Typologie(ën)

burgerwoning

Ontwerper(s)

Albert DUMONTarchitect1902

Alexis DUMONTarchitect1902

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Neo-Vlaamse renaissance

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2005-2006

id

Urban : 15855
lees meer

Beschrijving

Burgerwoning met elementen in neo-Vlaamse renaissanceDe Neo-Vlaamse renaissancestijl is een regionale variant van de neorenaissance die zich in Brussel ontwikkelde tussen circa 1860 en 1914. Zij grijpt terug op de zestiende-eeuwse bouwtraditie van de Zuidelijke Nederlanden, met name op Vlaamse stadhuizen, gildehuizen en patriciërswoningen uit de tijd van de Habsburgse Nederlanden. In tegenstelling tot de meer Italiaans georiënteerde neorenaissance legt de neo-Vlaamse richting de nadruk op nationale worteling, ambachtelijke expressie en stedelijke identiteit. De stijl ontstond in een context van groeiend nationaal en stedelijk bewustzijn: in de tweede helft van de 19e eeuw trachtten Belgische architecten en beleidsmakers een eigen architecturale vormentaal te definiëren, los van Franse of Engelse modellen. De terugkeer naar de Vlaamse renaissance bood een historisch verankerd maar hedendaags hanteerbaar idioom, dat verwees naar traditie, vakmanschap en burgerlijke trots. De zestiende eeuw gold daarbij als een gouden tijdperk van kunst, handel en stedelijke autonomie — waarden die men binnen de jonge Belgische natie opnieuw wilde oproepen. In Brussel, als hoofdstad van het koninkrijk, kreeg deze stijl een uitgesproken representatieve functie. Zij symboliseerde zowel continuïteit met het historische stadsbeeld als de identiteit van een zelfbewuste burgerij. Architecten combineerden de historiserende vormentaal vaak met moderne bouwtechnieken — zoals gietijzer, staal en nieuwe baksteenformaten — binnen een bredere eclectische stedelijke architectuur. De stijl werd bijzonder populair voor openbare gebouwen, scholen, gemeentehuizen, postgebouwen en burgerhuizen, en kreeg zo ook een educatieve en administratieve dimensie: zij moest burgerlijke orde, stedelijke trots en nationale identiteit zichtbaar maken. In de periode van Leopold II werd zij een wezenlijk onderdeel van het visuele profiel van de hoofdstad. De neo-Vlaamse renaissancestijl is herkenbaar aan een uitgesproken verticale en plastische gevelcompositie, met een levendig spel van materialen, kleuren en ornamenten. Typische kenmerken zijn het gebruik van rode baksteen gecombineerd met witte of blauwe natuursteen (soms in speklagen), trapgevels, kruisvensters en geprofileerde kozijnen, cartouches, medaillons, frontons en wimpelvormige dakkapellen, evenals beeldhouwwerk met figuren, wapenschilden of allegorische motieven. Horizontale cordonbanden en verticale lisenen ritmeren de gevel, soms aangevuld met smeedijzeren balkons of loggia’s in natuursteen of hout. De stijl combineert constructieve rationaliteit met decoratieve exuberantie — een evenwicht dat haar bijzonder geschikt maakte voor stedelijke representatie. n.o.v. arch. Albert en Alexis Dumont, 1902.

Twee bouwlagen en twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). ToegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. met tweelichtTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. onder puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is.. Bakstenen gevel met witstenen elementen. Muuropeningen in verschillende vormen en bekroond door kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).: deur met rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. geflankeerd door langwerpig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.; meeste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. als drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met tussendorpelStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt.. Bow-windowErker (afk. Engels, van bow: buiging, en window: venster) die door haar gebogen vorm integrerend deel uitmaakt van de gevel en de achterliggende ruimte. in tweede bouwlaag. PolygonaleRegelmatige veelhoek. dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Mooi afgeplat smeedijzerTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen…. Eiken schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... , kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). en smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… traliewerk en borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. oorspronkelijk.

Interieur wordt gedomineerd door neo-Vlaamse renaissancestijl. Kwaliteitsvol houtwerk in eik voor lambriseringenWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …, deuren met entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. en het centrale trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht.. In de vml. ‘fumoir' schitterende schoorsteenmantelHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw. met witstenen getorsteGedraaid, gewrongen. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., beeldhouwwerk en versierde tegels.

Bronnen

Archieven
SAB/OW 10180 (1902).

Tijdschriften
L'Émulation, 1907, afb. 12.