Typologie(ën)
burgerwoning
Ontwerper(s)
Albert DUMONT – architect – 1902
Alexis DUMONT – architect – 1902
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Neo-Vlaamse renaissance
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Brussel Uitbreiding Zuid (Apeb - 2005-2008)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2005-2006
id
Urban : 15855
Beschrijving
Burgerwoning met elementen in neo-Vlaamse renaissanceDe
Neo-Vlaamse renaissancestijl is een regionale variant van de neorenaissance die
zich in Brussel ontwikkelde tussen circa 1860 en 1914. Zij grijpt terug op de
zestiende-eeuwse bouwtraditie van de Zuidelijke Nederlanden, met name op
Vlaamse stadhuizen, gildehuizen en patriciërswoningen uit de tijd van de
Habsburgse Nederlanden.
In tegenstelling tot de meer Italiaans georiënteerde neorenaissance legt de
neo-Vlaamse richting de nadruk op nationale worteling, ambachtelijke expressie
en stedelijke identiteit. De stijl ontstond in een context van groeiend
nationaal en stedelijk bewustzijn: in de tweede helft van de 19e eeuw trachtten
Belgische architecten en beleidsmakers een eigen architecturale vormentaal te
definiëren, los van Franse of Engelse modellen. De terugkeer naar de Vlaamse
renaissance bood een historisch verankerd maar hedendaags hanteerbaar idioom,
dat verwees naar traditie, vakmanschap en burgerlijke trots. De zestiende eeuw
gold daarbij als een gouden tijdperk van kunst, handel en stedelijke autonomie
— waarden die men binnen de jonge Belgische natie opnieuw wilde oproepen.
In Brussel, als hoofdstad van het koninkrijk, kreeg deze stijl een uitgesproken
representatieve functie. Zij symboliseerde zowel continuïteit met het
historische stadsbeeld als de identiteit van een zelfbewuste burgerij.
Architecten combineerden de historiserende vormentaal vaak met moderne
bouwtechnieken — zoals gietijzer, staal en nieuwe baksteenformaten — binnen een
bredere eclectische stedelijke architectuur. De stijl werd bijzonder populair
voor openbare gebouwen, scholen, gemeentehuizen, postgebouwen en burgerhuizen,
en kreeg zo ook een educatieve en administratieve dimensie: zij moest
burgerlijke orde, stedelijke trots en nationale identiteit zichtbaar maken. In
de periode van Leopold II werd zij een wezenlijk onderdeel van het visuele
profiel van de hoofdstad.
De neo-Vlaamse renaissancestijl is herkenbaar aan een uitgesproken verticale en
plastische gevelcompositie, met een levendig spel van materialen, kleuren en
ornamenten. Typische kenmerken zijn het gebruik van rode baksteen gecombineerd
met witte of blauwe natuursteen (soms in speklagen), trapgevels, kruisvensters
en geprofileerde kozijnen, cartouches, medaillons, frontons en wimpelvormige
dakkapellen, evenals beeldhouwwerk met figuren, wapenschilden of allegorische
motieven. Horizontale cordonbanden en verticale lisenen ritmeren de gevel, soms
aangevuld met smeedijzeren balkons of loggia’s in natuursteen of hout.
De stijl combineert constructieve rationaliteit met decoratieve exuberantie —
een evenwicht dat haar bijzonder geschikt maakte voor stedelijke representatie. n.o.v. arch. Albert en Alexis Dumont, 1902.
Twee bouwlagen en twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). ToegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. met tweelichtTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. onder puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is.. Bakstenen gevel met witstenen elementen. Muuropeningen in verschillende vormen en bekroond door kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).: deur met rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. geflankeerd door langwerpig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.; meeste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. als drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met tussendorpelStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt.. Bow-windowErker (afk. Engels, van bow: buiging, en window: venster) die door haar gebogen vorm integrerend deel uitmaakt van de gevel en de achterliggende ruimte. in tweede bouwlaag. PolygonaleRegelmatige veelhoek. dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Mooi afgeplat smeedijzerTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen…. Eiken schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... , kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). en smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… traliewerk en borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. oorspronkelijk.
Interieur wordt gedomineerd door neo-Vlaamse renaissancestijl. Kwaliteitsvol houtwerk in eik voor lambriseringenWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …, deuren met entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. en het centrale trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht.. In de vml. ‘fumoir' schitterende schoorsteenmantelHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw. met witstenen getorsteGedraaid, gewrongen. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., beeldhouwwerk en versierde tegels.
Twee bouwlagen en twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). ToegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. met tweelichtTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. onder puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is.. Bakstenen gevel met witstenen elementen. Muuropeningen in verschillende vormen en bekroond door kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).: deur met rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. geflankeerd door langwerpig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.; meeste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. als drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met tussendorpelStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt.. Bow-windowErker (afk. Engels, van bow: buiging, en window: venster) die door haar gebogen vorm integrerend deel uitmaakt van de gevel en de achterliggende ruimte. in tweede bouwlaag. PolygonaleRegelmatige veelhoek. dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Mooi afgeplat smeedijzerTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen…. Eiken schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... , kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). en smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… traliewerk en borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. oorspronkelijk.
Interieur wordt gedomineerd door neo-Vlaamse renaissancestijl. Kwaliteitsvol houtwerk in eik voor lambriseringenWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …, deuren met entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. en het centrale trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht.. In de vml. ‘fumoir' schitterende schoorsteenmantelHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw. met witstenen getorsteGedraaid, gewrongen. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., beeldhouwwerk en versierde tegels.
Bronnen
Archieven
SAB/OW 10180 (1902).
Tijdschriften
L'Émulation, 1907, afb. 12.
























