtoegang lateraal, naar de sportterreinen toe. Aansluitende blokken als modules ingepast met conciërgeruimte, cafetaria, sanitair en voornamelijk kleedkamers.
Gevels met een parementGevel- of muurbekleding. van bruine baksteen en een kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). van glad beton. Cafetaria is de enige module met een volledig beglaasde buiten- en dito binnenwand.
Interieurs kleedkamers wit geschilderd met centrale ronde lichtkoepels voor daglicht, ventilatiesystemen boven de douches en verwarmingselementen onder de zitbanken.
Motivering erfgoedwaarden
Artistieke waarde
Het ontwerp van het gebouw is representatief voor het naoorlogs modernismeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. en het gebouw heeft zijn integriteit en authenticiteit grotendeels behouden. Buiten de aanpassingen voor de toevoegingen en de vernieuwing van het dak is het gebouw zo goed als intact gebleven.
Als onderdeel van het sportcomplex neemt het gebouw een specifieke plaats in in het oeuvre van architecte Odette Filippone. Zij heeft voornamelijk residentiële gebouwen (appartementen, villa’s) gerealiseerd in Brussel. Vaak was dit in partnerschap met andere architecten en is het daarom niet steeds duidelijk wie welk aandeel had. Wel is geweten dat haar man, Jean-Pierre Blondel, zich meer toelegde op stedenbouw terwijl zij het architecturale deel meer voor haar rekening nam.
Historische waarde
Het sportcentrum waar het gebouw deel van uitmaakt heeft een contextuele waarde binnen het historisch kader van de ontwikkeling van de gemeente, waarbij deze nieuwe voorzieningen dient in te richten voor de groeiende naoorlogse bevolking.
Landschappelijke waarde
Het vestiairegebouw, bestaande uit één bouwlaag, heeft een contextuele waarde omwille van de bijzondere positionering in zijn omgeving. Het gebouw volgt het reliëf van het landschap en stelt zich bescheiden op met zijn sobere architectuur.
Sociale waarde
Het vestiairegebouw maakt deel uit van het sportcentrum, een gemeenschapsvoorziening van de gemeente en heeft als zodanig een sociale waarde.
De AUA of Architectes et Urbanistes Associés was een collectief van architecten en stedenbouwkundigen, toen bestaande uit Robert Courtois, Jean Wynen, Jean-Pierre Blondel en Odette Filippone. Voor dit project was het Filippone die de plannen uitwerkte.
De plannen omvatten sportterreinen en een vestiairegebouw met conciërgeruimte, een kleine sanitaire constructie en schuilplaatsen langs de terreinen voor spelers. De vergunning dateert van 24.04.1970. Het vestiairegebouw wordt in 1972 gebouwd.
Begin jaren 1980 wordt de vergaderzaal van het vestiairegebouw uitgebreid en vermoedelijk omgevormd tot cafetaria. In 1988 wordt er een tegen de noordgevel geïntegreerd volume toegevoegd met bijkomende afzonderlijke kleedruimten met een kleine keuken en refter voor het personeel zonder een doorgang naar het bestaande gebouw. De plannen hiervan zijn eveneens van Odette Filippone. Omstreeks 1990 wordt er een volume langs het cafetaria (zuidzijde) toegevoegd als squashruimte waarvan de architect onbekend is. Vermoedelijk werd tussen 2004 en 2009 de dakbedekking vernieuwd.
Beschrijving
Gelegen langs de Tweebeek volgt het gebouw van één bouwlaag het vanaf de Korte Groenweg licht dalend terrein.
Functioneel gebouw in een sobere en blokvormige architectuur. Georganiseerd langs een lange centrale hal, versmallend en dalend via enkele treden naar het einde toe, met een hoofdingang aan de kant van de Korte Groenweg en een hoofdtoegang lateraal, naar de sportterreinen toe. Aansluitende blokken als modules ingepast met conciërgeruimte, cafetaria, sanitair en voornamelijk kleedkamers.
Gevels met een parementGevel- of muurbekleding. van bruine baksteen en een kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). van glad beton. Cafetaria is de enige module met een volledig beglaasde buiten- en dito binnenwand.
Interieurs kleedkamers wit geschilderd met centrale ronde lichtkoepels voor daglicht, ventilatiesystemen boven de douches en verwarmingselementen onder de zitbanken.
Motivering erfgoedwaarden
Artistieke waarde
Het ontwerp van het gebouw is representatief voor het naoorlogs modernismeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. en het gebouw heeft zijn integriteit en authenticiteit grotendeels behouden. Buiten de aanpassingen voor de toevoegingen en de vernieuwing van het dak is het gebouw zo goed als intact gebleven.
Als onderdeel van het sportcomplex neemt het gebouw een specifieke plaats in in het oeuvre van architecte Odette Filippone. Zij heeft voornamelijk residentiële gebouwen (appartementen, villa’s) gerealiseerd in Brussel. Vaak was dit in partnerschap met andere architecten en is het daarom niet steeds duidelijk wie welk aandeel had. Wel is geweten dat haar man, Jean-Pierre Blondel, zich meer toelegde op stedenbouw terwijl zij het architecturale deel meer voor haar rekening nam.
Historische waarde
Het sportcentrum waar het gebouw deel van uitmaakt heeft een contextuele waarde binnen het historisch kader van de ontwikkeling van de gemeente, waarbij deze nieuwe voorzieningen dient in te richten voor de groeiende naoorlogse bevolking.
Landschappelijke waarde
Het vestiairegebouw, bestaande uit één bouwlaag, heeft een contextuele waarde omwille van de bijzondere positionering in zijn omgeving. Het gebouw volgt het reliëf van het landschap en stelt zich bescheiden op met zijn sobere architectuur.
Sociale waarde
Het vestiairegebouw maakt deel uit van het sportcentrum, een gemeenschapsvoorziening van de gemeente en heeft als zodanig een sociale waarde.
Bronnen
Archieven
SAB/Urb/V46_69 (1969)
SAB/OW 89865 (1981), 90776 (1988), 105128 (1993), 106799 (1994)












