Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
villa
Ontwerper(s)
André JACQMAIN – architect – 1952-1953
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Regionalistische architectuur
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed 1939-1999 (ULB)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016
id
Urban : 27002
Beschrijving
Villa
met regionalistischePeriode: ca. 1890-1950
Regionalisme is een traditionalistische stroming binnen de eclectische
architectuur die vooral voorkomt in de woningbouw. De stijl laat zich
inspireren door regionale en plaatsgebonden architectuurvormen, materialen en
constructiewijzen. Het regionalisme ontwikkelt zich in België vanaf de 19e eeuw,
in een context waarin zowel de opkomst van nationale en regionale identiteiten
als herwaardering van historische architectuur een belangrijke rol spelen.
De stroming verwijst naar traditionele landelijke architectuur, die wordt beschouwd
als een authentiek en rationeel model omwille van haar eenvoudige planopbouw,
functionele organisatie en logisch materiaalgebruik. Architecten ontlenen er
zowel bouwtypologieën als decoratieve elementen aan. Daarbij komen twee
benadering vaak voor: enerzijds de nauwkeurige imitatie van historische voorbeelden,
anderzijds de anachronistische combinatie van elementen uit verschillende
regionale stijlen.
Kenmerkend voor het regionalisme zijn onder meer
hellende daken, traditionele gevelcomposities, ambachtelijke detaillering en
het gebruik van lokale materialen zoals baksteen, natuursteen, hout of leien.
De stijl streeft naar een architectuur die harmonieert met haar geografische,
historische en culturele context. kenmerken gebouwd in opdracht van de familie Van Doorslaer
– Rottiers, naar een ontwerp van architect André Jacqmain, 1952-’53.
Samen met de atelierwoning van de schilder Carlo de Brouckère (Torhout) uit 1949-1950, is deze woning een herinterpretatie van het traditionelePeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. woonhuis wat de vroege carrière van de architect André Jacqmain typeert.
Woning op ingesloten perceel met hoofdvolume van twee bouwlagen onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. en twee aanbouwen van telkens één bouwlaag eveneens onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken..
Witgeverfde bakstenen gevels met rechthoekige muuropeningen, op verdiepingen met gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. vensterleuningenLage, versierde leuning boven een onderdorpel, meestal in metaal. waarin meandermotief. Bewaarde toegangsdeur in hoofdvolume aan noordwestzijde langs grote blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. muur; het geheel gevat in nisvormig muurvlak. Achtergevel aan tuinzijde (zuidoostzijde) als voornaamste gevel gevat tussen twee muurpijlers en geritmeerd door vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met vensterdeuren op de benedenverdieping.
Decoratieve schoorstenen bestaande uit kolommenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. overhoeks met de kopDe lange zijde van een baksteen heet strek, de korte kop. uitstekende bakstenen.
Latere aanpassingen met o.a. dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. boven de garage en aan zuidwestvolume toemaken overdekt terras.
Vensterschrijnwerk vervangen.
Interieur: Leefruimte achter drie eerste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) achtergevel met open haard met hardstenen voet en open hardstenen trap naar eerste verdieping. In vestiaire nog oorspronkelijke Jules Wabbes-kapstok.
Samen met de atelierwoning van de schilder Carlo de Brouckère (Torhout) uit 1949-1950, is deze woning een herinterpretatie van het traditionelePeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. woonhuis wat de vroege carrière van de architect André Jacqmain typeert.
Woning op ingesloten perceel met hoofdvolume van twee bouwlagen onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. en twee aanbouwen van telkens één bouwlaag eveneens onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken..
Witgeverfde bakstenen gevels met rechthoekige muuropeningen, op verdiepingen met gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. vensterleuningenLage, versierde leuning boven een onderdorpel, meestal in metaal. waarin meandermotief. Bewaarde toegangsdeur in hoofdvolume aan noordwestzijde langs grote blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. muur; het geheel gevat in nisvormig muurvlak. Achtergevel aan tuinzijde (zuidoostzijde) als voornaamste gevel gevat tussen twee muurpijlers en geritmeerd door vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met vensterdeuren op de benedenverdieping.
Decoratieve schoorstenen bestaande uit kolommenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. overhoeks met de kopDe lange zijde van een baksteen heet strek, de korte kop. uitstekende bakstenen.
Latere aanpassingen met o.a. dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. boven de garage en aan zuidwestvolume toemaken overdekt terras.
Vensterschrijnwerk vervangen.
Interieur: Leefruimte achter drie eerste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) achtergevel met open haard met hardstenen voet en open hardstenen trap naar eerste verdieping. In vestiaire nog oorspronkelijke Jules Wabbes-kapstok.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid












