Typologie(ën)

park
brug
theater/schouwburg

Ontwerper(s)

Jules BUYSSENSlandschapsarchitect1932-1933

Inventaris(sen)

  • Inventaris van engineering erfgoed (2011)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

  • Artistiek
  • Esthetisch
  • Volkskundig
  • Historisch
  • Landschappelijk
  • Wetenschappelijk
  • Sociaal
  • Technisch
  • Stedenbouwkundig

Onderzoek en redactie

2018

id

Urban : 38323
lees meer

Beschrijving

Het Ossegempark ligt halverwege de helling van de Heizelsite, ten oosten van de Eeuwfeestlaan. Het is een 18,5hectare grote Engelse tuin die wordt afgebakend door de Atomiumlaan, de Madridlaan, de Graaf Moens de Ferniglaan en de Dikkelindelaan. Er lopen drie verkeerswegen doorheen: de Kreupelboslaan, die het Louis Steensplein met de Madridlaan verbindt, de Purperbeukenlaan, die een Y vormt met eerstgenoemde laan, en de Loopbruglaan, die het Amnesty Internationalplein, dat in het midden van het park ligt, met de Atomiumlaan verbindt. In het westelijke deel loopt door het park een bochtige vijver, met ten zuiden daarvan een groentheater. Het park ligt op een heel onregelmatig terrein en vormt een bucolische groene ruimte vol verrassingen, met zijn kronkelige stijgende en dalende paden. Het heeft een uitgesproken bosachtig karakter en er groeien diverse boomsoorten, waaronder eiken, beuken, esdoorns, kastanjebomen, platanen en haagbeuken. Het park werd op 16.10.1975 als landschap beschermd.

Geschiedenis
Vroeger bevonden zich hier steengroeven, waarschijnlijk vanaf de 12e eeuw en zeker vanaf de 14e. Tot eind 17e eeuw werd de groeve, Steenpoel genaamd, geëxploiteerd door de abdij van Affligem, onder meer voor de collegiale Sint-Goedelekerk in de 15e eeuw en met het oog op de wederopbouw van de abdij van Affligem in 1618. De ontginning van deze steengroeve veroorzaakte niveauverschillen die nog werden geaccentueerd door de hopen afgegraven grond die kleine heuveltjes vormden en die later, toen de groeve niet langer werd gebruikt, met eiken en later beuken werden beplant. Aan het einde van het ancien regime kwam het bos dat op die manier was ontstaan in privéhanden, voordat het door de industrieel Charles de Rongé werd omgevormd tot een bebost park dat paalde aan het kasteel dat hij in 1866 had gebouwd ter hoogte van de huidige Esplanade. In 1908 kocht koning Leopold II dit 50 hectare grote domein via de Compagnie des Sites, met het doel het te verstedelijken. In 1909 verwierf de Staat het domein via de Koninklijke Schenking. In 1919 werd op het oude buitengoed van de familie Rongé het Rijkshoger Normaalinstituut voor Landbouwhuishoudkunde gevestigd. In 1921 verrezen er nieuwe gebouwen, onder meer de witte villa, De bloeyende Linde genaamd, die als woning dienstdeed voor de directeur van het instituut, Jean Lindemans. Het Ossegemdomein, dat toen in totaal al bijna 123 hectare groot was, werd in 1927 in het vooruitzicht van de Wereldtentoonstelling van 1935 aan de Stad Brussel overgedragen, en het instituut werd een enclave binnen het tentoonstellingsterrein. Met het oog op Expo 58 werden het kasteel en de bijgebouwen gesloopt, en in 1955 werd de school naar Jette overgebracht, voordat ze zich in 1958 definitief in Wemmel vestigde.

De oude steengroeve werd met het oog op de Wereldtentoonstelling van 1935 als bospark ingericht door Jules Buyssens, hoofdarchitect van de tuinen. De werken voor de aanleg van het park namen een aanvang in maart 1933, en er gingen bijna 130 arbeiders aan de slag. Het park werd aangelegd op kosten van de Stad Brussel en moest, na de Wereldtentoonstelling, het openbaar park worden van de Ossegemwijk die op de door de tentoonstelling vrijgemaakte terreinen was gepland. Buyssens bewaarde de belangrijkste kenmerken van het park van Rongé, waarvan de helft van de oppervlakte al bebost was, met zijn niveauverschillen en zijn beuken. De bestaande vijvers en bronnen werden vergroot en met elkaar verbonden zodat ze een 540meter lange, door wandelpaden afgeboorde vijver vormden. Een van de armen ervan liep tot aan een groentheater waar op een drijvend podium voorstellingen werden gegeven. Om de dichtheid van de vijver te verzekeren, werd zijn bodem bedekt met kneedbare leem. Er liepen drie bruggen over de vijver, waaronder een nog altijd bestaande loopbrug van gewapend beton. Om het park te verbinden met de Eeuwfeestlaan, waar zich de hoofdingang van de tentoonstelling bevond, waren verschillende ophogingen nodig, waarbij sommige bomen tot 7,5 meter diep onder het grondoppervlak verdwenen, beschermd door klokken in gewapend beton rond de voet van de stammen. Een bestaande dreef, de huidige Kreupelboslaan, die met vier rijen rode beuken was beplant, werd tot aan het Louis Steensplein verlengd, en dat nieuwe straatdeel werd met dezelfde bomen beplant, maar dan gesnoeid tot vormbomen. De laan werd aangevuld met een nieuwe dreef, de huidige Purperbeukenlaan, waarmee ze een Y-vormig geheel vormt. Ten oosten daarvan werden de terreinen door tentoonstellingspaviljoenen ingenomen. Aan het uiteinde van de Kreupelboslaan, aan de kant van de Madridlaan, werd het Monument voor de Steengroeven van Belgische Blauwe Steen opgesteld (zie beschrijving in de Kreupelboslaan).

In 1939 werd in het oostelijke gedeelte van het park een ruimte voor kinderen aangelegd, het Astridpark, naar een ontwerp van architect Robert Puttemans en landschapsarchitect René Pechère. Het werd bij nationale intekening aangelegd, als levend monument ter nagedachtenis van de koningin, die in 1935 in een ongeval was omgekomen. Dit meer dan drie hectare grote park werd overheerst door een modernistisch paviljoen onder een plat dak op fijne pijlers. Het geheel moest verdwijnen met het oog op Expo 58.

Ter gelegenheid van deze tweede Wereldtentoonstelling werd het park door René Pechère heringericht. Hij tekende een nieuwe weg uit, de Loopbruglaan, in het verlengde van de 450 meter lange loopbrug op 15 meter hoge pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) die boven de buitenlandse afdeling liep en het park verbond met het Monument voor Leopold I. Enkel het noordelijke landhoofd van de loopbrug is bewaard gebleven; de onderbouw werd in 1973 tot transformatorhuisje omgebouwd. De laan zelf overspant de vijver via een betonnen portaalbrug. Naast de bouwwerken die aan de oostkant van de lanen in Y-vorm verrezen, werden in het westelijke gedeelte van het park verscheidene paviljoenen opgetrokken. Voorbeelden daarvan zijn het International Shopping Center, dat bestond uit drie volumes waarvan er een de vijver overspande, het ronde paviljoen van de provincie Brabant, het paviljoen van Israël, diverse commerciële paviljoenen, waaronder dat van het Kortrijks Dakpannenkantoor (zie Atomiumlaan nr.6), evenals een kinderbewaarplaats, op de hoek met de Madridlaan, die tot school werd verbouwd (zie Madridlaan nr.100). Het park, met zijn betoverende lichtspel en zijn talloze plantsoenen, werd in drie zones opgedeeld: lente, zomer, herfst – de drie seizoenen waarin de Expo open was.

Groentheater
Samen met de vijver vormde het Groentheater, dat in 1932 door Jules Buyssens werd ontworpen met het oog op de Wereldtentoonstelling van 1935, de hoofdattractie van het park. Dit openluchtamfitheater bestaat uit terrassen ondersteund door met geelbonte ligusters beplante muurtjes en biedt plaats aan 3000 personen. In het midden van dit waaiervormige theater, langs een thans gedichte vijverarm, is een scène voor 400 muzikanten ingericht.

Loopbrug uit 1935
Loopbrug in gewapend beton, 35 meter lang en 4 meter breed, waarvan de balustradeHekwerk van spijlen of balusters. in 1958 werd vervangen. Ze is “een van de mooiste Brusselse voorbeelden van een boogstructuur in gewapend beton” (ATTAS, D. en PROVOST, M. (red.), 2011, p. 46). De 40 centimeter dikke boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. van gewapend beton draagt het brugdek via twee rijen vierkante zuilen.

Bronnen

Archieven
SAB/OW 51485 (1938), 84673 (1968), 84671 (1972).


Publicaties en studies
ATTAS, D., PROVOST, M.
 (red.), Brussel: in de voetsporen van de bouwkundig ingenieurs, CIVA, Brussel, 2011, p. 46-47.
COOMANS, T., De Heizel en de Wereldtentoonstellingen van 1935 en 1958, coll. Brussel, Stad van Kunst en Geschiedenis, 5, 1994, pp. 44-45.
DEMEY, T., Bruxelles en vert, Badeaux, Brussel, 2003, pp. 89-92.
GUILLAUME, A., MEGANCK, M., Atlas van de archeologische ondergrond van het Gewest Brussel. 24. 24. Laken, Directie Monumenten en Landschappen – Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel, 2012, p. 44.
Le livre d’or de l’Exposition universelle et internationale Bruxelles 1935, Uitvoerend Comité van de Tentoonstelling, Brussel. 

Tijdschriften
CHARRUADAS, P., MEGANCK, M., “Sur le plateau d’Osseghem. Paysage rural et activités agricoles avant le quartier du Heysel”, Exposition universelleLes Cahiers de la Fonderie, 37, 2007, p. 17.
“Le parc Astrid, au Heysel”, La Maison, 9, september 1947, pp. 229-232.
“Uit de geschiedenis van de Heizel: Ossegem”, LACA Tijdingen, speciaal nummer Ossegem, december 2009.
VAN DER ELST, W., “Bootje varen op het meer van de Heizel”, LACA Tijdingen, jaargang 22, 3, juni-september 2011, pp. 26-36.